Выбрать главу

53

De prijs van een afscheid

Slechts drie kaarsen en twee lampen verlichtten de gelagkamer van De Wijnbron, aangezien kaarsen en olie heel schaars waren geworden. De speren en andere wapens die tegen de muren stonden, waren verdwenen. Het vat met de oude zwaarden stond er nog, maar was leeg. De lampen wierpen hun licht op twee aaneengeschoven tafels voor de hoge stenen haard, waar de vrouwenkring met Marin Alveren, Daise Kongar en anderen lijsten naliepen met wat er nog aan voedsel in Emondsveld aanwezig was. Perijn probeerde er niet naar te luisteren.

Aan een andere tafel maakte Failes wetsteentje een gestaag zacht schurend geluid langs haar dolk. Voor haar lag een boog en aan haar riem hing een volle pijlkoker. Ze was een behoorlijk goede schutter gebleken, maar hij hoopte dat ze nooit zou ontdekken dat het een jongensboog was. Ze kon de Tweewaterse voetboog van een volwassen man niet aan, hoewel ze dat niet wilde toegeven. Hij schoof zijn bijl opzij, zodat die niet in zijn zij stak en probeerde zijn gedachten weer te richten op het gesprek van de mannen rond zijn tafel. Niet dat iedereen er met zijn aandacht even goed bij was. ‘Zij hebben lampen,’ mopperde Cen, ‘en wij moeten het met talkkaarsen doen.’ De knoestige bejaarde keek boos naar hun twee kaarsen in de koperen kandelaars.

‘Maak je niet druk, Cen,’ zei Tham vermoeid en trok zijn pijp en tobakzak uit zijn riem. ‘Probeer je eens een keer niet zo druk te maken.’

‘Wij zouden de lampen hebben als we iets moesten lezen of schrijven,’ zei Abel en zijn stem klonk ongeduldiger dan zijn woorden. Om zijn hoofd zat verband.

Alsof Bran de rietdekker eraan wilde herinneren dat hij de dorpsmeester was, schoof hij het zilveren zegel met de weegschaal goed, zodat die goed zichtbaar was op zijn brede borst. ‘Hou je bij het onderwerp, Cen. Ik vind het niet nodig dat een van jullie Perijns tijd zit te verknoeien.’

‘Ik vind alleen dat we er lampen bij zouden moeten hebben,’ zeurde Cen. ‘Perijn kan het me best zelf zeggen als we zijn tijd zitten te verdoen.’ Perijn zuchtte; de late avond probeerde zijn oogleden omlaag te trekken. Hij wou dat iemand anders aan de beurt was geweest om de dorpsraad te vertegenwoordigen. Haral Lohan, Jon Tan of Samel Craaf, eigenlijk ieder ander, zolang het maar niet Cen was met zijn gezanik. Maar ja, soms had hij ook veel liever gehad als zij tegen hem hadden gezegd: ‘Dit zijn zaken voor de dorpsmeester en de raad, jongen. Ga jij maar terug naar je smidsvuur. We zullen wel zeggen wat je moet doen.’ In plaats daarvan maakten ze zich zorgen over zijn tijd en lieten ze alles aan hem over. Tijd. Hoeveel aanvallen waren er de afgelopen zeven dagen na die eerste geweest? Hij wist het niet eens meer. Het verband om Abels hoofd ergerde Perijn. De Aes Sedai heelden momenteel alleen de ernstigste wonden. Als een man het ook zonder Heling kon redden, lieten ze dat zo. Er waren wel geen ernstige gewonden, maar zoals Verin nuchter had opgemerkt: zelfs de kracht van een Aes Sedai was niet onuitputtelijk. Blijkbaar kostte het kunstje met de blijdestenen evenveel kracht als helen. Op dit moment wilde hij liever niet worden herinnerd aan de beperkingen van een Aes Sedai. Niet veel Zwaargewonden. Nog niet.

‘Hoe staat het met het aantal pijlen?’ vroeg hij. Dat was het onderwerp dat ze goed moesten bespreken.

‘Goed genoeg,’ zei Tham, kleine rookwolkjes puffend toen hij zijn pijp aan een kaars aanstak. ‘We kunnen nog steeds de meeste afgeschoten pijlen terughalen, overdag tenminste. Ze slepen ’s nachts heel veel lijken weg – voer voor hun kookpotten, neem ik aan – en die pijlen zijn We dan kwijt.’ De andere mannen groeven ook hun pijpen op uit buidels en jaszakken. Cen mompelde dat hij zijn tobakzak waarschijnlijk thuis had laten liggen. Grommend schoof Bran zijn zak over tafel, zijn kale hoofd glansde in het kaarslicht.

