Asmodean? Moghedien? Die vrouw een Verzaker? Een Verzaker in Tanchico! En een in Rhuidean in de Woestenij! Egwene zou er zeker iets over hebben gezegd als ze het had geweten. Nu kon ze haar pas over zeven dagen waarschuwen. Boosheid en saidar borrelden in haar omhoog. ‘Wat doe je hier? Ik weet dat jullie allemaal zijn verdwenen, nadat de Hoorn van Valere was gestoken, maar jij bent...’ Haar stem stierf weg, een beetje beschaamd over wat ze bijna had gezegd, maar de andere vrouw maakte haar woorden kalm af. ‘Dood? Diegenen onder ons die met het Rad zijn verbonden, zijn niet dood zoals de anderen dood zijn. Er is toch geen betere plek dan de Wereld der Dromen om te wachten tot het Rad ons in nieuwe levens weeft?’ Opeens lachte Birgitte. ik praat bijna als een wijsgeer. In bijna ieder leven kan ik me herinneren dat ik ben geboren als een eenvoudig meisje dat de boog opneemt. Ik ben een boogschutter, meer niet.’
‘Jij bent de heldin in honderden verhalen,’ zei Nynaeve. ‘En ik heb gezien wat jouw pijlen in Falme hebben gedaan. De Seanchaanse geleidsters konden jou niet raken. Birgitte, we staan tegenover zo’n tien zusters van de Zwarte Ajah. En ook tegenover een Verzaker lijkt me. We kunnen best hulp gebruiken.’
Het gezicht van de andere vrouw vertoonde een grimas, verlegen en spijtig. ‘Dat kan ik niet, Nynaeve. Ik kan de wereld van het vlees niet aanraken, tenzij de Hoorn me wederom roept. Anders zal het Rad me eruit weven. Als het Rad dat op dit moment zou doen, zou je slechts een pasgeboren kindje zien dat aan de moederborst zuigt. Wat Falme betreft: de Hoorn had ons geroepen. Wij waren daar niet op dezelfde manier, niet tastbaar. Daarom kon de Kracht ons niet raken. Hier maakt alles deel uit van een droom en de Ene Kracht kan mij even gemakkelijk vernietigen als jou. Gemakkelijker nog. Ik heb het je al gezegd: Ik ben een boogschutter, een enkele keer een krijgster, meer niet.’ Haar ingewikkelde gouden vlecht zwaaide heen en weer toen ze het hoofd schudde, ik weet niet waarom ik dit alles uitleg. Ik zou niet eens met je moeten praten.’
‘Waarom niet? Je hebt al eerder iets tegen me gezegd. En Egwene meende jou te hebben gezien. Jij was het toen, nietwaar?’ Nynaeve fronste. ‘Hoe ken je mijn naam? Wéét je die dingen gewoon?’
‘Ik weet wat ik zie en hoor. Ik heb je in het oog gehouden en geluisterd, telkens als ik je kon vinden. Jou en de andere twee vrouwen en de jongeman met zijn wolven. Volgens de voorschriften mogen we met niemand spreken die weet dat hij in Tel’aran’rhiod is. Maar toch waart het kwaad net zo goed rond in de Wereld der Dromen als in de wereld van het vlees. Jullie bevechten het kwaad en trekken mij daardoor aan. Zelfs in de wetenschap dat ik bijna niets kan doen, merk ik dat ik je wil helpen. Maar ik kan het niet. Het schendt de voorschriften die me tijdens zoveel wentelingen van het Rad hebben gebonden, dat ik in mijn oudste en vaagste herinneringen weet dat ik honderd keer heb geleefd, of duizend keer. Mijn gesprek met jou schendt voorschriften die zo sterk zijn als een wet.’
‘Dat doet het,’ zei een grove mannenstem.
Nynaeve schrok op en sloeg bijna met de Kracht toe. De man was donker en gespierd en boven zijn schouders staken de lange gevesten van twee zwaarden. Hij deed een paar stappen naar Birgitte toe. Na Birgittes uitleg waren de zwaarden al voldoende om te weten dat hij Gaidal Cain was, maar terwijl de blonde Birgitte even mooi was als in de verhalen, was hij het zeker niet. Hij was eigenlijk de lelijkste man die Nynaeve ooit had gezien. Zijn gezicht was breed en plat, zijn dikke neus te groot en zijn mond een veel te brede snee. Birgitte schonk hem echter een glimlach en streelde zijn wang, wat verried dat ze zeer op hem gesteld was. Het was verrassend te zien dat hij kleiner was. Stevig gespierd en krachtig in zijn bewegingen maakte hij de indruk dat hij groter was dan hij feitelijk was.
‘We zijn bijna altijd met elkaar verbonden,’ vertelde Birgitte aan Nynaeve zonder haar ogen van de man af te wenden. ‘Gewoonlijk wordt hij ruimschoots voor mij geboren – dus weet ik dat mijn tijd weer komt wanneer ik hem niet kan vinden – en gewoonlijk haat ik hem wanneer ik hem voor het eerst in het vlees ontmoet. Maar bijna altijd eindigen we als geliefden, of gehuwd. Een eenvoudig verhaal, maar ik denk dat we het wel op duizenden manieren hebben beleefd.’ Cain negeerde Nynaeve alsof ze niet bestond. ‘De voorschriften zijn terecht, Birgitte. Door die te breken, komt er alleen maar strijd en ellende.’ Zijn stem klonk inderdaad gebarsten, besefte Nynaeve. Heel anders dan de stem van de man uit de verhalen. ‘Misschien kan ik me niet afzijdig houden als het kwaad verschijnt,’ zei Birgitte kalm. ‘Of misschien wenkt het vlees mij weer. Er is weer heel veel tijd verstreken sinds we voor het laatst zijn geboren. De Schaduw komt naderbij, Gaidal. Hij komt hier. We moeten hem bestrijden. Om die reden zijn we met het Rad verbonden.’
