Выбрать главу

De rand van het Westwoud lag vijfhonderd pas verder. Zelfs voor zijn scherpe ogen gingen de bomen in de schaduw in elkaar over. Er bewoog iets. Iets wat even groot was als een Trollok. Een grote vorm die iets droeg... Wat gedragen werd, stak een arm op. Een mens. Een grote gestalte die een mens droeg.

‘We schieten niet!’ riep hij. Hij wilde eigenlijk lachen en hij besefte dat hij lachte. ‘Vooruit! Kom maar, Loial!’

De vage gestalte rende sneller naar hen toe dan een man kon hollen en werd steeds duidelijk de Ogier die met Gaul in zijn armen naar het dorp rende.

De Emondsvelders schreeuwden hem bemoedigend toe, alsof het een wedstrijd betrof. ‘Ren, Ogier! Ren! Ren!’ Misschien was het een wedstrijd, want uit dit gedeelte van het bos waren meerdere aanvallen gekomen.

Vlak voor de staken ging Loial met een ruk langzamer lopen. Er was amper ruimte voor zijn dikke benen om zijdelings tussen de staken door te glippen. Toen hij eenmaal aan de kant van het dorp was, liet hij de Aielman op de grond zakken en viel zelf neer, met zijn rug steun zoekend tegen de staken, hijgend, terwijl zijn oren doodvermoeid omlaag hingen. Gaul hinkte rond tot hij ook een plekje vond, terwijl Bain en Chiad zich druk maakten over zijn linkerdij, waar zijn broek was gescheurd en helemaal zwart was van gedroogd bloed. Hij had maar twee speren over en zijn pijlkoker was volkomen leeg. Loial had zijn bijl niet meer.

‘Stomme Ogier,’ lachte Perijn vriendelijk. ‘Er zomaar vandoor gaan. Ik zou je als een weggelopen jongetje naar Daise Kongar moeten sturen zodat ze je een pak slaag kan geven. Maar gelukkig heb je het er levend afgebracht. Gelukkig ben je terug.’ Zijn stem haperde. Levend. Terug in Emondsveld.

‘We hebben het gedaan, Perijn,’ hijgde Loial vermoeid met zijn dreunende stem. ‘Vier dagen geleden. We hebben de poort gesloten. De Ouderen of de Aes Sedai moeten erbij komen om hem weer open te krijgen.’

‘Hij heeft me het grootste stuk vanaf de bergen gedragen,’ zei Gaul. ‘Een Nachtloper en zo’n vijftig Trolloks hebben ons de eerste drie dagen achtervolgd, maar Loial was sneller.’ Hij probeerde tevergeefs de Speervrouwen weg te duwen.

‘Blijf stil liggen, Shaarad,’ snauwde Chiad, ‘of ik ga zeggen dat ik je gewapend heb aangeraakt en jou de keuze van de eer heb gelaten.’ Faile lachte verrukt. Perijn begreep het niet, maar Chiads opmerking zorgde ervoor dat de onverstoorbare Aiel het verder bij wat gesputter liet. De vrouwen mochten zijn been verzorgen. ‘Ben je in orde, Loial?’ vroeg Perijn. ‘Ben je gewond?’ De Ogier trok zich duidelijk met veel moeite omhoog en zwaaide even als een boom die dreigde om te vallen. Zijn oren hingen nog steeds slap omlaag. ‘Nee, ik ben niet gewond, Perijn. Alleen moe. Maak je geen zorgen over me. Ik ben al zo lang uit de stedding weg. Eén bezoekje is niet voldoende.’ Hij schudde het hoofd alsof zijn gedachten wegdwaalden. Zijn brede hand omvatte Perijns schouder. ‘Als ik heb geslapen, ben ik weer in orde.’ Hij ging zachter praten. Voor een Ogier tenminste; het klonk nog steeds als een zoemende reuzenhommel. ‘Daarginds is de toestand erg slecht, Perijn. We hebben over lange stukken de vuisten gevolgd. De saidinpoort is gesloten maar ik denk dat er zeker enkele duizenden Trolloks in Tweewater zijn en misschien wel vijftig Myrddraal.’

‘Nee, dat is niet zo,’ zei Luc luid. Hij was vanaf de Noorderweg langs de huizenrand aan komen galopperen en had zijn briesende zwarte hengst met veel vertoon en gesteiger tot staan gebracht. ‘Je bent ongetwijfeld heel goed in het toezingen van bomen, Ogier, maar vechten met Trolloks is een andere zaak. Ik schat het aantal nu op minder dan duizend. Ik geef toe dat het een behoorlijk grote strijdmacht is, maar deze stevige wal en de dappere verdedigers kunnen dat wel aan. Weer een prijs voor je, heer Perijn Guldenoog.’ Lachend wierp hij Perijn een volle jutezak toe. De donkere, natte onderkant glom in het maanlicht.

