Выбрать главу

Onder hem steeg een verward geschreeuw op uit de karavaan. Licht-vlakken verschenen en de deuren van de twee vierkante wagens, die wit glommen in het maanlicht, sloegen open. Iemand daarbeneden stond boos te schreeuwen – een vrouw – hij wist niet wie. Vleugelslagen boven hem. Met een grauw hief Rhand zijn vlammende zwaard. De Ene Kracht brandde in hem en vuur schoot van de kling omhoog. De neerduikende Draghkar ontplofte in een regen van brandende brokjes die in de duisternis omlaag vielen. ‘Hier!’ zei Rhuarc. De ogen van het stamhoofd stonden hard boven zijn zwarte sluier. Hij was volledig gekleed en droeg zijn schild en speren. Mart stond achter hem, zonder jas en blootshoofds, zijn hemd half ingestopt. Hij stond onzeker met z’n ogen te knipperen en hield met beide handen zijn zwarte speer vast.

Rhand nam de sjoefa van Rhuarc aan en liet hem toen vallen. Een enorme vleermuis cirkelde voor de maan langs en dook toen omlaag aan de andere kant van het ravijn, waar hij in de schaduwen verdween. ‘Ze jagen op mij. Ze moeten mijn gezicht zien.’ De Kracht sprong in hem omhoog; het zwaard vlamde zo fel dat het leek of een kleine zon hen verlichtte. ‘Ze kunnen me niet vinden als ze niet weten waar ik ben.’ Lachend omdat ze de grap niet begrepen, rende hij in de richting van het strijdrumoer.

Terwijl hij zijn speer lostrok uit de borst van een Trollok met een geitenbek, hurkte Mart neer, terwijl zijn ogen de maanverlichte duisternis in de ravijndoorgang afzochten of er nog meer waren. Rhand, bloedvent’. Hij zag geen enkele gestalte bewegen die groot genoeg was voor een Trollok. Laat me altijd weer in deze bloedrotzooi belanden. Een zacht gekreun klonk van de gewonden. Een schaduw die volgens hem Moiraine was, knielde naast een gevallen Aiel. Die vuurbollen van haar waren bijna even indrukwekkend als dat zwaard van Rhand, dat banen vuur rondstuurde. Dat ding glansde zo fel dat Rhand in een cirkel van licht stond. Ik bad onder de dekens moeten blijven liggen; dat had ik veel beter kunnen doen. Het is ijskoud en ik heb hier niets mee te maken. Er verschenen nog meer Aiel; vrouwen bekommerden zich om de gewonden. Sommigen droegen speren. Misschien vochten ze normaal gesproken niet mee, maar toen de strijd de veste had bereikt, bleven ze niet staan toekijken.

Een Speervrouwe bleef naast hem staan en deed haar sluier af. Hij kon haar gezicht niet goed onderscheiden, helemaal in de schaduw van de maan. ‘Je danst mooi met je speer, gokker. Het zijn vreemde tijden, nu Trolloks in Koudrotsveste doordringen.’ Ze wierp een blik op de gestalte die Moiraine moest zijn. ‘Ze waren binnengekomen als de Aes Sedai er niet was geweest.’

‘Daarvoor waren er niet genoeg,’ zei hij zonder na te denken. ‘Ze waren bedoeld om de aandacht af te leiden.’ Zodat een Draghkar ongehinderd tot Rhand kon doordringen?

‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zei ze langzaam. ‘Ben je een speerleider bij de natlanders?’

Hij wou maar dat hij zijn grote mond gehouden had. ‘Ik heb een keer een boek gelezen,’ mompelde hij terwijl hij zich afwendde. Bloed-stukken van bloedherinneringen van een of andere bloedvent. Misschien voelden de marskramers er hierna meer voor om weg te gaan. Toen hij echter even bij de wagens bleef staan, waren Keille en Kadere nergens te zien. De wagenmenners stonden op een kluitje bij elkaar, gaven elkaar snel iets door dat rook naar hun goede brandewijn en mompelden opgewonden, alsof de Trolloks zo dichtbij waren gekomen dat ze hen hadden kunnen ruiken. Isendre stond fronsend boven aan het trapje van Kaderes wagen. Zelfs met die neergetrokken wenkbrauwen was ze mooi achter haar dunne sluier. Gelukkig waren zijn herinneringen aan vrouwen tenminste van hemzelf. ‘Met de Trolloks is het gebeurd,’ vertelde hij haar en hij stond zo manhaftig met z’n speer dat ze het vast en zeker zou opmerken. Strijd met een kans op een gat in je kop is zinloos als je er niets mee kunt winnen. Praten alsof hij doodmoe was, kostte hem trouwens helemaal geen moeite. ‘Een zware strijd, maar nu ben je veilig.’ Ze stond op hem neer te kijken, haar gezicht nietszeggend, terwijl haar ogen glinsterden als flonkerende sierstenen in het maanlicht. Zwijgend draaide ze zich om en ging naar binnen, waarbij ze de deur achter zich dichtsmeet. Hard.

