Выбрать главу

‘Haal Moiraine!’ snauwde Perijn tegen de Aielvrouwen. Leefde Rhand nog? Zo ja, dan had hij de Heling van een Aes Sedai nodig om dat zo te houden. ‘Zeg haar voort te maken!’ Hij hoorde iemand achter zich naar adem snakken en toen zachte laarzen wegrennen.

Rhand keek op. Zijn hoofd was een smerig rood masker. ‘Doe de deur dicht.’

‘Moiraine zal er gauw zijn, Rhand. Hou je stil. Ze zal...’

‘Doe de deur dicht, Perijn.’

De Aielvrouwen keken moeilijk, mompelden onder elkaar, maar schoven achteruit. Perijn trok de deur dicht en kapte zo een vragende schreeuw van de kapitein af.

Glas kraakte onder zijn laarzen toen hij over het tapijt naar Rhand liep. Hij scheurde een strook van een woest kapotgesneden linnen laken af en hield die tegen de wond in Rhands zijde. Rhands handen knepen zich samen op het doorschijnende zwaard en ontspanden zich toen. Bijna meteen drong het bloed door het laken heen. Hij zat onder de sneden en kloven, vanaf zijn voeten tot aan zijn hoofd, vol vele glinsterende stukjes glas. Perijn trok machteloos zijn schouders op. Hij wist niet wat hij nog meer kon doen, behalve dan op Moiraine wachten.

‘Wat in Lichtsnaam probeerde je uit te spoken, Rhand? Je ziet eruit alsof je jezelf wilde villen. En daarbij heb je mij ook nog bijna gedood.’ Heel even dacht hij dat Rhand hem geen antwoord wilde geven, ik niet,’ zei Rhand ten slotte, bijna fluisterend. ‘Een Verzaker.’ Perijn probeerde spieren te ontspannen waarvan hij niet wist dat die strak gespannen stonden. Het lukte hem maar gedeeltelijk. Hij had Faile de Verzakers slechts terloops genoemd; hij had vooral geprobeerd niet te denken aan wat de Verzakers zouden doen als zij Rhands verblijfplaats vonden. Wie van hen de val van de Herrezen Draak kon bewerkstelligen, zou hoog boven de anderen staan als de Duistere vrij kwam. De Duistere vrij en de Laatste Slag al verloren nog voor die begonnen was.

‘Weet je het zeker?’ vroeg hij even kalm.

‘Dat moet wel, Perijn. Dat moet wel.’

‘Als er een zowel op mij als op jou afkwam...? Waar is Mart, Rhand? Als hij in leven is en meemaakte wat ik heb meegemaakt, dan zou hij hetzelfde denken als ik. Dat jij het was. Hij zou dan meteen hierheen komen om jou uit te foeteren.’

‘Of al halverwege de stadspoort op een paard zitten.’ Moeizaam ging Rhand rechtop zitten. Opdrogende bloedvegen barstten en nieuwe druppels verschenen op zijn borst en schouders. ‘Als hij dood is, Perijn, kun je maar beter zo ver mogelijk van me vandaan zien te komen. Ik zou jou en Loial groot gelijk geven.’ Hij zweeg even en nam Perijn op. ‘Jij en Mart zullen wel wensen dat ik nooit was geboren. Of minstens dat jullie me nooit hadden gekend.’

Het had geen zin om uit te zoeken hoe het met Mart stond. Als er iets met hem was gebeurd, dan was het allemaal allang achter de rug. En hij had het idee dat zijn eerste hulp voor Rhands zij goed genoeg was om hem zo lang in leven te houden tot Moiraine er was. ‘Het schijnt je niet veel te doen als hij écht verdwenen is. Bloedvuur, hij is ook belangrijk. Wat ga jij doen als hij weg is? Of dood, het Licht geve dat het niet zo is.’

‘Wat zij het minst verwachten.’ Rhands ogen leken als ochtendmist die de dageraad toedekt, een blauw grijs waar een koortsachtige gloed doorheen sijpelde. Zijn stem had iets scherps. ‘Dat moet ik in ieder geval zeker gaan doen. Wat iederéén het minst verwacht.’ Perijn haalde langzaam adem, Rhand had het recht heel gespannen te zijn. Het was geen teken van naderende krankzinnigheid. Hij moest ermee ophouden naar tekens van waanzin te zoeken. Die zouden gauwgenoeg opdoemen, en ernaar uitkijken hielp niet, dat legde slechts knopen in zijn maag. ‘Wat bedoel je?’ vroeg hij kalm. Rhand sloot zijn ogen. ik weet alleen dat ik ze bij verrassing te pakken moet nemen. Iedereen bij verrassing overvallen,’ mompelde hij fel. Een van de deuren ging open en een lange Aielman verscheen, zijn donkerrode haar was hier en daar grijs. Achter hem wipten de pluimen van de Tyreense kapitein op en neer tijdens een heftige woordenwisseling met de Speervrouwen. Hij stak nog steeds zijn betoog af toen Bain de deur dicht duwde.