Perijn raapte hem op en gooide hem ondanks het gewicht meteen over de staken weg. Ongetwijfeld zo’n vier of vijf Trollokkoppen en misschien die van een Myrddraal. De man bracht nog steeds elke avond zijn krijgsbuit binnen en hij verwachtte dan blijkbaar dat ze op een piek werden geplaatst, zodat de dorpelingen ze konden bewonderen. Een stel Kopins en Kongars hadden hem op een avond op een feestje onthaald, toen hij met twee koppen van Schimmen was aangekomen. ‘En ik weet zeker ook niets van strijd?’ liet Gaul luid weten, terwijl hij zich overeind duwde. ‘Ik zeg ook dat het er een paar duizend zijn.’ Lues glimlach toonde witte tanden. ‘Hoeveel dagen heb jij in de Verwording doorgebracht, Aiel? Ik heel lang.’ Het was wellicht meer een snauw dan een glimlach. ‘Heel lang. Geloof wat je wilt, Guldenoog. De eindeloze dagen zullen brengen wat ze brengen, zoals altijd al is geschied.’ Hij draaide de hengst op de achterbenen rond en galoppeerde tussen de huizen en bomen weg, die eens aan de rand van het Westwoud hadden gestaan. De Emondsvelders bewogen zich onrustig en keken hem na of tuurden de nacht in.

‘Hij heeft het mis,’ zei Loial. ‘Gaul en ik hebben gezien wat we zagen.’ Zijn gezicht stond slap van vermoeidheid, de brede mond stond somber en zijn lange wenkbrauwen hingen op zijn wangen. Geen wonder, als hij Gaul drie of vier dagen lang had gedragen.

‘Je hebt heel veel gedaan, Loial,’ zei Perijn. ‘Zowel jij als Gaul. Iets geweldigs. Ik ben bang dat er nu enkele ketellappers in je kamer liggen, maar vrouw Alveren maakt wel een strozak voor je klaar. Het is de hoogste tijd dat je je verdiende slaap krijgt.’

‘En ook de hoogste tijd voor jou, Perijn Aybara.’ De voortschuivende wolken trokken in het maanlicht schaduwen op de ferme neus en hoge jukbeenderen van Failes gezicht. Wat was ze mooi! Maar haar stem klonk even hard als een bed van planken. ‘Als je nu niet gaat, laat ik je door Loial meedragen. Je kunt amper rechtop staan.’ Gaul had grote moeite met zijn verwonding te lopen. Bain ondersteunde hem en hij probeerde Chiad aan zijn andere zijde af te weren, maar ze mompelde dreigend ‘gai’shain’, en Bain lachte, waarna de Aiel beide vrouwen toestond hem te helpen, terwijl hij woedend in zichzelf liep te mopperen. Perijn wist niet waar de Speervrouwen het over hadden, maar ze hadden Gaul wel in de klem.

Tomas gaf Perijn een klap op de schouder. ‘Ga slapen, man. Iedereen heeft slaap nodig.’ Bij hem klonk het of hij nog drie dagen zonder kon. Perijn knikte.

Hij liet zich door Faile naar De Wijnbron terugleiden, met Aram, Danel en de tien Gezellen weer om hen heen, terwijl Loial en de drie Aiel hem volgden. Hij merkte niet eens dat de anderen verdwenen, maar opeens waren Faile en hij alleen in zijn kamer op de eerste verdieping van de herberg.

‘Er zijn hele gezinnen die het met minder ruimte moeten doen dan ik,’ mopperde hij. Op de stenen mantel boven de kleine haard brandde een kaars. Anderen deden het zonder, maar Marin stak er hier een aan zodra het donker werd, zodat hij niet gestoord hoefde te worden. ‘Ik kan best bij Danel, Ban en de anderen buiten slapen.’

‘Doe niet zo dwaas,’ zei Faile heel liefjes. ‘Als Alanna en Verin ieder een eigen kamer hebben, dan mag jij dat ook.’

Hij besefte dat ze zijn jas had uitgetrokken en de koordjes van zijn hemd losknoopte, ik ben niet te moe om mezelf uit te kleden.’ Hij duwde haar zachtjes weg.

‘Je trekt alles uit,’ beval ze. ‘Alles, hoor je? Je kunt niet behoorlijk slapen in je kleren, zoals jij schijnt te denken.’

‘Dat doe ik,’ beloofde hij. Toen ze de deur achter zich gesloten had, trok hij alleen zijn laarzen uit, voor hij de kaars uitblies en ging liggen. Marin zou het niet waarderen als hij met smerige laarzen op de overtrek ging liggen.

Duizenden, hadden Gaul en Loial gezegd. Maar hoeveel had het tweetal kunnen zien, terwijl ze zich op weg naar de bergen schuilhielden en op de terugweg voortdurend op de vlucht waren? Op z’n hoogst duizend, beweerde Luc, maar Perijn vertrouwde de man niet, ondanks de strijdbuit die hij naar het dorp bracht. Her en der verspreid, volgens de Witmantels. Hadden ze het wel goed kunnen zien in hun glimmende wapenrusting en witte mantels die in het donker wel lantaarns leken?