Nynaeve liet zich tegen de dunne pilaar aanzakken en hijgde alsof ze twintig span had gehold. Ze vroeg zich niet eens af waar ze beland was. Haar hart bonsde als een woeste trommel. Terechtkomen in een kuil met gifslangen. Temaile Kinderode. De Zwarte zuster van wie Amico had gezegd dat ze genoot van pijn bij anderen, er zo van genoot dat een andere Zwarte zuster er iets van had gezegd. En zij had in dezelfde kamer gestaan terwijl ze geen vonkje kon geleiden. Als het slecht was afgelopen, had zij als versiering naast Amathera aan de beddenpost gestaan. Licht! Ze huiverde toen ze het zich voorstelde. Kalmeer, vrouw. Je bent ontsnapt, en zelfs als Temaile je zag, heeft ze een vrouw met lichtblonde haren gezien die verdween, een Taraboonse die zich heel even in Tel’aran’rhiod had gedroomd. En ze was er zo kort geweest dat Temaile nooit had kunnen voelen dat ze kon geleiden. Ook al kon Nynaeve het nu niet, de kunde kon door iedere andere geleidster wel gevoeld worden. Maar heel kort. Als ze geluk had, niet lang genoeg.
Ze wist nu tenminste hoe het met Amathera was. De vrouw was zeker geen bondgenote van Temaile. Deze manier van zoeken was al nuttig gebleken. Maar nog niet genoeg. Ze keek rond, terwijl ze zo rustig mogelijk probeerde adem te halen.
Over de gehele lengte en breedte van een enorme zaal, die bijna vierkant was, rezen smalle witte pilaren in lange rijen op van gladde witte vloertegels naar vergulde rozetten in het hoge plafond. Een dik zijden koord liep door het hele vertrek langs donker gewreven houten paaltjes die tot haar middel reikten, behalve waar het koord de toegangen onder de dubbele spitsbogen zou hebben afgesloten. Langs de muren stonden planken en open kasten en de geraamten van merkwaardige dieren, met nog meer uitstallingskasten midden in de zaal, ook met touw afgeschermd. Volgens Egwenes beschrijving de voornaamste tentoonstellingszaal van het paleis. Wat zij zocht, moest zich in dit vertrek bevinden. Haar volgende stap zou minder blind zijn dan de eerste twee, want hier bevonden zich zeker geen gifslangen en Temailes.
Opeens verscheen een knappe vrouw naast een glazen kast op vier fraai gesneden poten die midden in het vertrek stond. Het was geen Taraboonse, aan haar donkere haren te zien, die in golven tot haar schouders reikten, maar dat was niet de reden waarom Nynaeve met open mond stond te kijken. De kleding van de vrouw leek van nevels te zijn gemaakt, soms zilverig doorschijnend, soms grijs, en zo dun dat haar lichaam duidelijk te zien was. Waar ze zich ook vandaan had gedroomd, ze bezat zeker een uitbundige verbeelding om zoiets te ontwerpen! Zelfs de beruchte gewaden van de Domani, waarvan ze had gehoord, konden dit niet benaderen.
De vrouw glimlachte naar een glazen kast, liep toen verder de zaal in en bleef aan de andere kant staan kijken naar iets wat Nynaeve niet goed zag, iets donkers boven op een stenen voetstuk. Fronsend liet Nynaeve een vuist vol blonde vlechten los. De vrouw kon elk moment verdwijnen. Er waren er maar weinig die zich lange tijd in Tel’aran’rhiod konden dromen. Natuurlijk deed het er niet toe of de vrouw haar zag. Ze stond zeker niet op de lijst van Zwarte zusters. Maar toch leek ze op de een of andere manier... Nynaeve voelde hoe ze weer een handvol vlechten had gegrepen. De vrouw... Uit zichzelf trok haar hand hard aan haar vlechten en ze keek er verwonderd naar. De witte knokkels op haar trillende hand. Het was bijna of ze door aan die vrouw te denken... Haar arm trilde, zó hard probeerde haar hand het haar uit te trekken. Licht! Waarom?
