Выбрать главу

Verderop in de gang stapte Torean opeens uit een zijgang naar voren en greep Berelains arm vast. Hij praatte hard en snel, maar Perijn kon er niet meer dan enkele woorden van opvangen, iets dat ze met haar trots over de schreef ging en nog iets wat leek of Torean haar zijn bescherming aanbood. Haar antwoord was kort, scherp en zelfs nog slechter te verstaan, uitgesproken met een hoog opgetrokken kin. De Eerste van Mayene trok zich ruw los en liep met een rechte rug weg, zich blijkbaar weer beter beheersend. Torean wilde haar bijna achternagaan, maar zag toen Perijn kijken. Zijn neus deppend met een zakdoek verdween de hoogheer weer in de zijgang. ‘Het interesseert me niets of ze naar Glorie van de Dageraad rook,’ zei Faile donker. ‘Die daar wil helemaal niet op een beer jagen, hoe mooi zijn vel ook zou staan als die op een raam gespannen aan de wand hing. Ze jaagt op de zon.’

Hij keek haar fronsend aan. ‘De zon? Een beer? Waar heb je het over?’

‘Ga jij maar, ik denk eigenlijk dat ik naar bed wil.’

‘Tja, als je dat wilt,’ zei hij langzaam, ‘maar ik dacht dat je net zo graag als ik wilde weten wat er aan de hand was.’

‘Nee, ik denk het niet. Ik zal niet doen of ik graag de... Rhand wil ontmoeten. Niet nadat ik hem tot nog toe heb ontweken. En nu heb ik er nog minder zin in. Ongetwijfeld zullen jullie twee fijn kunnen praten als ik er niet bij ben. Nog beter met een beker wijn.’ ik snap totaal niets van je,’ mompelde hij terwijl hij met z’n hand door z’n haren streek. ‘Als je naar bed wilt, fijn, maar ik zou het wel leuk vinden als je eens iets zei wat ik begreep.’

Ze bleef hem lang recht aankijken en beet toen opeens in haar onderlip. Hij dacht dat ze probeerde niet te gaan lachen. ‘O, Perijn, soms geloof ik dat ik het meest van jouw onschuld geniet.’ Inderdaad klonk er een spoor van een tinkelende lach in haar woorden door. ‘Ga jij maar... naar je vriend en vertel het me morgenochtend maar. Wat je maar kwijt wilt.’ Ze trok zijn hoofd naar voren om een kus op zijn lippen te drukken en liep toen even snel als haar kus weg.

Hoofdschuddend keek hij haar na tot ze de trap af ging. Torean liet zich niet zien. Het leek soms net of ze een andere taal sprak. Hij liep verder naar de lampen.

De wachtkamer was een rond vertrek van ruim vijftig pas breed. Honderden vergulde lampen hingen aan gouden kettingen aan het hoge plafond. Glimmende roodstenen pilaren vormden een kring in het midden en de vloer leek te zijn gemaakt van een reusachtig stuk zwart marmer met strepen goud erin. Het was het voorvertrek geweest van de vleugel van de koning, uit de dagen dat er nog koningen in Tyr waren, voor Artur Haviksvleugel de wereld van de Rug tot de Arythische Oceaan onder één kroon verenigde. De Tyreense koningen waren na de ineenstorting van Haviksvleugels rijk niet teruggekeerd en duizend jaar lang waren de enige bewoners muizen geweest, die hun sporen in het stof achterlieten. Geen enkele hoogheer had ooit zoveel macht gehad dat hij deze ruimte voor zich had durven opeisen. Een kring van vijftig Verdedigers stond stijf midden in de kamer, met glimmende borstplaten en kamhelmen, al hun speren vertoonden precies dezelfde hoek. Ze keken door hun opstelling alle kanten uit en werden zo geacht de huidige heer van de Steen tegen elke indringer te beschermen. Hun commandant, een kapitein, aan de twee korte witte pluimen op zijn helm te zien, stond maar een heel klein beetje minder stijf. Hij stond wijdbeens met een hand op zijn zwaardgevest en de ander op zijn heup, zijn eigen belangrijke taak te wezen. Ze roken allemaal bevreesd en onzeker, als mannen die onder een scheurende bergwand wonen en zich er bijna van hebben overtuigd dat die nooit zou neerstorten. Tenminste deze nacht nog niet. Tenminste de komende uren nog niet.

Perijn stapte ze voorbij en het geklak van zijn hakken kaatste heen en weer. De kapitein wilde op hem af gaan, maar aarzelde toen Perijn niet bleef staan om aangeroepen te worden. Hij wist natuurlijk wie Perijn was, nou ja, hij wist evenveel als de andere Tyreners. De reisgezel van de Aes Sedai, de vriend van de Drakenheer. Geen man die een eenvoudige officier van de Verdedigers van de Steen iets in de weg moest leggen. Natuurlijk was hem duidelijk de taak toegewezen de rust van de Drakenheer te verzekeren, maar hoewel hij dat niet toegaf, zelfs niet aan zichzelf, besefte de officier terdege dat hij en de kring van glimmende borstkurassen een dappere vertoning waren en niet meer. De echte lijfwachten waren degenen die Perijn tegenkwam toen hij tussen de pilaren doorbeende en de deuren van Rhands vertrekken naderde.

