‘Je leeft tenminste nog.’ Ze had een muzikale stem, maar haar toon was momenteel kil en boos. ‘Wat er is gebeurd, komt straks. Probeer de Ware Bron aan te raken.’
‘Waarom?’ vroeg Rhand voorzichtig, ik kan mezelf niet helen, zelfs niet als ik wist hoe. Niemand kan dat. Dat weet ik nog wel.’ Een zucht lang leek Moiraine in woede te willen uitbarsten, hoe vreemd dat ook zou zijn geweest, maar bijna meteen was ze weer gehuld in die onverwoestbare kalmte. ‘Slechts een klein beetje kracht voor de Heling komt van de heelster. De Kracht kan vervangen wat van de geheelde komt. Zonder dat zul je morgen de hele dag plat op je rug moeten liggen en misschien overmorgen ook nog. Goed, trek de Kracht aan, als je dat kunt, maar doe er niets mee. Houd haar enkel vast. Gebruik dit maar als het nodig is.’ Ze hoefde niet ver te bukken om Callandor aan te raken.
Rhand schoof het zwaard van haar hand weg. ‘Gewoon vasthouden, zei je.’ Het klonk of hij in lachen uit zou barsten. ‘Prima.’ Er gebeurde niets voor zover Perijn kon zien, maar dat verwachtte hij ook niet. Rhand zat daar, als de winnaar van een verloren strijd naar Moiraine te kijken. Ze knipperde amper met haar ogen. Tweemaal veegde ze schijnbaar onbewust met haar vingers tegen haar handpalmen. Een tijdje later slaakte Rhand een zucht. ‘Het lukte me niet eens de leegte te vinden. Ik kan mijn aandacht er niet bij houden.’ Een snelle grijns maakte barstjes in het bloed op zijn gezicht, ik begrijp niet waarom het niet lukt.’ Een dik rood bloedspoor kronkelde langs zijn linkeroog omlaag.
‘Dan zal ik het doen zoals ik het altijd heb gedaan,’ zei Moiraine en nam Rhands hoofd tussen haar handen, niet lettend op het bloed dat over haar vingers druppelde.
Rhand schoot met een gesmoorde kreet overeind, alsof alle lucht uit zijn longen werd geperst, en boog zo ver achterover dat zijn hoofd zich haast uit haar handen leek los te rukken. Met een uitgestoken arm, gespreide vingers en zo ver achterover buigend dat het leek of zijn rug zou breken, omklemde de andere hand het gevest van Callandor en de spieren van die armen verkrampten tot kabels. Hij schudde als wasgoed in een stormwind. Donkere vlokjes gedroogd bloed vielen naar beneden, stukjes glas tinkelden neer op de kist en de vloer, uit de sneden geperst, die zich sloten en hechtten.
Perijn huiverde of de stormwind om hem heen had gewoed. Hij had al eerder een Heling meegemaakt, zoiets en nog meer, sterker en erger, maar hij kon er nooit onverschillig tegenover staan als de Kracht werd aangewend, zelfs hiervoor niet. Verhalen over de Aes Sedai, verteld door de wachten en voermannen van kooplui, hadden zich vele jaren voor hij Moiraine had ontmoet ingebed in zijn geest. Rhuarc rook verontrust. Alleen Lan nam het natuurlijk gelijkmoedig op. Lan en Moiraine.
Bijna meteen na het begin was het voorbij. Moiraine nam haar handen weg en Rhand zakte in elkaar, de beddenpost grijpend om zich overeind te houden. Het viel moeilijk te zien wat hij steviger vastklemde, de beddenpost of Callandor. Toen Moiraine het zwaard probeerde te pakken om het op de fraai bewerkte standaard bij de muur terug te zetten, trok hij het vastberaden voor haar weg, zelfs wat onbeleefd.
Haar mond verstrakte een moment, maar ze stelde zich tevreden met de opgepropte doek uit zijn zij te pakken, waarmee ze enkele vegen bloed eromheen wegveegde. De oude wond was weer een vers litteken. De andere verwondingen waren gewoon verdwenen. Het meeste gedroogde bloed kon van iemand anders afkomstig zijn. Moiraine fronste haar voorhoofd. ‘Nog steeds geen gevolg,’ mompelde ze half in zichzelf. ‘Het wil nog niet volledig helen.’
‘Dat is toch de wond die me zal doden, nietwaar?’ vroeg hij haar zachtjes en citeerde toen uit een boek. ‘Zijn bloed op de rotsen van Shayol Ghul spoelt de Schaduw heen, een offer voor de redding van de mens.’
‘Je leest te veel,’ zei ze scherp, ‘en je begrijpt te weinig.’
‘Begrijp jij er meer van? Zo ja, vertel het me dan.’
