Toch was het bijna onbegrijpelijk dat de Trolloks en zeker de Myrddraal iemand hadden laten ontsnappen. Trolloks leken niet veel verder te denken dan dit moment. Hij zou hebben gedacht dat de Schimmen allereerst de veerpont zouden vernielen. Hoe konden ze er zo zeker van zijn dat er in Baerlon niet genoeg soldaten waren om op ze af te stormen?
Hij knielde neer en pakte een pop met een geverfd houten gezicht en een pijl scheerde op borsthoogte over hem heen.
Hij sprong overeind, sprong over de oever weg in een wazige streep van honderd pas naar het bos en dook daar weg onder een grote lederbladboom. Om hem heen stonden struiken en lagen door de vloed omgevallen bomen, overwoekerd door klimplanten.
Slachter. Perijn had een pijl aangelegd en vroeg zich af of hij hem uit de koker had getrokken of hem daar gewoon had gedacht. Slachter.
Klaar om meteen weer weg te springen, wachtte hij af. Slachter zou ruwweg weten waar hij zat. Perijn had eerder de wazige gestalte van de man gemakkelijk genoeg kunnen volgen; die zich uitstrekkende veeg was goed te zien als je stilstond. Tweemaal had hij het spel van de ander gespeeld en bijna verloren. Slachter mocht ditmaal zijn spelregels volgen. Hij wachtte.
Raven zwierden boven de boomkruinen rond, zoekend en krassend. Geen enkele beweging verried hem, geen spier bewoog. Alleen zijn ogen bewogen en zochten het woud rondom hem af. Een vleugje wind voerde een kille geur mee, net niet menselijk, en hij glimlachte. Alleen de raven waren echter te horen. Die Slachter was een goede jager. Maar hij was het niet gewend prooi te zijn. Was er nog meer wat Slachter vergat, behalve de geur? Hij zou er zeker niet op rekenen dat Perijn zou blijven staan waar hij was neergekomen. Dieren renden weg voor de jager, zelfs wolven renden weg.
Een kleine beweging en heel even verscheen zo’n vijftig pas verder een gezicht boven een omgevallen pijnboom. Het schuin invallende licht liet alles duidelijk zien. Donker haar en blauwe ogen, een gezicht van harde vlakken en hoeken, dat hem sterk aan het gezicht van Lan deed denken. Maar in die korte flits had Slachter tweemaal zijn lippen afgelikt, stonden er rimpels in zijn voorhoofd en flitsten zijn ogen heen en weer. Lan zou zijn bezorgdheid niet laten merken, al stond hij alleen tegenover duizend Trolloks. Eén korte flits en het gezicht was weer verdwenen. De raven schoten warrelend heen en weer, alsof ze de bezorgdheid van Slachter deelden en bang waren om onder de boomkruinen te vliegen.
Perijn wachtte en keek, roerloos. Stilte. Slechts de kille geur vertelde hem dat hij onder die raven aan de hemel niet alleen was. Slachters gezicht vertoonde zich opnieuw, terwijl hij langs een dikke eik links van hem gluurde. Dertig pas. Eiken stonden geen groei eronder toe, tussen de wortels staken enige paddestoelen en wat onkruid uit de bladgrond omhoog. Langzaam kwam de man de open plek op, zijn laarzen maakten geen geluid.
In één snelle beweging had Perijn gericht en afgeschoten. De raven krijsten waarschuwend en Slachter tolde rond en kreeg de breedpunt-pijl midden in zijn borst. Niet in zijn hart. De man jankte en klemde beide handen om de pijl; zwarte veren kringelden omlaag toen de raven uitzinnig met hun vleugels fladderden. En Slachter vervaagde; hijzelf en zijn kreet verstierven. Hij werd nevelig, doorzichtig en verdween. Het gekras van de raven hield op alsof een mes het afsneed. De pijl die de man had veranderd, viel op de grond. Ook de raven waren verdwenen.
Met een tweede pijl aan de boog slaakte Perijn een lange zucht en verminderde de spanning op de boogpees. Stierf je in een wolfsdroom op die manier? Gewoon vervagend om voor eeuwig te verdwijnen? ‘Maar ik heb een eind aan hem gemaakt,’ mompelde hij. En hij had zich erdoor laten afleiden. Hij was niet voor Slachter de wolfsdroom binnengegaan. De wolven waren nu gelukkig veilig. De wolven... en misschien enkele anderen. Hij stapte de droom uit...
... en werd wakker terwijl hij naar de zoldering staarde, terwijl zijn bezwete hemd tegen zijn huid plakte. De maan gaf een beetje licht door de vensters. Ergens in het dorp speelden enkele vedels de wilde dans van een ketellapper. Zij zouden niet vechten, maar ze hadden een manier gevonden om te helpen door met hun muziek de moed erin te houden.
