Выбрать главу

De maan scheen op de rieten daken. Er waren weinig huizen waar meer dan één venster verlicht was. In het dorp hing een doodse stilte. Zo’n dertig Gezellen stonden met hun bogen buiten de herberg op wacht en wie een zwaard had kunnen bemachtigen, droeg het. Iedereen gebruikte de naam ‘Gezellen’ nu en Perijn had gemerkt dat hij het eveneens deed, hoewel hij er een nare smaak aan overhield. Op de Brink, waar geen schapen en koeien meer stonden, was te zien waarom er momenteel schildwachten stonden rond de herberg en op elke andere plek waar Perijn zich bevond. Aan de andere kant van de Wijnvloed, achter de paal met die stomme, nu slap hangende wolfsbanier, laaiden in de duisternis kampvuren op die heldere lichtkringen vormden waarin witte mantels bewogen die glansden in het maanlicht. Niemand had Witmantels in hun overvolle huis willen opnemen en Bornhald wilde trouwens toch niet dat zijn soldaten overal verspreid zaten. De man leek te denken dat de dorpelingen hem en zijn mannen ieder moment in de armen zouden sluiten en zolang zij Perijn volgden, moesten het Duistervrienden zijn. Zelfs Perijns scherpe ogen konden de gezichten rond de kampvuren niet onderscheiden, maar hij meende Bornhalds blikken te voelen, wachtend, hatend. Danel wees tien Gezellen aan om Perijn te begeleiden, allen jongemannen die eigenlijk op hun leeftijd hadden moeten lachen en pret maken, maar allen met de boog gereed om hem te beschermen. Aram liep niet bij die groep toen Danel hen over de donkere zandweg voorging. Hij hoorde bij Perijn en bij niemand anders. Faile bleef vlak naast Perijn lopen, haar donkere ogen glansden in het maanlicht en namen de omgeving op, alsof zij dacht dat zij als enige Perijn kon beschermen. Waar de Oudeweg Emondsveld binnenkwam, waren de karren van de wegversperring opzij getrokken om de verkenners van de Witmantels door te laten. Twintig man in sneeuwwitte mantels met lansen, te paard en in hun glimmende harnassen, en even ongeduldig als hun stampende rijdieren. Ze vielen ontzettend op in de nacht en de meeste Trolloks konden in het duister even goed zien als Perijn, maar de Witmantels wilden met alle geweld iedere avond uitrijden. Soms had het nut gehad, doordat ze het dorp hadden kunnen waarschuwen en wellicht maakte hun stoere optreden de Trolloks onzeker. Het zou echter wel fijn zijn als hij vooraf wist wat ze gingen doen.

Een groepje dorpelingen en boeren, ieder met een stuk van een wapenrusting of een roestige helm, stond rond een op de weg liggende man in een boerenjas. Ze gingen voor hem en Faile opzij en hij knielde naast de man neer.

Hij rook de scherpe lucht van bloed; op het gezicht van de man glinsterde zweet in het wisselende licht van de maan. Een duimdikke Trollokpijl stak als een kleine speer uit zijn borst.

‘Perijn... Guldenoog,’ mompelde hij schor en moeizaam. ‘Moet... bij Perijn... Guldenoog... zien te komen.’

‘Heeft iemand de Aes Sedai al laten halen?’ wilde Perijn weten en tilde de man zo voorzichtig mogelijk op, waarbij hij het hoofd ondersteunde. Hij luisterde niet eens naar het antwoord, want volgens hem zou de man het niet meer redden vóór haar komst. ‘Ik ben Perijn.’

‘Guldenoog?... Ik kan... niet zo goed... zien.’ Zijn grote, verwilderde ogen waren recht op Perijn gericht. Als de stakker nog wat zag, moest hij de goud glanzende ogen van Perijn zeker zien. ‘Ik ben Perijn Guldenoog,’ zei hij met tegenzin. De man greep hem bij de kraag en trok verrassend krachtig Perijns gezicht naar zich toe. ‘We... komen... Ben gestuurd... te zeggen. We ko...’ Zijn hoofd viel achterover en zijn ogen staarden in het niets. ‘Het Licht beware zijn ziel,’ mompelde Faile, haar boog op de rug schuivend. Even later trok Perijn de vingers van de man los. is hier iemand die hem kent?’ De Emondsvelders keken elkaar aan en schudden het hoofd. Perijn keek op naar de witgemantelde ruiters. ‘Heeft hij op jullie tocht hierheen nog iets anders gezegd? Waar hebben jullie hem gevonden?’

