Hij schrok wakker en lag stil naar het duister boven hem te staren. Een droom. Maar was het een gewone droom of iets anders? Hij trok zijn hand onder de dekens vandaan en voelde aan zijn nek, voelde de beet en het dunne straaltje bloed. Wat voor droom het ook was geweest, zij was erin geweest. Lanfir. Haar had hij niet gedroomd. En die ander: een man. Een koude glimlach trok langs zijn lippen. Overal vallen. Valstrikken voor onvoorzichtige voeten. Ik moet uitkijken waar ik mijn voeten neerzet. Zoveel valstrikken, ledereen zet zijn val. Zachtjes lachend draaide hij zich om om verder te slapen – en verstarde terwijl hij zijn adem inhield. Hij was niet alleen in de kamer. Lanfir.
Wanhopig reikte hij naar de Ware Bron. Heel even vreesde hij dat zijn eigen angst hem zou tegenhouden. Toen dreef hij in de koele kalmte van de leegte, gevuld met een woeste rivier van de Kracht. Hij sprong overeind en haalde uit. Alle lampen ontbrandden tegelijk. Aviendha zat in kleermakerszit bij de deur, met open mond en uitpuilende ogen, zowel door de brandende lampen als door de onzichtbare banden die haar vasthielden. Zelfs haar hoofd kon ze niet bewegen. Hij had verwacht dat er iemand zou staan en zijn weefsel reikte tot boven haar hoofd. Onmiddellijk maakte hij de stromen Lucht los. Ze ging staan en verloor in haar haast bijna de sjaal. ik... ik denk niet dat ik er ooit aan zal wennen...’ Ze gebaarde naar de lampen. ‘Aan een geleider.’
‘Je hebt me al eerder de Kracht zien geleiden.’ Boosheid druppelde door de leegte die hem omgaf. Om zo in het donker zijn kamer binnen te sluipen. Hem de stuipen op het lijf te jagen. Ze mocht blij zijn dat hij haar geen pijn had gedaan, haar niet per ongeluk had gedood. ‘Je kunt er maar beter aan wennen. Ik ben Hij die komt met de dageraad, of je dat nu wilt toegeven of niet.’
‘Dat maakt geen deel uit van...’
‘Waarom ben je hier?’ wilde hij kil weten.
‘De Wijzen houden buiten om beurten de wacht over je. Ze wilden je in het oog blijven houden in...’ Haar stem stierf weg en haar gezicht werd rood.
‘Waarin?’ Ze keek hem slechts aan, en haar gezicht werd nog roder. ‘Aviendha, waar...’ Droomloopsters. Waarom was dat nooit eerder bij hem opgekomen? ‘In mijn dromen.’ zei hij ruw. ‘Hoelang hebben ze al in mijn hoofd zitten loeren?’
Ze slaakte een lange diepe zucht. ‘Ik mocht het je niet zeggen. Als Bair het ontdekt... Seana zei dat het vannacht veel te gevaarlijk was. Ik begrijp het niet: ik kan de droom niet betreden zonder dat iemand me helpt. Ik weet alleen dat er vannacht iets gevaarlijks aan de hand was. Daarom waken ze om beurten bij de deur van dit dak. Ze zijn allemaal bezorgd.’
‘Je hebt mijn vraag nog steeds niet beantwoord.’
‘Ik weet niet waarom ik hier ben,’ mompelde ze. ‘Als je bescherming nodig hebt...’ Ze keek even naar het kleine mes aan haar riem en raakte de greep aan. De ivoren armband leek haar te ergeren, ze sloeg haar armen over elkaar heen, zodat die klem zat in haar oksel. ‘Met zo’n klein mes kan ik je niet echt beschermen en Bair zegt, dat als ik het ooit mocht wagen een speer op te pakken zonder dat iemand me rechtstreeks aanvalt, ze mijn huid zal looien voor een waterzak. Ik weet ook niet waarom ik me van mijn slaap laat beroven om jou te beschermen. Door jou moest ik daarstraks nog in het maanlicht tapijten kloppen.’
‘Dat was de vraag niet. Hoelang...’ Hij zweeg abrupt. Hij voelde iets in de lucht, had het gevoel dat er iets verkeerd was. Kwaadaardig. Het kon verbeelding zijn, een restje van zijn droom. Dat kon. Aviendha snakte naar adem toen het vlammende zwaard in zijn handen verscheen, het licht gebogen blad met de reiger. Lanfir had hem ervan beschuldigd dat hij maar een tiende deel van zijn vermogens gebruikte, maar zelfs het kleine beetje daarvan kwam door raden en klunzen. Hij kende zelfs dat tiende deel niet eens. Maar het zwaard kende hij.
‘Ga achter me staan.’ Ergens was hij zich ervan bewust dat ze haar mes pakte, terwijl hij op kousenvoeten over de kleden sloop. Vreemd genoeg was het niet kouder dan toen hij onder de dekens was gekropen. Misschien hield de rots alle warmte vast, want hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd.
