Выбрать главу

Onder die ijzeren ogen gaf Egwene mokkend toe en de twee Wijzen keken elkaar aan. Ten slotte trok Bair haar schouders op en sloeg haar sjaal voor het gezicht. Ze wilde duidelijk haar handen van de kwestie aftrekken.

‘Het is gevaarlijk,’ zei Amys. Het klonk bij haar net alsof ademen in Tel’aran’rhiod gevaarlijk was.

‘Ik...!’ Nynaeve verbeet haar woorden toen Amys’ ogen nog harder werden, wat ze voor onmogelijk had gehouden. Terwijl ze een stevig beeld van haar huidige kleren in gedachten hield – zij hadden er natuurlijk niets mee te maken; het leek gewoon verstandig om ervoor te zorgen dat ze dezelfde kleren hield – veranderde ze haar woorden in: ik zal voorzichtig zijn.’

‘Het is niet mogelijk,’ vertelde Amys haar ronduit, ‘maar ik weet geen andere manier. Nood is de sleutel. Als er te veel mensen in de veste wonen, moet de sibbe zich splitsen, en dan ontstaat de noodzaak van water in de nieuwe veste. Als er geen plek met water bekend is, kan een van ons erbij worden geroepen om een bron te vinden. Dan is de sleutel de noodzaak om een vallei of ravijn met water te vinden, niet te ver van de eerste af. Door je gedachten helemaal te richten op die noodzaak kom je in de buurt van wat je wilt. Als je je nogmaals richt op je nood, kom je er nog dichterbij. Iedere stap brengt je dichterbij, totdat je op het laatst niet alleen in het juiste dal staat, maar nog wel naast de plek waar het water gevonden kan worden. Voor jou zal het veel moeilijker zijn, omdat je niet precies weet wat je zoekt, hoewel die grote nood dat weer goed kan maken. En je weet al ruwweg waar het zich in dat paleis bevindt.’

‘Luister naar het gevaar en laat dat goed tot je doordringen.’ De Wijze boog zich naar haar toe en sprak haar toe op een toon die even scherp was als haar blik. iedere stap wordt blind gezet, met gesloten ogen. Je kunt niet weten waar je terechtkomt, tot je je ogen opent. En het vinden van water helpt niet veel als je midden in een slangenkuil staat. De giftanden van de bergkoning doden in een droom net zo snel als wanneer je wakker bent. Ik denk dat die vrouwen over wie Egwene het heeft, even snel doden als een slang.’

‘Dat heb ik gedaan,’ riep Egwene uit. Nynaeve voelde hoe ze recht veerde toen de ogen van de Aielvrouwen zich op haar richtten. ‘Voor ik jullie ontmoette,’ zei ze snel. ‘Voor we naar Tyr kwamen.’ Nood. Nynaeve voelde zich wat zachter gestemd jegens de vrouwen, nu een van hen iets nuttigs had verteld. ‘Wilt u goed op Egwene passen?’ zei ze en omhelsde de jongere vrouw om aan te geven dat ze het lief bedoelde. ‘Je hebt gelijk, Bair. Ze zal trachten meer te doen dan ze aankan. Zo is ze altijd geweest.’ Om de een of andere reden trok Bair haar witte wenkbrauw heel hoog op tegen haar. ‘Dat vind ik niet,’ zei Amys droog. ‘Ze is momenteel heel gewillig in haar lessen. Is dat niet zo, Egwene?’

Egwenes mond vormde een koppige streep. Deze Wijzen kenden haar niet erg goed, als ze meenden dat een vrouw uit Tweewater zichzelf ‘gewillig’ liet noemen. Egwene zei er echter niets van. Dat had Nynaeve niet verwacht. Deze Aielvrouwen leken een even hard stel als Aes Sedai.

Haar tijd in Tel’aran’rhiod liep af en ze brandde van ongeduld om deze manier te proberen. Als Elayne haar wakker maakte, zou het wellicht heel lang duren voor ze weer in slaap viel. ‘Over zeven dagen,’ zei ze, ‘zal een van ons jou hier weer ontmoeten.’ Egwene knikte. ‘Over zeven dagen zal Rhand zich aan de stamhoofden hebben getoond als Hij die komt met de dageraad en zullen de Aiel hem volgen.’ De ogen van de Wijzen bewogen even en Amys schikte haar sjaal goed, maar Egwene zag dat niet. ‘Het Licht mag weten wat hij dan van plan is.’

‘Over zeven dagen zullen Elayne en ik in handen hebben waar Liandrin op jaagt.’ En anders zou de Zwarte Ajah het hoogstwaarschijnlijk hebben. Dus de Wijzen waren net zo onzeker over de vraag of de Aiel hem zouden volgen als Egwene over Rhands plannen. Nergens enige zekerheid. Maar het had ook geen zin Egwene te belasten met nog meer twijfels. ‘Wanneer Elayne – of ik – jou de volgende keer spreekt, hebben we ze allemaal te pakken en in een zak gestopt om ze naar de Witte Toren terug te voeren.’

‘Probeer voorzichtig te zijn, Nynaeve. Ik weet dat je dat niet kunt, maar probeer het in ieder geval. Zeg ook tegen Elayne dat ik dat heb gezegd. Ze is niet zo... stoutmoedig als jij, maar soms bijna even erg...’ Amys en Bair legden beiden een hand op Egwenes schouder en ze waren verdwenen.