De in mist geklede vrouw stond verderop voor een wit voetstuk. Het trillen trok van Nynaeves arm naar haar schouders. Ze had die vrouw écht nooit eerder gezien. Maar toch... Ze probeerde haar vingers los te maken, maar die klemden zich nog steviger vast. Ze had haar absoluut zeker nooit... Rillend van kop tot teen perste ze haar andere arm om zich heen. Haar tanden klapperden bijna tegen elkaar. De vrouw leek... Ze wilde in huilen uitbarsten. De vrouw... Beelden barstten in haar hoofd open, ontploften. Ze zakte langs de pilaar omlaag alsof de beelden haar spieren controleerden. Haar ogen puilden uit. Weer zag ze het. Het Vertrek van de Vallende Bloesems en die stevige knappe vrouw gehuld in de gloed van saidar. Zijzelf en Elayne, als kinderen babbelend, kibbelend om als eerste te antwoorden, alles vertellend over alles wat ze wisten. Hoeveel hadden ze verteld? Het was moeilijk de kleinigheden te herinneren, maar ze herinnerde zich vaag dat enkele dingen ongezegd waren gebleven. Niet omdat ze die wilden verzwijgen, ze zouden de vrouw alles hebben verteld, alles hebben gedaan wat de vrouw had gevraagd. Haar gezicht was vuurrood van schaamte en boosheid. Als het haar al gelukt was enkele kleinigheidjes te verzwijgen, dan kwam dat alleen, doordat ze zo... ijverig waren geweest de vraag goed te beantwoorden.
Ik snap het niet, zei een klein stemmetje ergens in haar hoofd. Als dat een Zwarte zuster is waar ik niets van weet, waarom heeft ze ons dan niet aan Liandrin uitgeleverd? Ze had het kunnen doen. We zouden als lammetjes zijn meegelopen.
De kille woede liet haar niet luisteren. Een Zwarte zuster had haar als een poppetje laten dansen en haar toen gezegd alles te vergeten. Haar bevolen alles re vergeten. En dat had ze gedaan! Nou, die vrouw zou nu merken hoe het was om tegenover iemand te staan die klaarstond en gewaarschuwd was!
Voor ze naar de Ware Bron had kunnen reiken, stond Birgitte opeens naast de volgende pilaar in haar korte witte jas en wijde gele broek die bij de enkels was vastgesnoerd. Birgitte, of een onbekende die droomde dat ze Birgitte was, met goudblond haar in een kunstig gevlochten vlecht. Met een waarschuwende vinger tegen de lippen gedrukt, wees ze naar Nynaeve, toen dringend naar een van de uitgangen onder de spitsbogen achter hen. De lichtblauwe ogen wenkten gebiedend en ze verdween.
Nynaeve schudde het hoofd. Wie die vrouw ook was, ze had geen tijd. Ze opende zich voor saidar, draaide zich om, geheel vervuld van de Ene Kracht en rechtmatige wraak. De in mist geklede vrouw was verdwenen. Weg! Doordat die blonde zottin haar had afgeleid! Misschien stond die nog wel in de buurt op haar te wachten. Gehuld in de Kracht beende ze de uitgang door die de vrouw had gewezen. De blonde vrouw wachtte in een hal met fleurige tapijten waar onaangestoken gouden lampen roken naar geurige olie. Nu had ze een zilveren boog in de hand en een zilveren pijlkoker aan haar zij. ‘Wie ben je?’ barstte Nynaeve woedend uit. Ze zou de vrouw één kans geven om het uit te leggen. En haar dan een lesje geven dat ze niet snel zou vergeten. ‘Ben jij dezelfde zottin die in de Woestenij een pijl op me afschoot en beweerde dat ze Birgitte was? Ik stond op het punt iemand van de Zwarte Ajah een lesje te leren, maar door jou is ze ontsnapt!’
‘Ik ben Birgitte,’ zei de vrouw leunend op haar boog. ‘Onder die naam zul je mij waarschijnlijk wel kennen. En jij zou een lesje hebben gekregen, zowel hier als in het Drievoudige Land. Ik herinner me de levens die ik heb geleefd alsof het goed gelezen boeken zijn, de eerste zijn vager dan de laatste, maar ik herinner me nog goed dat ik aan de zijde van Lews Therin vocht. Ik zal het gezicht van Moghedien nooit vergeten, net zo min als het gezicht van Asmodean, de man die je bijna in Rhuidean stoorde.’