Ze klom over het polsdikke witzijden koord en raakte de brede aaneengeklonken kraag aan. Leed. Doodsangst. Pijn. Ze golfden zo sterk door haar heen dat ze wilde huilen. Wat was dit voor ding dat zoveel pijn kon opnemen? Ze trok haar hand terug en keek woest naar het zwarte metaal. Bedoeld om een geleider te overheersen. Liandrin en haar Zwarte zusters wilden het gebruiken om Rhand te beheersen, hem tot de Schaduw te keren, hem te dwingen de Duistere te dienen. Iemand uit haar eigen dorp, beheerst en gebruikt door Aes Sedai! Zwarte Ajah, maar toch Aes Sedai, net als Moiraine met haar plannetjes! Egeanin! Ik voel me een smerige Seanchaanse! Verbaasd drong het tot haar door waar ze opeens aan dacht en ze besefte dat ze zich bewust boos maakte, boos genoeg om te geleiden. Ze omhelsde de Bron en de Kracht vulde haar. Een dienster met het boom-en-blad wapen op haar kleding kwam de zuilenzaal binnen. Trillend van de drang om te geleiden, wachtte Nynaeve af, terwijl ze nadrukkelijk met de veren de halsketting en armbanden afstofte. Het dienstmeisje kwam over de lichtgekleurde tegels naar haar toe; ze zou zo weer weggaan en dan kon Nynaeve... Ja wat? De dingen in haar riembuidel laten glijden en meenemen, maar – Waarom zou de vrouw weggaan? Waarom dacht ik dat ze weg zou gaan en niet zou gaan werken? Ze keek opzij naar de naderende vrouw. Natuurlijk, geen veger, geen dweil, geen veren stoffer, zelfs geen stofdoek. Waarvoor ze ook hier is, het kan niet al te lang... Opeens zag ze het gezicht van de vrouw duidelijk. Sterk en knap, omlijst door donkere vlechten, vriendelijk glimlachend zonder echt aandacht aan haar te besteden. Zeker op geen enkele manier bedreigend. Niet helemaal hetzelfde gezicht, maar ze kende haar. Zonder verder nadenken sloeg ze toe, weefde een mokerharde slag van Lucht om dat gezicht te treffen. Op hetzelfde ogenblik omhulde de gloed van saidar de andere vrouw. Haar gezicht veranderde; op de een of andere manier werd het koninklijker en trotser. Ze herkende het gezicht van Moghedien, dat geschrokken keek en verbaasd dat ze niet ongemerkt had kunnen naderen. Nynaeves stroom werd haarfijn en messcherp doorkliefd. Ze wankelde door de felle slag achteruit, alsof ze lijfelijk geslagen werd en de Verzaker sloeg toe met een ingewikkeld weefsel van Geest met stromen Water en Lucht. Nynaeve had geen idee wat ermee gedaan kon worden, maar ze probeerde uit alle macht het door te snijden, zoals ze de andere vrouw had zien doen met een scherp web van Geest. Een hartenklop lang voelde ze liefde, toewijding en eerbied voor de prachtige vrouw die zich zou verwaardigen haar toe te staan...
Het ingewikkelde web deelde zich en Moghedien struikelde bijna. Een vlek bleef in Nynaeves geest achter, als een verse herinnering aan de wens te gehoorzamen, te buigen en hoffelijk te zijn. Alles wat er bij hun eerste ontmoeting was gebeurd, dreigde zich te herhalen, wat haar haat nog vergrootte. Het messcherpe schild waarmee Egwene Amico Nagoyin had gestild, kwam abrupt tot leven, meer een wapen dan een schild. Het zwiepte op Moghedien af... en werd geblokkeerd. Weefsels van Geest worstelden met weefsels van Geest, net te weinig om Moghedien voor altijd van de Bron af te schermen. Weer kwam het antwoord van de Verzaken, als een vlijmscherpe bijl, met de bedoeling Nynaeve op dezelfde manier af te snijden. Voor altijd. Uit alle macht blokkeerde Nynaeve dat.
Opeens besefte ze dat ze onder al haar kwaadheid doodsbang was. Moghediens poging om haar te stillen, terwijl zij hetzelfde probeerde, kostte al haar kracht. De Kracht kookte tot ze het gevoel had te barsten. Haar knieën trilden van inspanning om zich staande te houden. En alles vloeide in die twee dingen. Ze had amper wat over om een kaarsje aan te steken. Moghediens bijl van Geest groeide en verzwakte in scherpte, maar dat was niet belangrijk. Nynaeve zag maar weinig verschil tussen stilling en slechts – slechts! – afgeschermd te worden door die vrouw zodat zij aan de genade van de Verzaker was overgeleverd. Het wapen veegde langs de stroom van Kracht uit de Bron als een mes dat weifelend boven de uitgestrekte nek van een kip hangt. Het beeld paste veel te goed. Ze wou maar dat ze er niet aan had gedacht. Ergens achter in haar hoofd krijste een bibberend stemmetje. O, Licht, laat het niet toe. Laat het haar niet doen’. Alsjeblieft, alsjeblieft, dat niet!