Rhuarc nam de kamer met zijn scherpe blauwe ogen op, alsof hij meende dat vijanden zich achter een stuk stof of een omgevallen stoel verborgen. Het stamhoofd van de Taardad Aiel was niet bewapend, afgezien van een breed en zwaar mes aan zijn middel. Hij straalde echter zijn gezag en zelfverzekerdheid uit als wapens, kalm, maar even zichtbaar alsof ze naast zijn mes in zijn gordel staken. Zijn sjoefa hing rond de schouders. Maar niemand die ook maar iets wist van de Aiel vond hem nu minder gevaarlijk dan wanneer hij de sjoefa als sluier voor zijn gezicht droeg.

‘Die Tyreense zot hierbuiten heeft een bericht naar zijn bevelhebber gestuurd dat er iets is gebeurd,’ zei Rhuarc, ‘en de geruchten groeien al als kopjesmos in een diepe grot. Het varieert van de Witte Toren die probeert jou te vermoorden tot de Laatste Slag die hier in dit vertrek werd uitgevochten.’ Perijn wilde wat zeggen maar Rhuarc stak gebiedend zijn hand op om hem te laten zwijgen, ik kwam Berelain toevallig tegen en ze zag eruit alsof ze te horen had gekregen op welke dag ze zal sterven. Zij heeft me verteld wat er echt is gebeurd. En het ziet ernaar uit dat het de waarheid is, al twijfelde ik eerst.’ ik heb Moiraine laten halen,’ zei Perijn. Rhuarc knikte. Natuurlijk. De Speervrouwen zouden hem inmiddels alles hebben verteld. Rhand lachte blaffend met een pijnlijk gezicht. ‘Ik had haar gezegd het stil te houden. Schijnbaar regeert de Drakenheer niet Mayene.’ Het klonk meer naar wrang vermaak dan iets anders, ik heb dochters die ouder zijn dan die jonge vrouw,’ zei Rhuarc. ik denk niet dat ze het iemand anders zal vertellen. Ik denk dat ze liever alles wil vergeten wat er vannacht is gebeurd.’

‘Maar ik zou graag willen weten wat er is gebeurd,’ zei Moiraine, die de kamer binnengleed. Rhuarc stak ver boven haar soepele slankheid uit, evenals de man die achter haar binnenkwam, Lan, haar zwaardhand, maar het was de Aes Sedai die de kamer overheerste. Ze moest gehold hebben om er zo vlug te zijn, maar ze was nu even kalm als een bevroren meer. Er was meer nodig voor Moiraines bezadigde kalmte verstoord werd. Haar blauwzijden gewaad had een hoge hals van kant en de mouwen hadden plooien van een donkerder fluweel, maar de hitte en de vochtigheid leken haar niet te hinderen. Aan een fijn gouden kettinkje in haar donkere haren hing op haar voorhoofd een kleine blauwe steen, die flitste in het licht en de afwezigheid benadrukte van elk zweempje zweet.

Net als bij iedere andere ontmoeting sloegen de elkaar kruisende blikken van Lan en Rhuarc zichtbare vonken. Om Lans donkere haren met de grijze strepen bij de slapen zat een gevlochten leren koord. Zijn gezicht leek als uit rots gehouwen, een en al scherpe hoeken en vlakken, en zijn zwaard hing aan zijn zij alsof het deel van hem uitmaakte. Perijn wist niet zeker welk van de twee mannen dodelijker was, maar een muisje kon van het verschil sterven.

De zwaardhand richtte zijn ogen op Rhand. ‘Ik dacht dat je oud genoeg was om je te scheren zonder dat iemand je hand vasthoudt.’ Rhuarc glimlachte, heel licht, maar het was de eerste glimlach die Perijn ooit zag terwijl Lan nabij was. ‘Hij is nog jong. Hij zal het leren.’ Lan keek schuins terug naar de Aielman en beantwoordde de glimlach even licht.

Moiraine keek de twee mannen kort en vernietigend aan. Ze leek geen plekjes zonder glas te zoeken, maar ze stapte heel licht over het tapijt op Rhand af, haar rok ophoudend, en er knarste geen enkel glasscherfje onder haar muiltjes. Haar ogen schoten het vertrek door en namen volgens Perijn elke kleinigheid op. Ze bekeek Rhand even – hij keek niet terug; ze wist hem te veel naar zijn zin – en boog zich naar hem over als een stille zijden lawine, ijskoud en onontkoombaar. Perijn liet zijn hand zakken en schoof opzij. De opgepropte doek bleef door de bloedkorsten aan Rhands zij plakken. Van zijn hoofd tot aan zijn voeten begon het bloed in zwarte strepen en smeren op te drogen. De splinters glas in zijn huid glinsterden in het licht. Moiraine raakte met haar vingertoppen de van bloed doorweekte lap aan en trok toen haar hand terug, alsof ze van mening veranderde en er niet onder wilde kijken. Perijn vroeg zich af hoe de Aes Sedai naar Rhand kon kijken zonder ineen te krimpen, maar haar gladde gelaat leek niet te veranderen. Ze rook vaag naar rozenzeep.