‘Kijk niet zo narrig, Nynaeve,’ zei Elayne. ‘Ik kreeg haar weer snel te pakken en we hebben even gepraat. Ik denk dat ze het nu volmaakt met me eens is.’
Er vertrok een spiertje in de wang van de panarch. ‘Ik ben het volkomen met haar eens, Aes Sedai,’ zei ze haastig, ik zal precies doen wat jullie zeggen en ik zal voor papieren zorgen waarmee jullie zelfs door de opstandelingen niet gehinderd worden. Het heeft geen zin er nog meer over te... zeggen.’
Elayne knikte alsof ze het helemaal begreep en gebaarde de andere vrouwen stil te zijn. Waarop de panarch gehoorzaam haar mond sloot. Ze keek misnoegd maar misschien stond haar mond altijd zo. Er waren duidelijk enkele rare dingen gebeurd en Nynaeve wilde best wachten om later het naadje van de kous te weten. Later. De smalle gang was geheel verlaten, maar dieper in het paleis galmde nog steeds paniekerig geschreeuw. Achter de deur klonk dof het rumoer van buiten.
‘Maar hoe is het met jou?’ ging Elayne fronsend verder. ‘Jij zou hier toch veel eerder zijn? Heb jij voor al die paniek gezorgd? Ik voelde twee vrouwen zoveel Kracht geleiden dat het paleis had kunnen instorten, en even later probeerde iemand dat echt. Ik meende dat jij het was. Ik moest Egeanin tegenhouden om je te gaan zoeken.’ Egeanin? Nynaeve aarzelde en dwong zich toen de schouder van de Seanchaanse aan te raken. ‘Dank je wel.’ Egeanin keek alsof ze niet helemaal begreep waar ze dat aan te danken had, maar ze gaf een snel knikje. ‘Moghedien trof me daar aan, en terwijl ik nadacht hoe ik haar in de Witte Toren terecht kon laten staan, brandde Jeaine Caide me met lotsvuur bijna het hoofd af.’ Elayne slaakte een gilletje en Nynaeve haastte zich haar gerust te stellen. ‘Het kwam helemaal niet in m’n buurt.’
‘Je hebt Moghedien gevangen? Je had een Verzaker gevangen?’
‘Ja, maar ze wist te ontsnappen.’ Zo. Ze had alles toegegeven. Ze besefte dat drie paar ogen haar aanstaarden en schuifelde verlegen heen en weer. Ze hield er niet van iets fout te doen. Ze vond het nog erger, omdat zij altijd als eerste op fouten wees. ‘Elayne, ik weet wat ik heb gezegd over voorzichtig zijn, maar toen ik haar eenmaal in handen had, was mijn enige gedachte hoe ik haar uit dit paleis en voor het gerecht kon krijgen.’ Nynaeve haalde diep adem en sloeg een verontschuldigende toon aan. Ze vond het afschuwelijk. Waar waren die stomme mannen? ik heb alles in gevaar gebracht omdat ik mijn gedachten niet bij de zaak hield, maar maak me alsjeblieft geen verwijten.’
‘Ik zal het niet doen,’ zei Elayne ferm, ‘zolang je er in de toekomst maar aan denkt voorzichtig te zijn.’ Egeanin schraapte haar keel. ‘O, ja,’ voegde Elayne er haastig aan toe. Het wachten scheen op haar zenuwen te werken, want ze kreeg opeens rode vlekjes op haar wangen. ‘Heb je de halsketting en het zegel gevonden?’
‘Ik heb ze.’ Ze klopte op haar riembuidel. Het geschreeuw buiten leek luider te worden, evenals het geroep in de gangen. Liandrin zou het paleis wel ondersteboven keren om uit te zoeken wat er gebeurd was. ‘Waar blijven die mannen toch?’
‘Mijn legioen,’ begon de panarch, maar Elayne keek haar kort aan en ze zweeg meteen weer. In dat gesprek moest haar flink de wacht zijn aangezegd. De panarch stond te pruilen als een meisje dat bang was zonder eten naar bed te moeten gaan.
Nynaeve wierp een blik op Egeanin. De Seanchaanse stond strak naar de deur te staren. Ze had haar willen helpen. Waarom geeft ze me niet de kans een hekel aan haar te hebben? Ben ik wel zo anders als zij? Opeens zwaaide de deur open. Juilin trok twee dunne metalen staafjes uit het slot en ging weer rechtop staan. Er liep bloed langs zijn gezicht. ‘Snel. We moeten hier weg zijn voor het uit de hand loopt.’ Nynaeve keek met grote ogen langs hem heen en vroeg zich af wat hij daarmee bedoelde. De zeelieden van Baile Domon, minstens zo’n driehonderd, vormden een halve cirkel van twee man dik rond de deur.
