Выбрать главу

Misschien bestond er een manier om het zelf op te nemen. Hij had de wolfsdroom na zijn laatste bezoek vermeden. Telkens als hij aan teruggaan dacht, borrelde het verlangen naar een jacht op Slachter op, maar zijn verantwoordelijkheden lagen hier, in Emondsveld. Nu echter... De slaap overmande hem, terwijl hij erover lag na te denken.

Hij stond op de Brink, die zich in de lage namiddagzon koesterde. Enkele witte wolken dreven voorbij. Er stonden geen schapen en geen koeien rond de hoge paal, waar een briesje de banier met de rode wolfskop deed rimpelen. Een aasvlieg zoemde langs zijn hoofd. Er waren geen mensen tussen de huizen met rietdaken. Kleine stapels hout op as gaven de vuren van de Witmantels aan. Hij had zelden iets zien branden in een wolfsdroom, alleen brandstof of verkoold hout. Geen raven aan de hemel.

Terwijl hij rondkeek naar vogels, werd een stuk van de lucht donkerder, een venster naar iets anders. Egwene stond in een menigte vrouwen, vrees in haar ogen. Langzaam knielden de vrouwen rond haar neer. Nynaeve was er een van en hij meende Elaynes roodgouden haar te zien. Dat venster vervaagde en werd opgevolgd door een tweede. Mart stond naakt en snauwend vastgebonden; een vreemde speer met een zwarte schacht was tussen zijn armen en rug doorgestoken en op zijn borst hing een zilveren zegel met een vossenkop. Mart verdween en werd Rhand. Perijn dacht dat het Rhand was. Hij was in lompen, droeg een grove mantel en over zijn ogen zat verband. Het derde venster verdween; de hemel toonde behalve de wolken nog slechts een lege lucht.

Perijn huiverde. Die beelden van de wolfsdroom leken nooit echt verband te hebben met iets wat hij kende. Misschien was hij op deze plek, waar dingen zo gemakkelijk konden veranderen, zo bezorgd dat hij beelden van zijn bezorgdheid opving. Wat ze ook voorstelden, dat gepieker was tijd verknoeien.

Hij was niet verbaasd dat hij het lange leren smidsvest droeg en geen hemd, maar aan zijn riem voelde hij de hamer, niet zijn bijl. Fronsend richtte hij zijn gedachten op een lang blad in de vorm van een halve maan en met een dikke punt. Dat had hij nodig. De hamer veranderde langzaam, bood weerstand, maar toen eindelijk de strijdbijl in de dikke lus hing, bleef het vervaarlijk glimmen. Waarom werkte het wapen zo tegen? Hij wist wat hij wilde. Een gevulde pijlkoker verscheen aan zijn andere heup, een voetboog in de hand, een leren polsbeschermer om zijn linkerarm.

Drie landvervagende schreden brachten hem bij het dichtstbijzijnde Trollokkamp, vermoedelijk op zo’n drie span van het dorp. De laatste stap belandde tussen een tiental hoge stapels hout die op oude as lagen, midden in een vertrapte gerstakker. Tussen de houtblokken lagen kapotte stoelen en tafelpoten, zelfs een boerderijdeur. Grote, zwart-ijzeren ketels stonden klaar om boven het vuur gehangen te worden. Lege ketels natuurlijk, hoewel hij wist wat voor slachtvlees erin zou komen en wat er aan de dikke ijzeren spitten boven enkele vuren zou worden geregen. Hoeveel Trolloks zouden hier rond het vuur zitten? Er stonden geen tenten en overal in het rond lagen dekens, smerig en stinkend naar oud, zuur Trollokzweet, maar dat gaf geen echte aanwijzing. Veel Trolloks sliepe n als dieren zo op de grond of in een gegraven slaapkuil.

Met kleinere stappen van niet meer dan honderd pas, waarbij het land nog slechts op vage vlakken leek, trok hij om Emondsveld heen, van boerderij tot boerderij, van weiland en gerstakker tot tobakveld, tussen verspreide boomgroepen door, langs karrensporen en voetpaden, waarbij hij steeds meer Trollokvuren vond toen hij langzaam de cirkel vergrootte. Te veel. Honderden vuren. Die moesten enkele duizenden Trolloks betekenen. Vijfduizend of tienduizend, misschien wel twee keer zoveel. Het zou voor Emondsveld weinig verschil maken als ze allemaal tegelijk kwamen.

