Nynaeve wierp een boze blik op Egeanin, keek fronsend naar Elayne en staarde toen de mannen aan alsof die dit alles achter haar rug hadden beraamd. Ten slotte knikte ze.
‘Goed,’ zei Elayne. ‘Baas Domon, dat betekent kleding voor drie, niet twee. Nou, jullie drie kunnen er maar beter vandoor gaan. Bij het aanbreken van de dag willen we op weg zijn.’
De kar kwam met een schok tot stilstand en maakte een eind aan Elaynes gepeins.
Witmantels te voet ondervroegen Domon. Hier kwam de straat uit op een plein achter het Panarchenpaleis, veel kleiner dan het plein aan de voorkant. Voor hen verhief het paleis zich met zuilen van wit marmer onder slanke, met fraai steenwerk bekroonde torens, sneeuwwitte koepels en torenspitsen met pieken of weervanen, allemaal met veel verguldsel. De straten hier waren veel breder en rechter dan de andere straten in Tanchico.
Langzaam stappende paardenhoeven op de grote pleintegels kondigden een ruiter aan, een grote man in een glanzende wapenrusting onder een witte mantel met een gouden zonnekrans en vuurrode herdersstaf. Elayne boog het hoofd. De vier rangknoppen onder de vlammende zon maakten duidelijk dat het Jaichim Carridin was. De man had haar nooit gezien, maar als hij dacht dat ze hem aangaapte, zou hij zich afvragen waarom. De hoeven kletterden verder over het plein en stopten niet.
Egeanin hield eveneens haar hoofd omlaag, maar Nynaeve keek openlijk fronsend de Inquisiteur na. ‘Die man maakt zich ergens heel veel zorgen over,’ mompelde ze. ‘Ik hoop dat hij niet heeft gehoord...’
‘De panarch is dood!’ schreeuwde ergens een mannenstem over het plein. ‘Ze hebben haar vermoord!’
Het was niet te zien wie het had geroepen en waar. De straten die Elayne kon overzien, waren door Witmantels te paard afgesloten. Ze keek omlaag, de hellende straat in waar ze doorheen waren gereden en wilde dat de wachten zouden opschieten met Domon te ondervragen. Bij de eerste bocht verzamelden zich mensen die ronddrentelden en naar het plein keken. Thom en Juilin leken de afgelopen nacht goed werk te hebben geleverd met het verspreiden van de geruchten. Nu was het te hopen dat het niet tot een uitbarsting zou komen terwijl zij er nog middenin zaten. Als er nu een opstootje kwam... Alleen doordat ze zich stevig aan de karrand vasthield, voorkwam ze dat haar handen begonnen te beven. Licht, hier op het plein een opstandige menigte, in het paleis de Zwarte Ajah, wellicht Moghedien... Ik ben zo bang dat m’n mond helemaal droog is. Nynaeve en Egeanin hielden de aangroeiende menigte in de straat achter hen in de gaten. Ze knipperden niet eens met hun ogen en beefden nog minder. Ik wil geen lafaard zijn. Zeker niet!
De kar ratelde verder en ze slaakte een zucht van opluchting. Het duurde even voor het tot haar doordrong dat de twee andere vrouwen precies hetzelfde hadden gedaan.
Bij de poorten, die niet veel breder waren dan de kar, werd Domon opnieuw ondervraagd, nu door mannen met punthelmen en borstplaten die een geschilderde gouden boom vertoonden. Soldaten van het panarchenlegioen. Ditmaal waren de vragen korter. Elayne meende te zien hoe een kleine beurs van eigenaar verwisselde, en toen ratelde de kar verder over het ruw bestrate erf voor de keukens. Op Domon na bleven de scheepsmaten buiten bij de soldaten wachten.
Elayne sprong van de stilstaande kar en liet haar blote voeten aan de stenen wennen. De ongelijke stenen waren hard. Ze kon maar moeilijk geloven dat de dunne zool van een muiltje zoveel verschil uitmaakte. Egeanin kroop wat verder de wagen op om de manden door te geven. Nynaeve nam de eerste op de schouder, een hand eronder en de andere boven aan de rand. De manden lagen vol lange witte pepers die wat rimpelig waren na de lange reis uit Saldea. Toen Elayne haar mand aanpakte, kwam Domon aanlopen en deed net of hij de pepers bekeek. ‘De Witmantels en het panarchenlegioen lijken bijna slaags met elkaar,’ mompelde hij, aan de pepers voelend. ‘Die onderkapitein zei dat het legioen de panarch best zelf kon beschermen als het grootste deel niet naar de ringburchten was gestuurd. Jaichim Carridin heeft toegang tot de panarch, maar de kapiteinheer van het legioen niet. En ze zijn er niet al te blij mee dat binnen alleen de burgerwacht mag komen. Een achterdochtig man zou kunnen zeggen dat iemand liever heeft dat de wacht van de panarch zichzelf bewaakt dan haar.’
‘Goed dat we dat weten,’ fluisterde Nynaeve zonder hem aan te kijken. ‘Ik heb altijd al gezegd dat je veel nuttigs kunt opsteken van mannenroddel.’