Zelfs de gai’shain moesten hun strozak nu wel hebben opgezocht. De gangen en vertrekken waren stil en verlaten, de meeste vaag verlicht door nog steeds brandende lampen. Het moest hier zelfs overdag pikkedonker zijn, dus er waren altijd enkele lampen aan. Het gevoel was er nog steeds, vaag, maar het verdween niet. Kwaad. Opeens bleef hij staan. Onder de brede boog naar de toegangskamer met de bruine tegels stond een grote man met zijn hoofd gebogen over een vrouw, die hij in zijn zwart ommantelde armen hield. Haar hoofd hing achterover en haar witte mantelkap was teruggevallen, terwijl hij aan haar keel snuffelde. Chions ogen waren bijna half dicht en ze toonde een verrukte glimlach. Een zweem van verlegenheid gleed over het oppervlak van de leegte. Toen hief de man zijn hoofd op. Zwarte ogen namen Rhand op, te groot voor dat bleke, ingevallen gezicht, boosaardige rode lippen openden zich voor een spottende glimlach, waarbij scherpe tanden zichtbaar weerden. Chion viel in een hoopje neer op de tegels terwijl zijn mantel zich opende en uitspreidde tot vleermuisvleugels. De Draghkar stapte over haar heen en witte handen strekten zich naar Rhand uit, lange slanke vingers met scherpe klauwen. Maar klauwen en tanden vormden niet het grootste gevaar. Het was de kus van de Draghkar die doodde en erger nog. Zijn zoetvloeiende, geest bedwelmende zang plakte klef aan de leegte. Die donkere leren vleugels openden zich voor een omhelzing toen hij naar voren stapte. De grote zwarte ogen schrokken even voor het Krachtzwaard de schedel van de Draghkar tot aan zijn neus spleet. Een stalen kling zou blijven zitten maar de kling van geweven Vuur liet gemakkelijk los toen het schepsel viel. Heel even, diep in de kern van de leegte, bekeek Rhand het monster aan zijn voeten. Die zang. Als de leegheid niet alle gevoelens had buitengesloten, als hij niet gevoelloos en afstandelijk was gebleven, zou die zang zijn geest hebben gevangen. De Draghkar was ervan overtuigd dat Rhand bedwelmd was toen hij naar voren was gestapt.
Aviendha schoot langs hem heen en bukte zich over Chion om aan de keel van de gai’shain te voelen. ‘Dood,’ zei ze en ze schoof met haar duimen de oogleden helemaal omlaag. ‘Misschien maar beter zo. Draghkar vreten de ziel voor ze het leven nemen. Een Draghkar! Hier!’ Ze keek hem woest vanuit haar gebukte houding aan. in Imres Post al Trolloks en nu een Draghkar. Je brengt slechte tijden naar het Drievoudige...’ Met een schreeuw wierp ze zich plat op Chion toen hij het zwaard ophief.
Een dikke staaf vuur schoot van zijn kling over haar heen en belandde midden in de borst van de Draghkar in de deuropening. In vlammen uitbarstend en gillend wankelde het Schaduwgebroed achteruit over het pad, met wapperende, vlammende vleugels. ‘Wek iedereen,’ zei Rhand kalm. Had Chion gevochten? Hoe ver had haar eer gestrekt? Het zou geen enkel verschil hebben gemaakt. Een Draghkar stierf gemakkelijker dan een Myrddraal, maar was op zijn eigen wijze gevaarlijker. ‘Als je weet hoe je alarm moet slaan, doe dat dan.’
‘De gong bij de deur...’
‘Dat doe ik. Maak ze wakker. Er kunnen er meer dan twee zijn.’ Ze knikte en schoot de gang in, schreeuwend: ‘Op speren! Word wakker! Op speren!’
Rhand stapte voorzichtig naar buiten, het zwaard gereed. De Kracht vervulde hem, verrukte hem. Maakte hem misselijk. Hij wilde lachen en overgeven. De nacht was ijskoud, maar de kou drong amper tot hem door.
De vlammende Draghkar lag uitgestrekt in de moestuin, stinkend naar verbrand vlees; het brandende licht vulde dat van de maan aan. Even verderop lag Seana op het pad, haar lange grijzende haren als een waaier uitgespreid, met open starre ogen naar de lucht starend. Haar mes lag naast haar, maar tegen een Draghkar had ze geen enkele kans gehad.
Op het moment dat Rhand de met leer beklede hamer naast de vierkante bronzen gong pakte, ontstond er een ontzettende herrie bij de toegang tot het ravijn; geschreeuw van mensen en gehuil van Trolloks, gekletter van staal en gegil. Hij sloeg hard tegen de gong, een doordringende galm die langs de rotsen weerkaatste. Bijna meteen volgde een andere gong, toen nog meer en uit tientallen monden klonk de kreet: ‘Op speren!’