Выбрать главу

Maar uiteindelijk zat al het kantwerk zoals de vrouw het wilde hebben en waren de boerenkleren onder de ijspepers in de manden gestopt.

Marillin Gemalfin was niet meer in de keuken, hoewel de langharige grijze kat nog steeds room stond te likken op de tafel. Elayne en de andere twee begaven zich naar de deur die naar de andere vertrekken van het paleis leidde.

Een van de hulpkokkinnen stond fronsend naar de kat te kijken met haar vuisten op de gevulde heupen. ‘Wat zou ik die kat graag kelen,’ mompelde ze en haar lichtbruine vlechten zwaaiden heen en weer toen ze kwaad het hoofd schudde. ‘Dat vreet maar room en als ik bij het ontbijt op mijn bessen ook maar een druppeltje room gebruik, mag ik het verder met water en brood doen!’

‘Prijs jezelf gelukkig dat je niet op straat rondzwerft of aan de galg hangt.’ De hoofdkokkin voelde niet met haar mee. ‘Als een vrouwe zegt dat het diefstal is, is dat zo, al is het maar de room voor haar katten, nietwaar? Jullie daar!’

Elayne en haar vriendinnen verstijfden bij de schreeuw. De vrouw met de donkere vlechten zwaaide met een lange pollepel. ‘Dat komt zomaar mijn keuken in en drentelt maar rond alsof je in een tuin bent. Stelletje luie zeugen. Jullie komen het ontbijt van vrouwe Ispan halen, nietwaar? Als het niet klaar staat als ze wakker wordt, zullen jullie ervan lusten. Komt er nog wat van?’ Ze gebaarde naar het zilveren dienblad waar ze eerder aan had gewerkt en dat nu met een sneeuwwitte linnen doek was toegedekt.

Ze konden niets zeggen. Als ze hun mond open zouden doen, zou bij de eerste woorden hoorbaar zijn dat ze niet uit Tarabon kwamen. Elayne reageerde snel, zakte als een dienstertje even door een knie en pakte het blad op. Een bediende met een blad was bezig met haar werk en zou waarschijnlijk niet worden tegengehouden of iets anders krijgen opgedragen. Vrouwe Ispan? Geen ongewone naam in Tarabon, maar op de lijst van Zwarte zusters stond ook een Ispan. ‘De spot met mij drijven, hè, kleine zeug,’ bulderde de stevige vrouw en wilde om de tafel heen lopen, waarbij ze dreigend met haar pollepel zwaaide.

Ze konden niets doen of ze zouden zichzelf verraden. Ze konden daar blijven staan en een klap krijgen of ervandoor gaan. Elayne schoot met het dienblad de keuken uit en Nynaeve en Egeanin volgden haar op de hielen. Het geroep van de kokkin achtervolgde hen, maar gelukkig niet de kokkin zelf. Elayne zag in gedachten drie hollende vrouwen in het paleis die door de forse vrouw werden achtervolgd, en ze had zin om te giechelen. Haar bespotten? Ze wist zeker dat het precies zo’n révérence was geweest als haar eigen bedienden duizenden keren hadden gemaakt.

Aan weerszijden van de smalle gang lagen nog meer opslagruimten en kasten voor bezems en dweilen, emmers en zeep, linnen voor de tafels en alle mogelijke andere spullen. Nynaeve vond een dikke stoffer van veren in een kast. Egeanin pakte een armvol handdoeken uit een andere en een dikke stenen vijzel in een derde. Ze verborg de vijzel onder de handdoeken.

‘Een knuppel is soms handig,’ zei ze toen Elayne een wenkbrauw optrok. ‘Vooral wanneer niemand erop rekent dat je er een hebt.’ Nynaeve snoof, maar zei niets. Sinds ze ermee had ingestemd dat Egeanin meeging, had ze amper laten merken dat de Seanchaanse ook meehielp.

Dieper in het paleis werden de gangen breder en hoger. De witte wanden vertoonden sierlijke friezen en de plafonds waren afgezet met glimmende vergulde krullen. Er lagen lange felgekleurde tapijten op de witte gangtegels. Fraaie gouden lampen op vergulde standaards verspreidden licht en de geur van fijne oliën. Soms kruiste de gang een binnenhof, omgeven door wandelpaden met slanke geribbelde zuilen, waarop balkons met fijn gebeeldhouwde balustrades uitkeken. Rond grote fonteinen zwommen rode, witte en gouden vissen onder waterlelies met enorme bloemen. Dit leek een andere wereld dan de stad Tanchico zelf.