Langzaam ging Perijn in de duisternis overeind zitten en trok hij zijn laarzen aan. Hoe moest hij doen wat gedaan moest worden? Het zou moeilijk zijn. Hij moest heel slim zijn. Hij betwijfelde of hij ooit zo sluw was geweest. Hij stond op en stampte zijn voeten goed in de laarzen.
Opeens hoorde hij buiten geschreeuw en een wegstervend gekletter van paardenhoeven, waardoor hij naar het raam liep en het omhoogschoof. Onder hem liepen de Gezellen verward rond. ‘Wat is er aan de hand?’ Dertig gezichten wendden zich naar hem omhoog en Ban Alseen gilde: ‘Het was heer Luc, heer Perijn. Hij reed bijna Wil en Tel overhoop. Ik denk dat hij ze niet eens zag. Hij zat helemaal in elkaar gezakt in zijn zadel, alsof hij gewond was, en hij spoorde zijn hengst aan of zijn leven ervan afhing, heer Perijn.’
Perijn trok aan zijn baard. Eerder op de avond was Luc zeker niet gewond geweest. Luc en... Slachter? Het was onmogelijk. De donkerharige Slachter leek wel een broer of neef van Lan, terwijl Luc met zijn glanzende blonde haar op iedereen kon lijken, zelfs iets van Rhand weg had. Luc en Slachter konden niet meer van elkaar verschillen. Maar toch... Die kille geur. Ze roken wel niet hetzelfde, maar beiden hadden die ijzige, bijna onmenselijke geur. Zijn oren vingen het geluid op van karren die op de Oudeweg opzij werden geschoven en geschreeuw om voort te maken. Zelfs als Ban en de Gezellen erheen zouden hollen, zouden ze de man niet meer kunnen inhalen. Hoeven kletterden snel naar het zuiden weg.
‘Ban!’ riep hij. ‘Als Luc zich weer vertoont, houd hem dan vast en bewaak hem.’ Hij wachtte lang genoeg om eraan toe te voegen: ‘En spreek me niet zo aan!’ voor hij het schuifraam met een klap omlaag trok. Luc en Slachter, Slachter en Luc. Hoe konden zij een en dezelfde zijn? Het was onmogelijk. Maar ja, amper twee jaar geleden zou hij ook niet echt in Schimmen en Trolloks hebben geloofd. Hij had nog tijd genoeg om daarover na te denken, mocht de man ooit in zijn handen vallen. Goed. Wachtheuvel en Devenrit en... Er konden mensen gered worden. Niet iedereen in Tweewater hoefde te sterven. Toen hij naar de gelagkamer liep, bleef hij boven aan de trap staan. Aram had op de onderste tree gezeten en stond nu op, keek naar hem op en wachtte om hem te volgen, waarheen hij ook ging. Gaul lag languit op een strozak bij de haard met een groot verband rond zijn linkerdij, blijkbaar diep in slaap. Faile en de twee Speervrouwen zaten met gekruiste benen vlak bij hem zachtjes te praten. Een veel grotere strozak lag aan de andere kant van het vertrek, maar Loial zat op een bank met zijn benen recht voor zich uit, zodat ze onder de tafel konden, bijna dubbelgebogen, ijverig te schrijven bij het licht van een kaars. Ongetwijfeld legde hij vast wat er tijdens hun tocht naar de saidinpoort was voorgevallen. En als Perijn Loial ook maar enigszins kende, dan zou de Ogier alle heldendaden aan Gaul toeschrijven. Loial leek zijn daden nooit moedig te vinden of de moeite van het opschrijven waard. Andere mensen waren er niet. Hij kon nog steeds de vedels horen spelen. Hij meende het liedje te kennen. Het was geen lied van de ketellappers. Mijn liefde is een wilde roos. Faile keek op toen Perijn de trap af liep en stond lenig op om zich bij hem te voegen. Aram ging weer zitten toen Perijn niet naar de deur liep.
‘Je hemd is nat,’ zei Faile beschuldigend. ‘Je hebt er dus toch in geslapen, hè? En het zou me niet verbazen als je ook je laarzen hebt aangehouden. Je bent nog geen uur in bed geweest. Zorg dat je boven komt voor je omvalt.’
‘Heb je Luc zien vertrekken?’ vroeg hij. Haar mond verstrakte, maar soms was haar woorden negeren de enige manier. Als ze een meningsverschil hadden, won ze veel te vaak.
‘Hij rende zojuist hierlangs en schoot door de keuken weg,’ zei ze eindelijk. Dat waren de woorden, maar haar toon maakte duidelijk dat ze nog niet klaar was met hem en zijn slapen. ‘Leek hij... gewond?’