‘Ze zullen hun ogen beter openhouden dan ieder ander,’ zei Rhuarc, ‘nu ze er zelf om gevraagd hebben. Ik wil het echter niet alleen aan hen overlaten. Ik laat iedereen wacht lopen. Ik vermoed dat de volgende aanval van de ziellozen komt, maar dat houdt niet in dat iets anders ook niet mogelijk is. Tienduizend Trolloks in plaats van een paar honderd.’
‘Hoe staat het met de Shaido?’ Meteen had Mart zijn kiezen veel liever op elkaar gehouden. Misschien hadden ze hem nog niet eens opgemerkt. Maar hij kon het maar beter nu toch zeggen. ‘Ik weet dat jullie ze niet mogen, maar als jullie echt denken dat er een grote aanval kan volgen, zou het dan niet beter zijn als ze in de veste zitten in plaats van erbuiten?’
Rhuarc gromde. Bij hem betekende dat een zware vloek. ‘Ik zou nooit duizend Shaido in Koudrotsveste laten, zelfs niet als Grasbrander kwam. Maar het maakt niet uit. Couladin en de Shaido hebben bij het vallen van de avond hun tenten opgevouwen. We zijn beter af zonder hen. Ik heb lopers uitgezonden om er zeker van te zijn dat ze het gebied van de Taardad verlaten zonder schapen of geiten mee te nemen.’ Het zwaard verdween uit Rhands handen en de plotselinge afwezigheid van het licht maakte iedereen blind. Mart kneep zijn ogen dicht om ze aan te passen, maar toen hij ze weer opende, leek het maanlicht nog steeds donker.
‘Welke kant zijn ze opgegaan?’ vroeg Rhand.
‘Naar het noorden,’ vertelde Rhuarc hem. ‘Couladin wil ongetwijfeld Sevanna opvangen, die onderweg is naar Alcair Dal, om haar tegen jou op te zetten. Misschien lukt hem dat. De enige reden dat ze haar huvvkrans aan Suladrics voeten legde en niet aan de zijne, was dat ze een stamhoofd wilde huwen. Maar ik heb je al gezegd dat je van haar problemen kunt verwachten. Sevanna vindt het heerlijk problemen te veroorzaken. Het doet er niet toe. Als de Shaidostam je niet wil volgen, betekent dat amper verlies.’
‘Ik ben van plan naar Alcair Dal te gaan,’ zei Rhand vastbesloten. ‘Nu. Ik zal me verontschuldigen bij ieder stamhoofd dat zich onteerd voelt door zijn late aankomst, maar ik kan niet toestaan dat Couladin daar ver voor mij aankomt. Hij zal zijn gestook niet tot Sevanna beperken, Rhuarc. Ik kan het me niet veroorloven hem een maand voorsprong te gunnen.’
Even later zei Rhuarc: ‘Misschien heb je gelijk. Jij brengt veranderingen, Rhand Altor. Bij zonsopgang dan. Ik zal tien Roodschilden voor mijn eer uitzoeken en de Maagden van de Speer zullen die van jou verschaffen.’
‘Ik vertrek zodra het eerste licht de hemel kleurt, Rhuarc. Met iedere hand die een speer kan dragen of een boog kan afschieten.’
‘De gewoonte...’
‘Er bestaan geen gewoonten die mij binden, Rhuarc.’ Je had rots kunnen vergruizelen met Rhands stem, of een beker wijn kunnen laten bevriezen. ik moet nieuwe gewoonten scheppen.’ Hij lachte rauw. Aviendha keek geschokt en zelfs Rhuarc knipperde verrast met zijn ogen. Alleen Moiraine leek niet beïnvloed, gezien haar peilende ogen. iemand kan het maar beter aan de kramers zeggen,’ ging Rhand door. ‘Ze zullen de vrijmarkt niet willen missen, maar als ze die kerels die het op een drinken hebben gezet, niet laten ophouden, dan zullen ze te dronken zijn om te rijden. Wat doe jij, Mart? Ga je mee?’ Hij was zeker niet van plan de kramers te laten schieten, zijn enige kans om uit de Woestenij weg te komen. ‘O, ik volg je op de voet, Rhand.’ Het ergste was nog dat die woorden juist aanvoelden. Die bloedta’veren ook die aan me trekt! Hoe was Perijn losgekomen? Licht, ik wou dat ik nu bij hem was.
Hij legde de speer tegen zijn schouder en schreed weg, de rotsvallei in. Er was gelukkig nog wat tijd om te slapen. Achter zich hoorde hij Rhand grinniken.
51
Onthullingen in Tanchico
Elayne zat onhandig te knoeien met twee dunne rood gelakte stokjes die ze tussen haar vingers probeerde te klemmen. Sursa, prentte ze zich in, geen stokjes maar sursa. Toch een stomme manier van eten, hoe ze ook heetten.