De holle ogen in Jaret Byars ingevallen gezicht staarden op hem neer, een beeld van de dood zelf. De andere Witmantels keken hem nooit echt aan, maar Byar dwong zich Perijn recht in de gele ogen te kijken, vooral ’s nachts, wanneer ze geel glansden. Byar gromde iets in zichzelf – Perijn hoorde ‘Schaduwgebroed’ – en schopte zijn hielen in de flanken van het paard. De groep galoppeerde het dorp in, net zo verlangend om aan Perijn te ontsnappen als aan de Trolloks. Aram staarde hen met een nietszeggend gezicht na, over zijn schouder aan zijn zwaard voelend.

‘Ze vertelden dat ze hem zo’n drie of vier span terug naar het zuiden hebben gevonden.’ Danel aarzelde en voegde eraan toe: ‘Ze zeggen dat de Trolloks zich allemaal in kleine groepjes hebben gesplitst, Perijn. Misschien geven ze het eindelijk op.’

Perijn legde de onbekende weer neer. We komen. ‘Hou goed de wacht. Misschien is het een gezin dat al die tijd op de boerderij is gebleven en nu eindelijk naar het dorp wil komen.’ Hij dacht niet dat iemand het al die tijd op een boerderij had kunnen overleven, maar de kans bestond natuurlijk. ‘Schiet niet per ongeluk op iemand.’ Hij krabbelde wankelend overeind en Faile legde haar hand op zijn arm. ‘Tijd dat je naar bed gaat, Perijn. Jij moet ook slapen.’ Hij keek haar slechts aan. Hij had haar in Tyr moeten achterlaten. Op de een of andere manier had hij daarvoor moeten zorgen. Als hij beter had nagedacht, had hij het klaargespeeld.

Een van de boodschappers, een krullenbol die ongeveer tot zijn borst reikte, glipte tussen de mannen door om Perijn aan zijn mouw te trekken. Perijn kende hem niet. Er waren veel gezinnen van buiten in het dorp. ‘Er beweegt iets in het Wesrwoud, heer Perijn. Ik moest dat tegen u gaan zeggen.’

‘Noem me geen heer,’ zei Perijn scherp. Als hij de kinderen niet de mond snoerde, zouden de Gezellen het ook gaan gebruiken. ‘Ga maar zeggen dat ik eraan kom.’ De jongen schoot weg. ‘Jij hoort in bed te liggen,’ zei Faile kordaat. ‘Tomas kan elke aanval best alleen af.’

‘Het is geen aanval, anders zou de jongen het hebben gezegd en zou iemand op Cens bugel hebben geblazen.’

Ze hield hem stevig bij zijn arm vast en probeerde hem mee te trekken naar de herberg, waardoor ze meegesleurd werd toen hij de andere kant opliep. Ze gat het vrij snel op en deed toen net alsof ze gearmd met hem meeliep. Al bleef ze binnensmonds door mopperen. Ze dacht nog altijd dat hij haar niet verstond, als ze maar zachtjes genoeg sprak. Het begon met ‘stom’, ‘koppig als een ezel’ en ‘alleen spieren en geen hersens’, waarna het steeds boeiender werd. Het was een behoorlijke stoet met Faile mopperend aan zijn arm, Aram vlak op zijn hielen en Danel met de tien Gezellen als een erewacht om hen heen. Als hij niet zo moe was geweest, zou hij zich een eersteklas nar hebben gevoeld.

In kleine groepjes stonden ’s nachts op regelmatige afstand schildwachten langs de versperring van scherpe staken, ieder met een jongen als bode. Aan de westkant van het dorp zag hij de mannen bij elkaar staan binnen de brede versperring. Ze voelden al turend naar het Westwoud aan hun speren en bogen. Zelfs in het maanlicht leken de bomen niet meer dan zwarte vormen in het grijs. Door zijn zwaardhandmantel leek Tomas in de nacht uit losse bewegende stukken te bestaan en Bain en Chiad stonden bij hem. Sinds Loial en Gaul waren vertrokken, brachten de twee Speervrouwen om de een of andere reden elke nacht aan deze kant van Emondsveld door. ‘Normaal zou ik je er niet mee lastig vallen,’ zei de zwaardhand tegen Perijn, ‘maar daarginds lijkt er maar één te staan en ik dacht dat jij misschien...’

Perijn knikte. Iedereen wist het nu van zijn gezichtsvermogen, zeker in het donker. De mensen van Tweewater vonden het blijkbaar iets bijzonders, iets wat aangaf dat hij zo’n held uit de verhalen was. Wat de zwaardhanden dachten, of de Aes Sedai, wist hij absoluut niet. Maar hij was vanavond te moe om er lang bij stil te staan. Zeven dagen en hoeveel aanvallen?