Выбрать главу

‘Zwijg, Seanchaanse!’ Nynaeve sloeg haar armen ferm over elkaar. Ze leek het geruk aan haar vlecht te hebben opgegeven als ze kwaad was. ‘Ga zitten en... wees... stil.’

Het was ergerlijk daar te wachten, naar de pruimenbomen en vallende bloemen te staren die op de muren waren geschilderd, door de kamer te ijsberen of naar Nynaeves geloop te kijken, terwijl Thom, Juilin en Domon feitelijk het werk opknapten. Maar wat Elayne nog meer ergerde, was na lang wachten een van de mannen te zien terugkomen die dan doorgaf dat er weer een spoor op niets was uitgelopen, dat er weer een draadje was geknapt, en vervolgens aanhoorde wat de anderen te weten waren gekomen, waarna hij zich weer weghaastte. De eerste keer dat Thom terugkeerde – met een tweede blauwe plek op zijn andere wang – zei Elayne: ‘Zou je niet beter hier kunnen blijven, Thom, waar je de verslagen van Juilin en baas Domon kunt horen? Jij kunt alles beter inschatten dan ik of Nynaeve.’ Hij schudde zijn dwaze witte warhoofd, terwijl Nynaeve zo luid snoof dar het in de gang te horen moest zijn. ‘Ik heb een aanwijzing over een huis op Verana, waar Amathera vermoedelijk heen sloop voor ze tot panarch werd verheven...’ En hij was weer weg voor er een woord aan toegevoegd kon worden.

Toen hij de tweede keer terugkwam, duidelijk nog erger hinkend, om door te geven dat daar de vroegere kinderverzorgster van Amathera woonde, zei Elayne zo gebiedend mogelijk: ‘Thom, ik wil dat je gaat zitten. Jij blijft hier. Ik wil niet dat je gewond raakt.’

‘Gewond?’ zei hij. ‘Kind, ik heb me nog nooit zo goed gevoeld. Zeg tegen Juilin en Baile dat er waarschijnlijk ergens in de stad een vrouw woont die Cerindra heet en allerlei kwalijke geheimpjes over Amathera weet.’ En weg was hij weer, hinkend, terwijl zijn mantel achter hem aan wapperde. Daarin zat weer een nieuwe scheur. Koppige, koppige, stomme oude man.

Eenmaal drong er een luid tumult door de dikke muren heen, woest geschreeuw en geroep van de straat. Rendra kwam bedrijvig binnen, net toen Elayne had besloten om zelf te gaan kijken. ‘Wat kleine probleempjes buiten. Maak je niet ongerust. Baile Domons mannen houden het wel in bedwang, ik wil niet dat jullie je zorgen maken.’

‘Een opstootje? Hier?’ zei Nynaeve scherp. De wijk rond de herberg was een van de weinige rustige plaatsen in de stad geweest. ‘Maak je niet ongerust,’ zei Rendra kalmerend. ‘Misschien willen ze voedsel. Ik zal ze zeggen waar de gaarkeuken van Baile Domon is en dan gaan ze wel weer weg.’

Het lawaai stierf na een poosje weg en Rendra liet wat wijn brengen. Pas toen de bediende met een mokkend gezicht verdween, besefte Elayne dat het de jongeman met de mooie bruine ogen was. De man gedroeg zich hoe langer hoe meer of hun kille blikken glimlachjes waren. Dacht die stommeling echt dat hij daardoor zou opvallen? Wachten en ijsberen, ijsberen en wachten. Cerindra bleek een vrouw van Amathera’s gevolg te zijn die was weggestuurd wegens diefstal en vol gevoelens van wrok in de kerker was beland. Zij zou elke beschuldiging tegen Amathera onderschrijven. Een kerel die beweerde dat Amathera een Aes Sedai was en een Duistervriend, beweerde ook dat dezelfde papieren bewezen dat koning Andric de Herrezen Draak was. De groep vrouwen die Amathera in het geheim placht te ontmoeten, waren vriendinnen die een hekel aan Andric hadden, en de schokkende ontdekking dat ze verschillende smokkelschepen bezat, hielp ook niet veel. Afgezien van de koning had iedere heer of vrouwe wel een vinger in de smokkelpap. En elk spoor liep zo op niets uit. Het ergste wat Thom ontdekte was dat Amathera twee knappe jonge heren ervan had overtuigd dat beiden de ware liefde in haar leven waren en Andric slechts een middel om haar doel te bereiken. Ze had diverse ontvangsten gehouden in het Panarchenpaleis, waarbij ze zowel alleen was als in gezelschap van verschillende vrouwen die Liandrin of anderen van de lijst bleken te zijn. Volgens hetzelfde verslag vroeg zij telkens hun raad en nam ze die over. Bondgenote of gevangene?

