Выбрать главу

Faile legde haar handen om de zijne. ‘Ik, Zarine Bashere...’ Dat was een verrassing, ze had een hekel aan die naam. ‘... schenk je mijn liefde, Perijn Aybara...’ Haar handen trilden geen enkele keer.

54

Het paleis in

Elayne zat op de rand van de bak boven de hoge wielen van een kar die achter vier zwetende mannen over de kasseien van een kronkelige Tanchicaanse straat hotste. Ze keek narrig rond boven de vuile sluier die haar gezicht van haar ogen tot de kin bedekte en liet haar blote voeten geërgerd heen en weer zwaaien. Iedere schok over de straatstenen dreunde door tot haar kruin. Hoe meer ze zich schrap zette door zich aan de ruwe planken vast te houden, hoe erger het was. Het leek Nynaeve niet te deren. Ze wipte net als Elayne op en neer, met een lichte frons en peinzende ogen, maar het leek amper tot haar door te dringen. En Egeanin, die aan de andere kant van Nynaeve zat geperst, eveneens gesluierd en met haar donkere haar in schouderlange vlechten, ving met over elkaar geslagen armen elke schok gemakkelijk op. Ten slotte nam Elayne de houding van de Seanchaanse over. Daarmee voorkwam ze niet dat ze tegen Nynaeve aanzwaaide, maar ze had niet meer het gevoel dat haar ondertanden door haar boventanden werden geslagen.

Ze had liever willen lopen, maar Baile Domon had gezegd dat zoiets gek zou lijken. De mensen zouden zich afvragen waarom de vrouwen niet meereden, terwijl er voldoende ruimte was, en de aandacht trekken was wel het laatste wat ze wilden. Natuurlijk werd hij niet als een zak knollen rondgeschud. Hij liep voor de kar uit, met tien van de twintig scheepsmaten die hij voor begeleiding had meegenomen. Meer mannen zou verdacht lijken, beweerde hij. Ze vermoedde dat hij er zonder de vrouwen nog minder bij zich zou hebben. De wolkeloze hemel strekte zich grijs boven hun hoofden uit, hoewel bij hun vertrek het eerste licht in de verte reeds omhoog kroop. De straten lagen er grotendeels verlaten bij; het was stil, afgezien van de rammelende kar met zijn piepende wielen. Als de zon aan de einder opkwam, zouden mensen zich naar buiten wagen, maar nu zag ze slechts enkele groepjes mannen in ruime broeken en donkere hoog-ronde hoeden. Ze bewogen zich stiekem rond, alsof ze in het nachtelijk duister weinig goeds hadden uitgespookt. Het oude zeil over de lading was zorgvuldig zo neergelegd dat iedereen kon zien dat er slechts drie manden onder stonden. Desondanks bleef af en toe zo’n groepje staan, als een troep honden tegelijk opkijkend, terwijl hun ogen boven de sluiers de kar volgden. Blijkbaar waren twintig man met kortelassen en knuppels te veel voor een overval, omdat uiteindelijk iedereen zich verder haastte.

De wielen ploften in een grote kuil waar tijdens een rel de straatstenen waren opgegraven, en de kar schoot onder haar omlaag. Ze beet bijna in haar tong toen haar achterste en de karbodem elkaar met een harde klap ontmoetten. Egeanin kon haar wat, met haar achteloze, over elkaar geslagen armen! Ze greep de rand van de kar beet, keek fronsend naar de Seanchaanse en zag dat die ook haar lippen op elkaar had geperst en zich met beide handen vasthield. ‘Toch niet helemaal hetzelfde als een scheepsdek,’ zei Egeanin schouderophalend.

Nynaeve grimaste en probeerde van haar weg te schuiven, maar hoe ze dat wilde klaarspelen zonder op Elaynes schoot te belanden, snapte de erfdochter niet. ‘Ik zal met baas Baile Domon eens een hartig woordje wisselen,’ mompelde ze veelbetekenend, alsof zij niet zelf het idee van de kar had geopperd. Een nieuwe schok liet haar tanden weer op elkaar klappen.

Ze droegen alledrie grauwbruine wol. Niet zo dik, maar grof geweven en niet erg schoon. Deze kleren van arme boerenvrouwen leken wel vormeloze zakken vergeleken met de strakke zijden gewaden waar Rendra de voorkeur aan gaf. Ze wilden de indruk geven van vluchtelingen van het platteland die ergens wat eten wilden verdienen. Egeanin had haar kleren met zichtbare opluchting aangepakt, maar haar aanwezigheid op de kar was bijna even gek. Elayne had niet gedacht dat zoiets mogelijk zou zijn.

Er was nogal wat overleg geweest – zo hadden de mannen het tenminste genoemd – in het Vertrek van de Vallende Bloesems, maar Nynaeve en zij hadden hun dwaze tegenwerpingen vaak afgewezen en de rest genegeerd. Zij tweeën moesten het Panarchenpaleis in, en wel zo snel mogelijk. Op dat punt had Domon weer een bezwaar geopperd, maar niet zo stom als de andere.