Domon gromde zuur. ik ga met jullie naar binnen. Daarna moet ik terug naar mijn mannen en ervoor zorgen dat ze in de menigte bij elkaar blijven.’ Domon had rond het paleis mannen van zijn schepen in de haven verzameld.
Met de mand op haar schouder volgde Elayne de andere twee vrouwen. Ze hield haar hoofd gebogen en kreunde bij iedere stap, tot ze op de roodbruine keukentegels stond. De geuren van kruiden, gebraden vlees en sausjes vulden het vertrek.
‘IJspepers voor de panarch,’ verkondigde Domon. ‘Een geschenk van Baile Domon, een scheepseigenaar van aanzien van deze stad.’
‘Nog meer ijspepers?’ vroeg een forse vrouw met donkere vlechten in een wit schort en met de gebruikelijke sluier. Ze keek amper op van een zilveren dienblad, waarop ze kunstig een wit tafeldoekje vouwde tussen schalen van dun gouden Zeevolkporselein. Er waren ruim tien andere vrouwen met schorten in de keuken, evenals enkele jongens die druipend vlees aan de spitten ronddraaiden in twee van de zes schouwen, maar zij was duidelijk de eerste kokkin. ‘Nou ja, de panarch schijnt te hebben genoten van de vorige zending. Zet ze maar in de voorraadkamer daar.’ Ze gebaarde vaag naar een van de deuren aan de andere kant van de keuken. ‘Ik heb nu geen tijd om me met jullie bezig te houden.’
Elayne hield haar ogen op de tegels gericht toen ze zwetend achter Nynaeve en Egeanin aanliep, al kwam dat niet van de hitte van de ijzeren ovens en haarden. Een magere vrouw in een groenzijden gewaad dat niet in de Taraboonse stijl was gesneden, stond naast een brede tafel en krabde achter de ooitjes van een magere grijze kat die room uit een porseleinen schaaltje likte. De kat verried haar, net als het magere gezicht en de brede neus. Marillin Gemalfin, vroeger van de Bruine Ajah, nu een Zwarte zuster. Als ze van de kat op zou kijken, als ze zich bewust werd van hun aanwezigheid, zou ze ook zonder geleiden meteen ontdekken dat twee van de drie vrouwen met manden geleidsters waren. Van zo dichtbij kon de vrouw het gewoon voelen. Zweet druppelde van het puntje van Elaynes neus tegen de tijd dat ze de voorraadkamer met haar heup dicht duwde. ‘Heb je haar gezien?’ siste ze zachtjes terwijl ze haar mand half en half op de grond liet vallen. Uitgespaarde gaten in de witgepleisterde muur vlak onder het plafond lieten een vaag licht van de keukens door. Op de vloer van de enorme ruimte stonden grote schragen achter elkaar, afgeladen vol met zakken, netten vol groenten en grote kruiken met spijzen. Overal stonden vaten en kisten en aan haken hingen wel tien geslachte schapen en tweemaal zoveel ganzen. Volgens de ruwe schetsen die Domon en Thom samen hadden gemaakt, was dit de kleinste voorraadkamer van het paleis. ‘Dit is walgelijk,’ zei ze. ik weet dar Rendra een goede voorraad voor haar keuken in stand houdt, maar zij koopt tenminste alleen wat ze nodig heeft. Die mensen hier feesten en...’
‘Bewaar je zorg voor later, wanneer je er wat aan kunt doen,’ siste Nynaeve haar scherp toe. Ze had haar mand op de vloer omgekeerd en trok haar ruwe boerenkleren uit. Egeanin stond al in haar onderkleding. ik heb haar ook gezien. Als je wilt dat ze komt kijken waar al dat lawaai vandaan komt, moet je vooral doorpraten.’ Elayne snoof maar liet het daarbij. Zoveel herrie had ze toch niet gemaakt. Ze trok haar eigen kleren uit en gooide de pepers uit haar mand. Ze greep de witte kleding van fijngesponnen wol met een groene band, die daaronder verborgen had gelegen. Links op de borst was een groene boom geborduurd met breed uitwaaierende takken op de omtrek van een drievoudig blad. Haar smerige sluier werd vervangen door een schone, van geschraapt linnen dat bijna net zo dun was als zijde. De witte muiltjes met dikke zolen voelden heerlijk aan haar voeten, die van de wandeling van de kar naar de keuken al pijn deden. De Seanchaanse was als eerste uitgekleed, maar was als laatste in de nieuwe witte kleren, terwijl ze de hele tijd dingen mompelde als ‘onbetamelijk’ en ‘dienstmeiden’, wat Elayne niet snapte. De kleren waren van dienstmeisjes. Het hele punt was dat bedienden overal konden komen en dat een paleis er zoveel had dat niemand zou merken dat er drie meer waren. En wat dat onbetamelijke betrof... Elayne wist nog dat zij had geaarzeld om die Taraboonse kleding op straat te dragen, maar ze was er snel aan gewend geraakt en zelfs deze fijne wol kleefde minder aan haar huid vast dan zijde. Egeanin leek heel strenge ideeën te hebben over wat gepast en ongepast was.