Tegenover haar in het Vertrek van de Vallende Bloesems keek Egeanin woest naar haar eigen sursa, een in elke hand, rechtop alsof het echte stokjes waren. Nynaeve hield die van haar mooi in een hand, zoals Rendra het had voorgedaan, maar tot nog toe had ze alleen een reepje vlees en enkele kleine pepers in haar mond weten te krijgen; haar ogen stonden strak en verbeten. Er stond een heel stel witte kommetjes op de tafel, elk gevuld met plakjes of fijngesneden vlees en groenten, sommige in donkere of bleke sausjes. Elayne dacht dat deze maaltijd gemakkelijk de rest van de dag kon duren. Ze gaf de honingblonde herbergierster een dankbare glimlach toen de vrouw zich naar haar toe boog om de stokjes op de juiste manier in haar hand te leggen. ‘Jullie land is in oorlog met Arad Doman,’ zei Egeanin; ze klonk bijna boos. ‘Waarom dienen jullie dan gerechten van je vijanden op?’ Rendra haalde haar schouders op en trok een pruilmondje achter haar sluier. Vandaag droeg ze het lichtst mogelijke rood en kralen van dezelfde kleur die in dunne vlechtjes waren geknoopt en die zacht klikten als ze haar hoofd bewoog. ‘Dat is nu in zwang. Vier dagen geleden is de Tuin der Zilveren Zuchten ermee begonnen en nu vraagt bijna iedere gast naar Domani-gerechten. Het komt denk ik doordat we de Domani misschien niet kunnen verslaan, maar in ieder geval hun voedsel kunnen veroveren. Misschien eten ze in Bandar Eban lam met honingsaus en suikerappeltjes, nietwaar? Over vier dagen kan het weer wat anders zijn. De voorkeuren veranderen tegenwoordig snel en als iemand de massa weer opzweept tegen die...’ Weer trok ze haar schouders op.
‘Denk je dat er nóg meer rellen komen?’ vroeg Elayne. ‘Over het soort eten in herbergen?’
‘De straten zijn onrustig,’ zei Rendra en ze spreidde haar handen gelaten uit. ‘Niemand weet wat de vlam weer in de pan jaagt. Het oproer eergisteren ontstond door een gerucht dat Maracru zich voor de Herrezen Draak had uitgesproken, of misschien in handen van de aanhangers van de Draak was gevallen – de manier waarop lijkt weinig uit te maken – maar keert de massa zich tegen de mensen van Maracru? Nee, ze trekken plunderend door de straten, sleuren mensen uit hun koets en branden de Grote Zaal van de Burgerkamer plat. Misschien komt er een bericht dat het leger een veldslag heeft gewonnen – of er een heeft verloren – en dan trekt de massa op tegen de mensen die Domani-voedsel op tafel zetten. Of ze steken misschien de pakhuizen op Calpene in brand. Wie zal het zeggen?’
‘Er bestaat geen orde,’ mompelde Egeanin, die haar sursa ferm tussen de vingers van haar rechterhand stak. Aan haar gezicht te zien hadden het dolken kunnen zijn die ze in de kommetjes wilde steken. Nynaeve liet een stukje vlees van haar sursa vallen, net toen ze dat in haar mond wilde steken en mopperend greep ze het van haar schoot en depte haar roomzijden gewaad met een tafeldoekje.
‘Ach ja, orde,’ lachte Rendra. ik weet nog wat dat is. Misschien keert het op een dag weer terug, nietwaar? Sommigen dachten dat panarch Amathera de burgerwacht weer zijn plicht zou laten doen, maar als ik haar was, met de herinnering aan het gepeupel dat mijn inhuldiging verstoorde... De Kinderen van het Licht hebben vele relschoppers gedood. Misschien betekent dat het einde van de opstootjes, maar wellicht is de volgende rel wel tweemaal of tienmaal zo erg. Ik denk dat ik de wacht en de Kinderen ook vlak bij me zou houden. Maar dit is geen goed gesprek voor aan tafel.’ Ze keek onderzoekend naar de tafel, knikte goedkeurend en de kralen in de vlechtjes klikten weer. Toen ze naar de deur wilde gaan, bleef ze met een glimlachje staan. ‘Het is de gewoonte Domani-voedsel met de sursa te eten en natuurlijk past iedereen zich daaraan aan. Maar... behalve jullie is er verder niemand, nietwaar? Als jullie misschien een lepel of vork wensen, die liggen onder de tafeldoekjes.’ Ze knikte even naar het dienblad op de hoek van de tafel. ‘Smakelijk eten.’