Domon zelf stond hen zwaaiend met een knuppel aan te moedigen. Hij moest schreeuwen om boven het gebrul uit gehoord te worden. Mannen worstelden, vochten en schreeuwden in een kolkende mensenmassa die amper op afstand werd gehouden door de knuppels en stangen van de zeelieden. Niet dat ze echt geïnteresseerd waren in die mannen. Op diverse plekken in de menigte gebruikten groepen Witmantels hun zwaarden tegen mannen die met rieken, tonijzers of hun blote vuisten dreigden. Een regen van stenen viel op de Kinderen neer, waardoor soms een helm afviel, wat in het tumult niet te horen was. Een paard van een Witmantel brieste opeens, sloeg achteruit en viel achterover. Het kwam snel weer overeind, zonder ruiter. In de mensenmassa waren meer onbereden paarden te zien. Hadden Domon en de andere twee dit alles opgezet om hen te beschermen? Ze dwong zich aan het doel te denken – voelde aan haar buidel naar het cuendillar-zegel, de halsketting en de armbanden – maar het was moeilijk. Er stierven op dit moment mensen daar op straat. ‘Willen jullie alsjeblieft meekomen!’ riep Thom en wenkte hen naar buiten te stappen. Boven een borstelige wenkbrauw zat een diepe bloedende snee, misschien door een steen, en zijn bruine mantel was niet meer dan een vod. ‘Als het panarchenlegioen uitgerend is en omkeert, kan dit een grote rotzooi worden.’
Amathera maakte een geschrokken geluid, voordat Elayne haar ruw naar buiten duwde. Nynaeve en Egeanin volgden. Zodra de vier vrouwen buiten stonden, werden ze door de zeelieden bijeengedrongen en vocht de groep zich weg van het paleis. Nynaeve kon alleen maar proberen overeind te blijven, terwijl ze werd meegedreven door haar beschermers. Egeanin gleed een keer uit en viel bijna, maar Nynaeve greep haar bij de arm en hielp haar weer overeind. Ze kreeg een dankbare glimlach. We verschillen niet zoveel van elkaar, dacht ze. We zijn niet hetzelfde, maar niet echt anders. Ze hoefde geen moeite te doen om de Seanchaanse bemoedigend toe te lachen.
Na het paleis hadden ze nog enkele straten te maken met de krioelende menigte, maar verderop waren de smalle, kronkelige straten bijna verlaten. Mensen die niet bij de straatrellen betrokken waren, leken zo verstandig daar weg te blijven. De zeelieden maakten de kring iets groter, waardoor de vrouwen meer ruimte kregen. Maar iedere zwerver die in hun richting keek, kreeg harde blikken terug. De straten van Tanchico waren tenslotte de straten van Tanchico. Vreemd genoeg vond Nynaeve dat verbazingwekkend. Het leek wel of ze weken in het paleis was geweest. De stad had toch anders moeten zijn. Toen het rumoer achter hen wegstierf, maakte Thom al hinkend een sierlijke buiging voor Amathera. ‘Het is mij een eer, panarch,’ zei hij. ‘Als ik u ergens mee van dienst kan zijn, hoeft u het maar te zeggen.’ Het was verbazingwekkend, maar Amathera keek Elayne even aan, toonde een kleine grimas en zei: ‘U houdt me voor de verkeerde, goede heer. Ik ben slechts een arme vluchtelinge van het platteland die door deze goede vrouwen is gered.’
Thom keek Juilin en Domon stomverbaasd aan, maar toen hij wat wilde zeggen, vroeg Elayne: ‘Kunnen we zo vlug mogelijk naar de herberg, Thom? Dit is niet zo’n goede plek voor een gesprek.’ Toen ze bij de Driepruimenhof aankwamen, verbaasde het eigenlijk niemand meer dat Elayne de panarch aan Rendra voorstelde als Thera, een arme vluchtelinge die een plekje nodig had om te slapen en misschien wat werk om haar eten te verdienen. De herbergierster trok berustend haar schouders op, maar toen ze Thera naar de keuken bracht, liep ze de vrouw al te vertellen dat ze prachtig haar had en dat ze er in de juiste kleren zo knap uit zou zien.
Nynaeve wachtte tot de anderen in het Vertrek van de Vallende Bloesems waren en de deur dicht was, voor ze zei: ‘Thera? En ze luisterde?! Elayne, Rendra laat de vrouw in de gelagkamer de tafels bedienen!’
Het leek Elayne niet te verbazen. ‘Ja, waarschijnlijk wel, ja.’ Met een zucht liet ze zich op een stoel zakken, schopte haar muilen uit en begon stevig haar voeten te kneden. ‘Het was niet zo moeilijk om Amathera ervan te overtuigen dat ze zich enkele dagen schuil moest houden. Het is echt niet zo’n grote stap van: “De panarch is dood!” naar: “Dood aan de panarch!” Ik denk dat het ook hielp dat ze de relletjes op straat zag. Ze wil niet afhankelijk zijn van Andric als ze op de troon terug wil komen. Ze wil dat met haar eigen krijgsmacht bereiken, zelfs als ze zich daarvoor schuil moet houden tot ze met de kapiteinheer van het legioen heeft gesproken. Ik geloof dat Andric wat haar betreft nog een verrassing te wachten staat. Het is jammer dat hij haar niet verrast. Ze verdient het.’ Domon en Juilin keken elkaar aan en schudden niet begrijpend hun hoofd. Egeanin knikte in zichzelf alsof zij het wel begreep en het ermee eens was.