‘Hij probeert slechts zijn weg te vinden,’ zei Lan opeens. ‘Geen enkele man vindt het prettig blindelings verder te lopen wanneer hij weet dat ergens voor hem een diepe kloof nadert.’
Perijn schoot verrast overeind. Lan sprak Moiraine bijna nooit tegen, tenminste nooit wanneer iemand anders het kon horen. Hij en Rhand hadden echter samen heel veel tijd besteed aan zijn oefeningen met het zwaard.
Moiraines ogen flitsten boos op, maar ze zei alleen: ‘Hij moet liggen. Kun je vragen of ze waswater brengen en een andere slaapkamer klaarmaken? Deze moet grondig worden schoongemaakt en er is een nieuwe matras nodig.’ Lan knikte, stak zijn hoofd om de deur van de wachtkamer en gaf kalm iets door.
‘Ik blijf hier slapen, Moiraine.’ Rhand liet de beddenpost los en duwde zich op, plaatste de punt van Callandor op het rommelige tapijt en liet beide handen op het gevest rusten. Misschien steunde hij wel op het zwaard maar dat viel niet erg op. ‘Ze kunnen me niet meer opjagen. Zelfs niet mijn bed uit.’
‘Tai’shar Manetheren,’ mompelde Lan.
Ditmaal keek zelfs Rhuarc geschrokken, maar als Moiraine Lans lofprijzing voor Rhand al had opgevangen, ze liet niets merken. Ze zat Rhand strak aan te kijken, effen maar met onweerskoppen in haar ogen. Rhand toonde een raadselachtig glimlachje, alsof hij zich afvroeg wat ze hierna ging proberen.
Perijn schoof voorzichtig naar de deur. Als er een botsing op handen was tussen Rhand en de Aes Sedai, wie de sterkste wil bezat, dan wilde hij er zo snel mogelijk vandoor. Het leek Lan niet te kunnen schelen. Van de manier waarop hij stond, viel niets af te lezen. Hij stond op de een of andere manier zowel rechtop als ineengedoken. Hij kon zich zowel vervelen en ter plekke inslapen als gereedstaan voor zijn zwaard; zijn uiterlijk suggereerde zowel het een als het ander, maar ook allebei. Rhuarc stond bijna op dezelfde manier, maar ook hij wierp een blik op de deuren.
‘Blijf hier!’ Moiraine keek niet op van Rhand en haar wijzende vinger wees ongeveer tussen Perijn en Rhuarc in, maar desondanks verzette Perijn geen voet meer. Rhuarc trok zijn schouders op en sloeg de armen over elkaar.
‘Koppig,’ mompelde Moiraine. Deze keer gold het Rhand. ‘Goed dan. Als je van plan bent hier te blijven staan tot je neervalt, kun je als je plat op je gezicht valt, mij vertellen wat hier is gebeurd. Ik kan je niets leren, maar als je het mij vertelt, kan ik misschien ontdekken wat je verkeerd hebt gedaan. Een kleine kans, maar misschien kan ik dat.’ Haar stem werd scherper. ‘Je moet leren het te beheersen en ik bedoel niet alleen vanwege dit soort dingen. Als je niet leert de Kracht te beheersen, zal zij je doden. Dat weet je. Ik heb het je vaak genoeg gezegd. Je moet het jezelf bijbrengen. Je moet het in jezelf vinden.’ ik heb niets gedaan, ik wilde alleen in leven blijven,’ zei Rhand droog. Ze wilde wat zeggen maar hij vervolgde: ‘Denk je dat ik zou kunnen geleiden en dat niet zou weten? Ik heb het niet slapend gedaan. Dit gebeurde toen ik wakker was.’ Hij aarzelde en hield zich met het zwaard overeind.
‘Zelfs jij kan alleen Geest in je slaap geleiden,’ zei Moiraine koeltjes, ‘en dit alles is niet met Geest gedaan. Ik wilde je net vragen wat er wél is gebeurd.’
Perijn voelde alle haartjes rechtop staan terwijl Rhand zijn verhaal vertelde. De bijl bij hem was al erg genoeg geweest, maar een bijl was tenminste nog stevig, iets echts. Om je eigen spiegelbeelden uit de spiegels op je af te zien springen... Onbewust schuifelde hij met zijn voeten, probeerde op geen enkel stukje glas te staan. Zodra Rhand begon te vertellen, wierp hij een blik op de klerenkist achter hem, heel snel alsof hij niet wilde dat anderen het zagen. Even later bewogen de zilveren glassplinters op de kist en schoven naar het tapijt alsof een onzichtbare bezem ze wegveegde. Rhand wisselde blikken uit met Moiraine, ging toen langzaam zitten en vertelde verder. Perijn was niet zeker wie van de twee de kist had schoongemaakt. In Rhands verhaal werd Berelain niet genoemd.