‘Alléén kunnen jullie zeker niet het paleis in,’ mopperde de bebaarde smokkelaar, naar zijn vuisten op de tafel starend. ‘Jullie zeggen nou wel dat je om die Zwarte Aes Sedai niet te waarschuwen alleen in het uiterste geval zult geleiden.’ – De drie vrouwen hadden het niet nodig gevonden de Verzaker te noemen. – ‘Maar dan dien je over spierkracht te beschikken om in geval van nood een knuppel rond te zwaaien, en ogen die je in de rug bewaken, zijn ook met overbodig. De bedienden kennen mij. Ik heb al geschenken aan de panarch gegeven. Ik ga met jullie mee.’ Hoofdschuddend gromde hij: ‘Jullie leggen mooi mijn nek op het beulsblok omdat ik jullie in Falme in de steek heb gelaten. Het Fortuin mag me steken, maar jullie doen het! Nou, ik kan het nu goedmaken, hiertegen kunnen jullie geen bezwaar maken! Ik ga met jullie mee naar binnen.’

‘Je bent een dwaas, Illianer,’ zei Juilin minachtend, voor zij of Nynaeve iets had kunnen zeggen. ‘Denk je echt dat jij van die Taraboners zomaar door het paleis rond mag zwerven? Een harige smokkelaar uit Illian? Ik weet tenminste hoe bedienden denken, ik ken de hoofdbuiging en ik kan ervoor zorgen dat zo’n leeghoofdige paleisbewoner denkt...’ Hij schraapte haastig zijn keel en praatte snel door zonder Elayne aan te kijken. ‘Ik hoor met ze het paleis binnen te gaan.’ Thom lachte de twee mannen uit. ‘Denken jullie echt dat je voor een Taraboner door kunt gaan? Ik kan dat wel en in geval van nood past dit best goed.’ Met zijn knokkels streek hij over zijn snor. ‘Bovendien kun je in het Panarchenpaleis niet rondrennen met een knuppel of een vechtstok. Een meer... verfijnde aanpak van bescherming is vereist.’ Hij wapperde met een hand en opeens draaide er een mes tussen zijn vingers rond, dat even snel weer verdween. Terug in z’n mouw, vermoedde Elayne.

‘Jullie weten wat je doen moet,’ snauwde Nynaeve, ‘en dat kunnen jullie niet als jullie je gedragen als een stel ganzenhoeders op weg naar de markt.’ Ze haalde diep adem en ging zachter gestemd verder: ‘Als er een manier was, zou ik meer ogen best op prijs stellen, maar het is niet mogelijk. We moeten alleen gaan, lijkt me, en dat is het laatste wat ik erover zeg.’

‘Ik kan met jullie mee,’ verkondigde Egeanin onverwachts vanuit de hoek van de kamer waar Nynaeve haar had neergezet. Iedereen draaide zich om en keek haar aan. Ze keek fronsend terug alsof ze er zelf niet helemaal zeker van was. ‘Die vrouwen zijn Duistervrienden. Ze moeten terechtstaan.’

Elayne was verbijsterd over haar aanbod, maar Nynaeve wees met witte rimpels rond de mondhoeken de vrouw al met striemende woorden af. ‘Denk je echt dat we jou zouden vertrouwen, Seanchaanse?’ zei ze kil. ‘Voor ons vertrek sluiten we je veilig op in een voorraadkamer, al zal er ook nog zoveel gepraat...’

‘Ik zweer een eed bij mijn hoop op een hogere naam,’ onderbrak Egeanin haar en legde beide handen op haar hart, de ene over de andere, ‘dat ik jullie op geen enkele manier zal verraden, dat ik jullie zal gehoorzamen en je in de rug zal beschermen tot jullie veilig het Panarchenpaleis verlaten hebben.’ Toen maakte ze driemaal een diepe vormelijke buiging. Elayne had geen enkel idee wat ‘hoop op een hogere naam’ betekende, maar het klonk als een zware gelofte van de Seanchaanse.

‘Ze kan het,’ zei Domon, traag en met tegenzin. Hij keek naar Egeanin en schudde zijn hoofd. ‘Het Fortuin mag me steken als ik voor een gevecht tegen haar twee of drie man kan vinden waarop ik een munt zou durven inzetten.’

Nynaeve keek fronsend naar haar hand die weer een tiental lange vlechten beet had en gaf er toen heel nadrukkelijk een ruk aan. ‘Nynaeve,’ zei Elayne onverzettelijk, ‘je hebt zelf gezegd dat je graag over meer ogen wil beschikken. Ik in ieder geval wel. Als we bovendien niet mogen geleiden, zou ik het niet erg vinden als er iemand is die zonodig een argwanende wacht kan aanpakken. Ik ben er niet de persoon naar om met mannen op de vuist te gaan en jij evenmin. Je weet dat ze goed kan vechten.’