‘Wanneer de Hoorn ons roept, zullen we strijden. Wanneer het Rad ons verweeft, zullen we strijden. Maar niet eerder!’ Hij keek haar boos aan. ‘Ben je vergeten wat Moghedien jou heeft beloofd toen we Lews Therin volgden? Ik heb haar gezien, Birgitte. Ze zal je herkennen.’ Birgitte wendde zich tot Nynaeve. ik zal jullie bijstaan waar ik kan, maar reken er niet te veel op. Mijn wereld is Tel’aran’rhiod en ik kan hier minder dan jij.’
Nynaeve knipperde met haar ogen. Volgens haar had de donkere gezette man zich niet bewogen, maar opeens stond hij twee stappen verder met een steen zijn zwaard te wetten, wat een zijdezacht schurend geluid voortbracht. Het was duidelijk dat wat hem betrof, Birgitte tegen de lucht sprak.
‘Wat kun je me vertellen over Moghedien, Birgitte. Ik moet zoveel mogelijk weten als ik tegenover haar kom te staan.’ Leunend op haar boog dacht Birgitte met diepe rimpels in het voorhoofd na. ‘Moghedien bestrijden is moeilijk en niet alleen doordat ze een Verzaker is. Ze houdt zich schuil en riskeert niets. Ze valt alleen aan wanneer ze een zwakheid bespeurt en beweegt zich alleen in de schaduwen. Als ze een nederlaag vreest, zal ze ervandoor gaan. Slechts als de overwinning zeker is, gaat ze de strijd aan, maar als er slechts een kans bestaat op de overwinning, zal ze een gevecht nooit tot het eind toe strijden. Een kans is voor Moghedien niet genoeg. Maar vat het niet te licht op. Ze is een venijnig serpent dat gespannen als een veer in hoog gras ligt en op het beste moment wacht om meedogenloos toe te slaan. Neem het vooral in de Wereld der Dromen niet te licht op. Lanfir beweerde altijd dat Tel’aran’rhiod haar rijk was, maar Moghedien kan dingen doen, waar Lanfir niet aan toe komt, al is ze in de wereld van het vlees niet zo sterk als Lanfir. Ik denk dat ze een gevecht met Lanfir niet aan zou durven.’
Nynaeve huiverde, haar vrees vermengde zich met boosheid, waardoor ze de Kracht kon behouden. Moghedien. Lanfir. Deze vrouw sprak zo terloops over Verzakers. ‘Birgitte, wat heeft Moghedien jou beloofd?’
‘Ze wist wat ik was, al wist, weet ik het zelf niet eens. Ik weet niet hoe.’ Birgitte wierp een blik op Cain, die in het wetten leek op te gaan, maar ze ging toch zachter praten. ‘Ze beloofde me dat ik eeuwig en verlaten zou huilen zolang het Rad wentelt. Ze zei het meer als een feit dat gewoon nog niet was gebeurd.’
‘Maar toch wil je helpen.’
‘Met wat ik kan, Nynaeve. Denk eraan dat ik je heb gezegd er niet op te rekenen.’ Ze keek nogmaals naar de man die zijn zwaard stond te scherpen. ‘We zullen elkaar weer ontmoeten, Nynaeve. Als je voorzichtig bent en het overleeft.’ Ze tilde haar zilveren boog op, liep naar Cain, sloeg haar arm om hem heen en fluisterde iets in z’n oor. Wat ze ook zei, Cain lachte toen ze verdwenen.
Nynaeve schudde haar hoofd. Voorzichtig. Iedereen vertelde haar voorzichtig te zijn. Ditmaal een legendarische heldin die haar hulp beloofde, maar niet veel kon doen. En er was een Verzaker in Tanchico. De gedachte aan Moghedien, aan wat de vrouw haar had aangedaan, versterkte haar boosheid, tot de Ene Kracht in haar ziedde als de zon. Opeens was ze terug in de grote zaal waar ze eerder had gestaan, bijna hopend dat de vrouw zou terugkeren. Maar de zaal was verstoken van elk leven, alleen zij was er. Razernij en de Kracht woedden in haar tot ze meende dat haar huid zwart zou omkrullen. Moghedien of een Zwarte zuster kon haar veel gemakkelijker voelen als ze de Kracht vasthield, niettemin bleef ze saidar omhelzen. Ze wilde bijna dat een Zwarte zuster haar vond, zodat ze haar kon verslaan. Temaile was waarschijnlijk nog steeds in Tel’aran’rhiod. Als ze weer naar dat slaapvertrek ging, kon ze voorgoed met Temaile afrekenen. Ze kon afrekenen met Temaile, maar daarmee zou ze de anderen waarschuwen. Ze kon wel gillen.