Perijn wreef zich langs zijn voorhoofd. Wat had hij daarna ook alweer willen vragen? De scherpe staken. Vooral ’s nachts werd er bij de meeste aanvallen nu rond de staken gevochten. Hoe vaak waren de Troiloks bijna doorgebroken? Drie keer? Vier? ‘Heeft iedereen nu een speer of een lang steekwapen? Hebben we nog iets om er meer te maken:’ Het bleef stil op zijn vraag en hij liet z’n hand zakken. De andere mannen staarden hem aan.

‘Dat heb je gisteren ook gevraagd,’ zei Abel zacht. ‘En Haral heeft je toen gezegd dat van elke zeis of riek in het dorp een wapen is gemaakt. We hebben er nu meer dan handen, geloof me.’

‘Ja, natuurlijk. Ik was het vergeten.’ Enkele woorden uit het gesprek in de vrouwenkring trokken zijn aandacht.

‘... dat mogen de mannen niet weten,’ zei Marin zachtjes alsof ze een eerdere waarschuwing herhaalde.

‘Natuurlijk niet,’ snoof Daise, maar niet veel luider. ‘Als die stommerds erachter komen dat de vrouwen op halve porties leven, zullen ze natuurlijk volhouden dat iedereen evenveel moet eten en dan kunnen we niet...’

Perijn deed z’n ogen dicht en probeerde hetzelfde met z’n oren. Natuurlijk. De mannen deden het vechtwerk. De mannen moesten sterk blijven. Simpel. Gelukkig had nog geen enkele vrouw hoeven te vechten, behalve de twee Aielvrouwen natuurlijk. En Faile. Maar zij was slim genoeg om wat achteraf te blijven als de speren tussen de staken doorgestoken moesten worden. Dat was ook de reden waarom hij haar een boog had bezorgd. Ze had het hart van een bergleeuw en meer moed dan twee mannen bij elkaar.

‘Ik denk dat het tijd wordt dat je naar bed gaat, Perijn,’ gaf Bran te kennen. ‘Op die manier kun je niet doorgaan, met zo nu en dan een hazenslaapje.’

Terwijl hij hard in zijn baard krabde, probeerde Perijn er wakker uit te zien. ‘Ik slaap later wel.’ Als het voorbij was. ‘Krijgen de mannen wel genoeg slaap? Ik zag sommigen op de grond zitten terwijl ze eigenlijk...’

De voordeur sloeg open en Danel Lewin kwam uit het donker naar binnen, de boog en pijlen in een hoes. Hij had een zwaard uit het vat aan zijn heup. Als Tham tijd had, had hij lesgegeven, en soms deden de zwaardhanden dat ook.

Voor Danel iets kon zeggen, snauwde Daise: ‘In de schuur geboren, Danel Lewin?’

‘Het zou leuk zijn als je mijn deur wat zachter behandelde.’ Marin verdeelde haar veelzeggende blik tussen de magere jongeman en Daise als herinnering dat het haar deur was.

Danel dook in elkaar en schraapte zijn keel. ‘Neem me niet kwalijk, vrouw Alveren,’ zei hij haastig. ‘Neem me niet kwalijk, Wijsheid. Neem me niet kwalijk dat ik zo kom binnenvallen, maar ik heb een boodschap voor Perijn.’ Hij haastte zich naar de tafel met de mannen alsof hij bang was dat de vrouwen hem nog langer op zouden houden. ‘De Witmantels hebben een man het dorp ingebracht die met jou wil praten, Perijn. Hij wil het niemand anders zeggen. Hij is zwaargewond. Ze hebben hem aan de rand van het dorp laten liggen. Ik denk niet dat hij de herberg levend kan halen.’

Perijn duwde zich overeind, ik kom eraan.’ In ieder geval geen nieuwe aanval, ’s Nachts waren ze altijd het ergst.

Faile griste haar boog en liep al naast hem voor hij bij de deur was. Ook Aram stond op, aarzelend, uit de schaduw aan de voet van de trap. Soms vergat Perijn totaal dat de man er was, want hij hield zich muisstil. Hij zag er vreemd uit met zijn op de rug gegorde zwaard en in zijn vuile ketellappersjas met gele strepen. De glanzende ogen leken amper te knipperen in het starre gezicht. Raen en Ila hadden beiden niet meer met hun kleinzoon gepraat nadat hij het zwaard uit de ton had gepakt. Met Perijn evenmin.

‘Als je meegaat, schiet op dan,’ zei hij ruw en Aram sloot zich snel aan. De man volgde hem als een hondje, wanneer hij tenminste niet Tham, Ihvon of Tomas lastig viel voor een zwaardles. Het leek of hij zijn familie en kennissen had verruild voor Perijn. Perijn had die verantwoordelijkheid veel liever niet op zijn schouders gekregen, maar kon er ook verder niets aan doen.