Ze hadden zo doodstil achter de pilaren gezeten dat ze in de steen leken op te gaan, hoewel hun grijs en bruin getinte jassen en broeken gemaakt waren voor de schutkleuren van de Woestenij. Hij kon ze pas goed zien toen ze bewogen. Zes Speervrouwen, Aielvrouwen die het leven van de krijg hadden verkozen boven dat van de eigen haard, stelden zich tussen hem en de deur op. Ze droegen zachte veterlaarzen die tot de knieën reikten. Voor vrouwen waren ze lang, de langste was net een hand kleiner dan hij, door de zon gebruind, met stoppelhaar, blond of rood of iets ertussenin. Twee hadden reeds een pijl aangelegd op hun gekromde hoornboog, maar hadden nog niet getrokken. De anderen droegen kleine, van huiden gemaakte schilden en ieder had drie of vier korte speren – kort, maar met punten die lang genoeg waren om dwars door een man heen te steken en dan nog een hand over te houden.

‘Ik denk niet dat ik je binnen mag laten,’ zei een roodharige vrouw met een kleine glimlach om elke stekeligheid uit haar woorden te bannen. Aiel stonden er niet om bekend dat ze zoveel als andere volken glimlachten, maar wat dat aanging, toonden ze uiterlijk eigenlijk heel weinig hun gevoelens. ‘Ik denk niet dat hij vanavond iemand wil ontvangen.’

‘Ik ga naar binnen, Bain.’ Haar speren negerend pakte hij haar bij de bovenarm beet. Toen was het echter niet langer mogelijk de speren te negeren, aangezien het haar lukte een speerpunt hard tegen de zijkant van zijn nek te drukken. En opeens hield Chiad haar speer tegen de andere kant van zijn nek, alsof de twee de bedoeling hadden elkaar ergens in het midden te ontmoeten. De andere vrouwen keken slechts toe, vol vertrouwen dat Bain en Chiad het noodzakelijke af konden handelen. Toch deed hij zijn best. ‘Ik heb geen tijd om met jullie te bekvechten. Niet dat jullie voor zover ik me herinner naar de argumenten van een ander luisteren, maar ik ga naar binnen.’ Zo voorzichtig mogelijk tilde hij Bain op en zette haar opzij. Een zuchtje zou al voldoende zijn om Chiads speer hem te laten verwonden, maar nadat Bains donkerblauwe ogen zich verbluft hadden opengesperd, trok ze haar speer opeens terug en grijnsde. ‘Zou je de Maagdenkus niet willen leren, Perijn? Ik denk dat je daarin een goede speler zult zijn. Je zult er op z’n minst iets van opsteken.’ Een van de anderen lachte hardop. Chiads speerpunt week terug. Hij haalde diep adem en hoopte dat ze niet zouden merken dat hij nu pas voor het eerst na de speerpunten in zijn nek adem durfde te halen. Ze hadden hun gezichten niet versluierd – hun sjoefa lag opgerold als een donkere sjaal rond hun nek – maar hij wist niet of de Aiel de sjoefa omsloegen voor ze gingen doden of dat de sluier slechts betekende dat ze er klaar voor waren.

‘Graag een andere keer,’ zei hij beleefd. Ze stonden allemaal te grijnzen alsof Bain iets leuks had gezegd en alsof zijn onbegrip een deel van de grap uitmaakte. Thom had gelijk. Een man zou gek worden als hij vrouwen probeerde te begrijpen, van welke natie en in welke fase van zijn leven dan ook, dat was wat Thom zei.

Toen hij zijn hand uitstak naar de gouden deurknop in de vorm van een brullende leeuw, voegde Bain eraan toe: ‘Op jou en jouw hoofd kome je bloed. Hij heeft al verjaagd wat de meeste mannen als veel aangenamer gezelschap zouden beschouwen dan het jouwe.’ Natuurlijk, dacht hij de deur opentrekkend. Berelain. Ze kwam bier vandaan. Vannacht draait alles rond...

Na zijn eerste blik in de kamer verdween de Eerste van Mayene pijlsnel uit zijn gedachten. Aan de muren hingen gebroken spiegels en de vloer was bezaaid met gebroken glas, scherven verbrijzeld porselein en ganzenveren uit de opengehakte matras. Open boeken lagen wanordelijk tussen omgevallen stoelen en banken. Rhand zat op het voeteneind van zijn bed, met gesloten ogen half tegen een beddenpost gezakt en liet zijn handen rusten op Callandor, die op zijn knieën lag. Hij zag eruit of hij een bad van bloed had genomen.