Zo nu en dan kwamen ze andere bedienden tegen. Mannen en vrouwen in het wit, met de boom en het blad op de linkerborst geborduurd, die zich voortrepten voor hun taak. Of mannen in de grijze jassen en met de stalen hoofddeksels van de burgerwacht, gewapend met een vechtstok of knuppel. Niemand sprak hen aan, niemand keek echt goed. Niet naar drie dienstmeiden aan het werk. Eindelijk kwamen ze bij de smalle bediendentrap die op hun plattegrond was aangegeven.

‘Denk eraan,’ zei Nynaeve stil, ‘als er bij haar deur een wacht staat, gaan jullie weg. Als ze niet alleen is, gaan jullie weg. We komen op de eerste plaats voor die dingen in de zaal, niet voor haar.’ Ze haalde diep adem en dwong zich Egeanin aan te kijken. ‘Als haar iets overkomt en jij...’

Buiten klonk vaag het geluid van een trompet. Even later galmde er binnen een gong en werden er bevelen geschreeuwd, waarna aan het eind van de gang mannen met stalen hoofddeksels langs holden. ‘Misschien hoeven we ons nu geen zorgen meer te maken over een schildwacht bij haar deur,’ zei Elayne. Thom en Juilin zouden geruchten verspreiden om de massa op te stoken, zodat de straten rond het paleis in vuur en vlam zouden staan en Domons bootslieden zouden het vuurtje aanwakkeren. Ze betreurde de noodzaak, maar de wanordelijkheden zouden de meeste wachten uit het paleis lokken, misschien allemaal, als ze geluk hadden. Die mensen in de stad wisten het wel niet, maar ze vochten om hun stad van de Zwarte Ajah te redden en de wereld van de Schaduw. ‘Egeanin kan beter met jou meegaan, Nynaeve. Jouw aandeel is het belangrijkst. Als iemand van ons in de rug gedekt moet worden, ben jij het.’

‘Ik heb geen behoefte aan een Seanchaanse.’ Ze legde haar stofpluim als een lans op haar schouder en beende verder de gang in. Ze bewoog niet echt als een dienstmeid. Niet met die soldatenpas. ‘Zullen we onze eigen taak uitvoeren?’ vroeg Egeanin. ‘Het opstootje zal niet zo lang de aandacht opeisen.’

Elayne knikte. Nynaeve was al om de hoek uit het zicht verdwenen. De trappen waren smal en lagen in de muren verborgen om de bedienden zoveel mogelijk uit het zicht te houden. De gangen op de eerste verdieping waren vrijwel gelijk aan die op de begane grond, al zouden de dubbele spitsbogen hier waarschijnlijk toegang geven tot een fraai balkon of een groot vertrek. Er leken veel minder bedienden te zijn, toen ze zich naar de westelijke hoek van het paleis begaven en niemand lette op hen. Gelukkig was de gang voor de vertrekken van de panarch verlaten. Er stond geen wacht voor de brede deuren, met hun houtsnijwerk in de vorm van een boom onder een lijst met een dubbele spits. Niet dat ze van plan was geweest om zich voor een wacht terug te trekken, wat Nynaeve ook gezegd had, maar het maakte alles eenvoudiger.

Even later was ze er niet meer zo zeker van. Ze kon voelen dat iemand geleidde in het vertrek. Geen sterke stromen, maar er werd saidar geweven, of misschien werd een weefsel in stand gehouden. Er waren maar weinig vrouwen die de kunst verstonden een weving te verknopen.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Egeanin.

Elayne besefte dat ze was blijven staan. ‘Daarbinnen zit een Zwarte zuster.’ Een of meer? Er was in ieder geval een geleidster. Ze drukte haar oor tegen de deuren aan. Er was een vrouw aan het zingen. Ze legde opnieuw haar oor tegen het houtsnijwerk en hoorde grove taal, gedempt maar nog goed verstaanbaar.