Mart liet zijn adem lang en vol afkeer ontsnappen en beende weg van de wagens. Wat was er dan voor nodig om indruk te maken op die vrouw? Slapen. Dat wilde hij. Weer onder de dekens en Rhand mocht die vervloekte Trolloks en Draghkar afhandelen. De kerel leek het leuk te vinden. Met dat lachen van hem.

Rhand kwam net in het ravijn aanlopen, de gloed van zijn zwaard als een lantaarn in de nacht. Aviendha kwam met opgeschorte rok aanhollen en bleef toen staan. Ze liet haar rok vallen, streek hem glad en sloot zich aan bij Rhand, waarbij ze haar sjaal omsloeg. Hij leek haar niet te zien en haar gezicht was zo welsprekend als een rots. Ze verdienden elkaar.

‘Rhand,’ riep een haastige schaduw. Het was Moiraines stem, bijna even muzikaal als die van Keille, maar dan van koele muziek. Rhand draaide zich om en wachtte, en ze ging langzamer lopen voor ze goed en wel in het licht was, waarna ze bijna als een koningin de lichtcirkel als een paleis binnenstapte. ‘De toestand wordt gevaarlijk, Rhand. De aanval op Imres Post kon op de Aiel zijn gericht – niet waarschijnlijk maar het kan – maar vannacht waren de Draghkar zeker op jou uit.’

‘Ik weet het.’ Heel gewoon. Even kalm als zij en zelfs nog koeler. Moiraine perste haar lippen op elkaar en haar handen hielden zich doodstil; op z’n minst was ze niet blij. ‘Een voorspelling is het gevaarlijkst als je probeert haar werkelijkheid te maken. Heb je dat in Tyr niet geleerd? Het Patroon schikt zich om jou heen, maar als je het wilt weven, kan zelfs jij het niet vasthouden. Als je het Patroon te strak trekt, bouwt de druk zich op. Het kan aan alle kanten losbarsten. Niemand weet hoelang het duurt voor het weer bedaart en zich op jou richt en niemand weet wat er in die tussentijd kan gebeuren.’

‘Even helder en duidelijk als jouw uitleg,’ zei Rhand droog. ‘Wat wil je, Moiraine? Het is laat en ik ben moe.’

‘Ik wil dat je me vertrouwt. Denk je dat je alles hebt geleerd, nu je amper een jaar uit je dorp weg bent?’

‘Nee, ik heb nog niet alles geleerd.’ Nu klonk hij weer vermaakt. Soms wist Mart echt niet of Rhand nog wel zo goed bij zijn verstand was als hij eruitzag. ‘Jij wilt dat ik je vertrouw, Moiraine? Goed dan. De Drie Geloften staan je geen leugen toe. Zeg in eenvoudige woorden dat je me niet zult tegenhouden, wat ik je ook vertel, en dat je me op geen enkele manier zult dwarsbomen. Zeg dat je niet zult proberen om mij te gebruiken voor de doeleinden van de Toren. Zeg dat in eenvoudige woorden en duidelijk, zodat ik weet dat ze waar zijn.’ ik zal het vervullen van jouw bestemming op geen enkele wijze hinderen. Daaraan heb ik mijn leven gewijd. Maar ik kan je niet beloven dat ik blijf toekijken als jij je hoofd op een schavot legt.’

‘Niet goed genoeg, Moiraine. Niet goed genoeg. Maar zelfs als ik me tegen jou zou uitspreken, zou ik het niet hier doen. De nacht heeft oren.’ Overal in het duister bewogen mensen, maar ze waren niet zo dichtbij dat ze hem konden horen. ‘Zelfs dromen hebben oren.’ Aviendha trok haar sjaal naar voren zodat haar gezicht nog meer in de schaduw verdween. Dus een Aielse kon zich ook koud voelen. Rhuarc verscheen in het licht en trok zijn sluier omlaag. ‘De Trolloks moesten slechts voor afleiding zorgen, voor de Draghkar, Rhand Altor. Er waren er te weinig om iets anders te doen. De Draghkar waren er voor jou, denk ik. Bladerblaker wil je niet in leven laten.’

‘Het gevaar groeit,’ zei Moiraine kalm.

Het stamhoofd wierp een blik op haar voor hij verder ging. ‘Moiraine Sedai heeft gelijk. Nu de Draghkar gefaald hebben, vrees ik dat we ziellozen kunnen verwachten, die jullie grijzels noemen. Ik wil dag en nacht speren rond je hebben. Om de een of andere reden hebben de Speervrouwen uit eigen beweging zich hiervoor aangemeld.’ De kou was Aviendha écht tot last. Met opgetrokken schouders had ze haar handen heel diep onder haar oksels gestoken. ‘Als ze dat willen,’ zei Rhand. Het klonk een tikkeltje verontrust onder zijn ijskoude toon. Mart kon het hem moeilijk kwalijk nemen. Hij zou zichzelf voor alle zijde op de Zeevolkschepen niet aan de handen van de Speervrouwen toevertrouwen.