Heel even overwoog ze haar eigen poging om Moghedien af te snijden op te geven — de voornaamste reden was wel dat ze het telkens opnieuw moest aanscherpen, want haar weefsel wilde de scherpte niet vasthouden – om het schild los te laten en met die kracht Moghediens aanval terug te slaan, misschien wel af te kappen. Maar als ze dat probeerde, zou de andere vrouw zich niet hoeven te verdedigen en kon die de Kracht weer aan haar eigen aanval toevoegen. En dit was een Verzaker. Geen gewone Zwarte zuster. Een vrouw die in de Eeuw der Legenden een Aes Sedai was geweest, toen de Aes Sedai dingen konden waar ze nu alleen maar over droomden. Als Moghedien al haar kracht tegen haar inzette...
Als er op dat moment een man was binnengekomen of een vrouw die niet kon geleiden, zou deze slechts twee vrouwen hebben gezien die amper tien pas van elkaar af stonden, met een witzijden koord tussen hen in. Twee elkaar aanstarende vrouwen in een enorme zaal vol vreemde voorwerpen. Ze zouden aan niets kunnen zien dat dit een tweegevecht was. Er werd niet gesprongen en met zwaarden geslagen zoals mannen zouden doen, niets ging stuk of werd verpletterd. Slechts twee vrouwen tegenover elkaar. Maar desondanks een strijd, misschien tot de dood. Tegen een Verzaker.
‘Al mijn zorgvuldige plannetjes tenietgedaan,’ zei Moghedien opeens met een strakke boze stem, terwijl haar handen met witte knokkels haar rok vastgrepen. ‘Op z’n minst zal ik een onnoemelijke inspanning moeten leveren om alles weer te herstellen. Misschien is dat niet mogelijk. O, ik ben echt van plan jou daarvoor te laten boeten, Nynaeve Almaeren. Dit was zo’n gezellig schuilhoekje en die blinde vrouwen hebben een aantal zeer nuttige dingetjes in hun bezit, zelfs al kunnen ze die niet...’ Ze schudde het hoofd en haar lippen vertrokken tot een snauw. ‘Ik denk dat ik je deze keer maar meeneem. Ik weet al wat. Ik zal je houden als een levend opstapje als ik uitrijd. Je zult naar buiten gebracht worden om mij op handen en knieën een opstapje te geven als ik in het zadel wil stappen. Of wellicht geef ik je aan Rahvin. Die betaalt altijd gunsten terug. Hij heeft nu een mooi koninginnetje om zich mee te vermaken, maar mooie vrouwtjes zijn altijd al Rahvins zwakheid geweest. Hij vindt het fijn er twee, drie of vier bij de hand te hebben die om hem heen dansen en hem terwille zijn. Zou je dat niet leuk vinden? De rest van je leven vechten om Rahvins gunsten? Daar zul je naar verlangen als hij jou bezit. Hij heeft zo zijn kunstjes. Ja, ik denk dat Rahvin je mag hebben.’
Woede stroomde omhoog in Nynaeve. Zweet stroomde langs haar gezicht en haar benen trilden, alsof ze op het punt stond om in elkaar te zakken, maar haar woede gaf haar kracht. Woest slaagde ze erin haar wapen van Geest tegen Moghedien een haartje dichterbij te duwen voor de vrouw het opnieuw tot stilstand kon brengen. ‘Dus je hebt dat juweeltje achter je gevonden,’ zei Moghedien op een moment van wankel evenwicht. Het was verbazingwekkend, maar haar stem klonk of ze op de thee gekomen was. ik vraag me af hoe je dat hebt klaargespeeld. Doet er niet toe. Kwam je het weghalen? Wilde je het vernietigen? Je kunt het niet kapotmaken. Dat is geen metaal, maar een vorm van cuendillar. Zelfs lotsvuur kan cuendillar niet vernietigen. En als je van plan bent het te gebruiken; het heeft enkele... nare eigenschappen, zullen we zeggen. Als je die halsketting om een geleider doet, kan een vrouw met die armbanden weliswaar alles met de man doen, maar het voorkomt niet dat hij krankzinnig wordt. Bovendien gaat er ook een stroom de andere kant op. Uiteindelijk zal hij jou ook overheersen, dus loopt dat uit op voortdurende strijd. Niet erg aanlokkelijk als hij krankzinnig wordt. Natuurlijk kun je de armbanden doorgeven, zodat niemand er te lang aan wordt blootgesteld, maar dat betekent dat je hem aan iemand anders overdraagt. Mannen zijn altijd zo goed in geweld; het zijn prachtige wapens. Je kunt ook twee vrouwen zo’n armband om laten doen, als je iemand kent die je vertrouwt. Dat vertraagt de terugstroom aanzienlijk, heb ik begrepen, maar het zorgt ook voor minder beheersing, zelfs als jullie in volmaakte eendracht samenwerken. Uiteindelijk merk je dat je met hem in een strijd om de heerschappij bent verwikkeld en voelen jullie je genoodzaakt de armband af te doen, net zoals hij jullie nodig heeft om de halsketting te verwijderen.’ Ze keek op en trok vragend een wenkbrauw op. ‘Je kunt dit toch wel volgen, hoop ik? Het beheersen van Lews Therin – of Rhand Altor, zoals hij nu wordt genoemd – zou heel nuttig kunnen zijn, maar is het die prijs waard? Je begrijpt nu wel waarom ik tot nog toe de halsketting en armbanden daar heb laten liggen.’