Verder naar het zuiden verdween ieder spoor van Trolloks. Tenminste, de duidelijke aanwijzingen dat ze daar waren. Er stonden nog maar weinig onbeschadigde boerderijen of schuren. Hier en daar zag hij akkers met verkoolde stoppels, waar gerst of tobak in brand was gestoken, elders was het gewas gewoon vertrapt. Hier was geen enkele zin voor te vinden, enkel vernielzuchtig kwaad, want de mensen waren toen allang vertrokken. Eenmaal stapte hij midden in grote cirkels as. Enkele verkoolde wagenwielen toonden hier en daar nog iets van bonte kleuren. De karavaan van de Tuatha’an. Deze verwoesting deed hem zelfs nog meer pijn dan die van de boerderijen. De Weg van het Blad moest een kans krijgen. Ergens. Niet hier. Hij dwong zich verder te kijken en sprong ongeveer een span naar het zuiden. Uiteindelijk belandde hij in Devenrit. Hij zag rijen huizen met rietdaken om een brink en een bronvijver. Er stond een muur omheen met uitgeschuurde overlopen, waar het water uit klaterde. De herberg aan de noordkant van de brink, de Gans en Doedel, had ook een rieten dak, maar was wat groter dan De Wijnbron, hoewel Devenrit minder vreemdelingen ontving dan Emondsveld. Het dorp was zeker niet veel groter. Wagens en karren naast ieder huis betekenden dat ook hier boerenfamilies onderdak hadden gekregen. Andere karren versperden de wegen en de openingen tussen de huizen aan de rand van het dorp. In Emondsveld zouden deze versperringen nog niet één aanval hebben tegengehouden.

In drie kringen rond het dorp vond Perijn maar een handvol Trollok-kampen. Genoeg om de mensen in het dorp te houden. Sluit ze in, tot Emondsveld was afgehandeld. Dan konden de Trolloks – of de Schimmen – op hun gemak Devenrit aanvallen. Misschien kon hij een manier vinden om een bericht aan dit dorp door te geven. Als ze naar het zuiden vluchtten, zouden ze misschien ergens over de Witte Rivier weg kunnen komen. Ze konden beter proberen door het ondoordringbare Schaduwwoud aan de overzijde van de rivier te trekken dan op hun dood te wachten.

De gouden zon was nog geen streepje verschoven. De tijd verliep hier anders.

Hij rende zo hard hij kon naar het noorden, zelfs Emondsveld verdween als een vage vlek. Wachtheuvel, op de ronde heuvel, was net als Devenrit omringd door wagens en karren tussen de huizen. Op de heuveltop wapperde een lome vlag in de bries aan een hoge paal voor Het Witte Zwijn. Een rode adelaar op een blauw veld. De Rode Adelaar was de banier geweest van Manetheren. Misschien hadden Alanna of Verin in Wachtheuvel de verhalen van vroeger verteld. Ook hier vond hij enkele Trollokkampen, genoeg om de dorpelingen in het dorp vast te houden. Maar hier konden de mensen gemakkelijker wegvluchten. Zij hoefden de Witte Rivier niet over te steken, met haar eindeloze reeks stroomversnellingen en watervalletjes. Hij rende verder naar het noorden, naar Tarenveer, aan de oever van de Tarendrelle, die hij als kind de Taren had genoemd. Hoge smalle huizen op een hoge stenen onderbouw om geen last te hebben van de jaarlijkse overstroming van gesmolten sneeuw in de Mistbergen. Van bijna de helft van de huizen was niets anders over dan hopen as en verkoolde balken op roetzwarte stenen in het stille middaglicht. Hier stonden geen karren, was niets van een verdediging te zien. En geen Trollokkampementen voor zover hij kon zien. Misschien leefden hier geen mensen meer.

Aan de rand van het water stond een stevige houten pier, met een slap neerhangend touw over de rivier. Het touw liep door ijzeren ringen van een barkas met een plat dek die stevig aan de pier lag gebonden. De pont was er nog, nog steeds bruikbaar.

Een sprong bracht hem over de rivier, waar in het oeverzand tussen de karrensporen her en der huisraad stond. Stoelen, staande spiegels, kasten, zelfs enkele tafels en een glanzende kleerkast met uitgesneden vogels in de deurtjes, allemaal dingen die mensen in paniek probeerden te redden en dan in de steek lieten om sneller te kunnen vluchten. Ze zouden het nieuws van hier, van wat er in Tweewater was gebeurd, verspreiden. Sommigen moesten ondertussen Baerlon hebben bereikt, zo’n honderd span naar het noorden, en de boerderijen en dorpen tussen Baerlon en de rivier. Het nieuws zou zich verspreiden. Over ruim een maand zou het misschien Caemlin bereiken en zou koningin Morgase haar macht gebruiken en een leger verzamelen. Een maand als ze geluk hadden. En nog eens een maand om hier te komen, als Morgase het eenmaal geloofde. Te laat voor Emondsveld, misschien wel te laat voor heel Tweewater.