Toen Juilin vrij laat in de avond terugkeerde, terwijl hij zijn duimdikke staf van ribbelhout ronddraaide en wat mompelde over een witharige vent die had geprobeerd hem te beroven, zaten Thom en Domon al moedeloos in elkaar gezakt bij Egeanin aan de tafel. ‘Dit wordt een tweede Falme,’ gromde Domon naar niemand in het bijzonder. De dikke knuppel die hij ergens had opgedoken, lag voor hem en hij droeg nu een kort zwaard aan zijn riem. ‘Aes Sedai. De Zwarte Ajah. Gekonkel met de panarch. Als we morgen niets vinden, ben ik van plan uit te zeilen. En anders zeker de dag erna, al vraagt mijn eigen zus of ik wil blijven.’

‘Morgen,’ zei Thom vermoeid, de ellebogen op tafel en de kin op zijn vuisten. ‘Ik ben te moe om nog zinnig te kunnen denken. Ik merkte dat ik op een gegeven moment stond te luisteren naar de wasman van het Panarchenpaleis, die beweerde dat hij Amathera smerige liedjes heeft horen zingen. Het soort dat je in de meest duistere kroegen aan de haven hoort. En ik nam tijd om te luisteren!’

‘Wat mij betreft,’ zei Juilin, die zijn stoel omdraaide en zich er schrijlings op liet zakken. ‘Ik ben van plan vannacht verder te zoeken. Ik heb een dakdekker gevonden die zegt dat hij een vrouw kent die ook tot het gevolg van Amathera behoorde. Volgens hem heeft Amathera zonder pardon alle vrouwen uit haar gevolg weggestuurd, op dezelfde avond dat ze tot panarch werd verheven. Hij zal me voor een praatje naar haar toe brengen, als hij klaar is met een van zijn eigen klusjes aan een koopmanshuis.’

Nynaeve ging met haar vuisten op de heup aan het hoofd van de tafel staan. ‘Jij gaat vanavond nergens meer heen, Juilin. Jullie drieën houden om beurten de wacht voor onze deur.’ De mannen protesteerden natuurlijk luidkeels, allemaal tegelijk.

‘Ik moet om mijn eigen handel denken en als ik overdag al voor jou overal vragen moet stellen...’

‘Vrouw Almaeren, deze vrouw is de eerste die ik heb gevonden die Amathera nadat zij is verheven in levenden lijve heeft gezien...’

‘Nynaeve, ik zal morgen nauwelijks in staat zijn enig gerucht te horen en nog minder iets op kunnen sporen als ik de hele nacht zit...’ Ze liet hen uitsputteren tot ze zwegen. Toen het gemopper afzwakte, duidelijk met de gedachte dat ze haar hadden overtuigd, zei ze: ‘Aangezien we geen enkele andere plek hebben om de Seanchaanse op te sluiten, zal ze bij ons moeten slapen. Elayne, wil jij Rendra vragen of ze een bed op wil maken? Op de vloer is best.’ Egeanin keek haar even aan maar zei niets.

De mannen waren keurig in de hoek gedreven. Ze konden ofwel domweg weigeren en daarmee openlijk hun belofte breken om naar Nynaeve te luisteren, ofwel doorpraten, waardoor het zou lijken of ze zeurden. Ze keken laaiend, sputterden wat tegen... en berustten. Rendra was duidelijk verrast dat ze slechts één strozak vroegen, maar slikte het verhaaltje dat Egeanin bang was in het donker over straat te gaan. Ze keek alleen misnoegd toen Thom in de gang voor de deur op de grond ging zitten. ‘Die kerels zijn echt niet binnengedrongen, al hebben ze het geprobeerd. Ik heb jullie toch gezegd dat de gaarkeuken hen wel weg zou trekken, ja? Gasten in de Driepruimenhof hebben geen lijfwacht voor hun kamers nodig.’

‘O, dat weet ik ook wel,’ zei Elayne tegen haar, terwijl ze haar zachtjes naar buiten probeerde te duwen. ‘Het is enkel dat Thom en de anderen zich zo bezorgd maken. Je weet hoe mannen zijn.’ Thom keek haar onder zijn dikke witte wenkbrauwen als een havik aan, maar Rendra snoof en beaamde dat ze dat inderdaad wist en liet Elayne de deur sluiten.

Nynaeve wendde zich onmiddellijk tot Egeanin, die net de strozak aan de andere kant van het bed neerlegde. ‘Kleed je uit, Seanchaanse. Ik wil er zeker van zijn dat je nergens een mes verborgen hebt.’ Egeanin ging kalm staan en kleedde zich tot op haar onderkleren uit. Nynaeve doorzocht haar kleren grondig en stond er toen op Egeanin zelf te onderzoeken, wat ze allesbehalve zachtzinnig deed. Dat ze niets vond leek haar niet te kalmeren.

‘Handen op je rug, Seanchaanse. Elayne, bind haar vast.’