Proberen voorzichtig te zijn? Dwaas meisje. Ze was altijd voorzichtig. Wat had Egwene eigenlijk willen zeggen in plaats van stoutmoedig? Nynaeve sloeg haar armen stevig over elkaar om niet aan haar vlecht te trekken. Misschien maar beter dat ze het niet wist. Ze besefte dat ze Egwene niets over Egeanin had verteld. Misschien was het ook maar beter om Egwenes herinneringen aan haar gevangenschap niet op te wekken. Nynaeve herinnerde zich maar al te goed dat het meisje nog weken na haar bevrijding nachtmerries had gehad en wakker was geschrokken, gillend dat ze niet beteugeld wilde worden. Het was veel beter dat te laten rusten. Het was bovendien ook onwaarschijnlijk dat Egwene die Seanchaanse ooit zou ontmoeten. Die bloedvrouw! Ze mocht tot as verbranden! Bloedvuur! Tijd. Ik gebruik mijn tijd niet verstandig,’ zei ze hardop. De woorden kaatsten heen en weer tussen de hoge zuilen. Nu de andere vrouwen weg waren, leek de Steen nog dreigender dan eerst, nog meer een schuilplaats van gluurders en dingen die op je af konden springen. De hoogste tijd hier weg te gaan.

Maar eerst veranderde ze haar haren in een bundel lange dunne vlechtjes en haar kleren in strakke plooien van donkergroene zijde. Een doorzichtige sluier bedekte haar mond en neus en wapperde licht als ze uitademde. Met een grimas voegde ze er kralen van groene jade aan toe die in de dunne vlechtjes waren gevlochten. Als een Zwarte zuster hun gestolen ter’angreaal zou gebruiken om de Wereld der Dromen binnen te komen en haar in het Panarchenpaleis zou zien, dan zou die misschien denken dat ze slechts een Taraboonse was die zich er op de meer gebruikelijke manier in had gedroomd. Sommigen wisten echter hoe zij eruitzag. Ze tilde een handvol vlechtjes met kralen op en glimlachte. Licht honingkleurig. Ze had niet beseft dat dat mogelijk was. Ik vraag me af hoe ik eruitzie. Zullen ze me nu herkennen? Opeens stond er een levensgrote spiegel naast Callandor. In het glas sperden haar grote bruine ogen zich geschokt wagenwijd open en haar rozenknopmond viel open. Ze had het gezicht van Rendra! Haar gelaatstrekken flikkerden heen en weer, ogen en haren wisselden van licht naar donker; met moeite vormde ze het gezicht van de herbergierster. Nu zou niemand haar kennen. En Egwene maar denken dat ze niet wist hoe ze voorzichtig moest zijn.

Ze sloot de ogen en richtte haar gedachten op Tanchico, op het Panarchenpaleis, op nood. Iets gevaarlijks voor Rhand, voor de Herrezen Draak, nood... Rond haar verschoof Tel’aran’rhiod; ze voelde het, een glijdende sprong, en ze opende gretig haar ogen om te zien waar ze was terechtgekomen.

Het was een slaapvertrek, even groot als zes kamers in de Driepruimenhof; de witgepleisterde wanden waren bewerkt met geschilderde friezen en aan het plafond hingen gouden lampen aan vergulde kettingen. De hoge beddenposten met prachtig houtsnijwerk waaierden als takken en bladeren uit tot een hemel boven het bed. Een nog vrij jonge vrouw stond stijf met haar rug tegen een van de posten aan het voeteneind. Ze zag er eigenlijk heel lief uit, met net zo’n pruilmondje als Nynaeve. Boven haar donkere vlechten prijkte een kroon van gouden drievoudige bladeren met robijnen, parels en een maansteen die groter was dan een ganzenei. Om haar nek hing een brede stola die tot haar knieën reikte en van boven tot onder met bomen was geborduurd. Afgezien van de kroon en stola droeg ze niets anders, maar ze zat van top tot teen onder het zweet.

Haar bevende ogen waren strak op de vrouw gericht die het zich op een lage ligbank gemakkelijk had gemaakt. De rug van die andere vrouw was naar Nynaeve gekeerd en even nevelig als Egwene eerder was geweest. Ze was klein en slank, de donkere haren vielen losjes op haar schouder en ze droeg een lichtgele ruimvallende rok die duidelijk niet Taraboons was. Nynaeve hoefde haar gezicht niet te zien om te weten dat het op een vossenkop met grote blauwe ogen leek. Evenmin hoefde ze de stromen van Lucht te zien die de vrouw aan de beddenpost vasthielden, om te weten dat ze naar Temaile Kinderode keek. ‘... zoveel leren wanneer je dromen gebruikt en de nacht niet verknoeit met slapen,’ zei Temaile lachend met een Cairhiense tongval. ‘Vind je het niet leuk? Wat zal ik je hierna gaan leren? Ik weet het. Het meisje in de haven. Ze bewoog vermanend haar opgestoken vinger heen en weer. ‘Zorg ervoor, Amathera, dat je alle woorden goed leert. Je weet dat ik je liever niet... Waar sta jij naar te gapen?’ Opeens besefte Nynaeve dat de vrouw tegen de beddenpost – Amathera? De panarch? – haar recht stond aan te kijken. Temaile bewoog zich langzaam, alsof ze om wilde kijken. Nynaeve perste haar ogen dicht. Nood. Overgang.