‘Maar waarom?’ wilde Nynaeve weten. ‘Misschien ben je van streek omdat zij ertussenuit wilde glippen, maar dit? Hoe speelde ze het trouwens klaar terwijl jullie haar in de gaten hielden?’ Egeanins ogen flitsten zo snel naar Elayne dat Nynaeve niet eens wist of ze het wel had gezien.
Elayne boog zich voorover om haar voetzool te wrijven. Het moest haar pijn doen, want haar wangen waren rood. ‘Nynaeve, die vrouw heeft geen enkel idee van het leven van een gewone burger in deze stad.’ Alsof zij dat wel had! ‘Ze schijnt recht en gerechtigheid belangrijk te achten – ik denk van wel tenminste – maar ze vond het helemaal niet zo raar dat er in het paleis genoeg voedsel was voor een jaar. Ik had het over de gaarkeukens en ze wist niet eens waar ik het over had! Als ze enkele dagen voor haar maaltijd moet werken, zal dat haar goeddoen.’ Ze strekte haar benen uit onder de tafel en bewoog haar tenen heen en weer. ‘Ah, dat voelt lekker. Maar ik neem niet aan dat het zo lang zal duren. Niet als ze echt van plan is het panarchenlegioen op het paleis af te sturen om Liandrin en de anderen eruit te krijgen. Jammer, maar zo is het nu eenmaal.’
‘Nou, ze moet het wel doen,’ maakte Nynaeve haar ferm duidelijk. Zij vond het ook fijn om even te zitten, al begreep ze niet dat Elayne zich zo druk over haar voeten maakte. Ze hadden vandaag amper gelopen. ‘En hoe sneller hoe beter. We hebben de panarch daar nodig en niet in de keuken van Rendra.’ Ze dacht niet dat ze zich over Moghedien zorgen hoefde te maken. De vrouw had iedere kans gehad om zich te vertonen nadat ze was losgekomen. Dat vond ze nog steeds een raadsel. Ze moest het scherm slordig hebben verknoopt. Maar Moghedien had zich niet willen vertonen, terwijl ze toch wist dat Nynaeve bijna uitgeput was. Ze kon geen enkele reden bedenken waarom de vrouw niet achter hen aan was gekomen. Zij hadden toch iets wat zij heel waardevol vond. Hetzelfde gold echter niet voor Liandrin. Als Liandrin maar de helft wist van wat er gebeurd was, zou ze zeker achter hen aankomen.
‘De gerechtigheid van de erfdochter,’ mompelde Thom, ‘kan nog altijd het recht van de panarch overtreffen. Toen we weggingen, stroomden er al mensen naar binnen door die deur, en waarschijnlijk waren verschillende al naar de voorzijde van het paleis doorgedrongen. Vanavond staat er op z’n hoogst een door brand verwoeste bouwval. Dan hoeven de soldaten niet op de Zwarte Ajah te jagen en op die manier heeft Thera een paar dagen de tijd om jouw lesje te leren. Op een mooie dag zul je een geweldige koningin zijn, Elayne van Andor.’ De blije glimlach van de vrouw verdween toen ze hem aankeek. Ze stond op, schuifelde om de tafel heen en zocht in haar zakken naar een doek waarmee ze ondanks zijn bezwaren het bloed van zijn voorhoofd begon te deppen. ‘Hou je stil,’ vertelde ze hem en ze klonk net als een moeder die een onrustig kind verzorgt.
‘Kunnen we nou eens zien waar we onze nek voor hebben uitgestoken?’ zei hij toen hem duidelijk werd dat Elayne gewoon zou doen wat ze van plan was.
Nynaeve maakte haar riembuidel open en legde de inhoud op tafel. De zwart-witte schijf waarmee de kerker van de Duistere gesloten bleef, de halsketting en armbanden die haar golven van pijn bezorgden voor ze die snel had neergelegd. Iedereen dromde om de tafel heen om ernaar te kijken.
Domon voelde aan het zegel. ‘Ik heb ooit zoiets gehad.’ Nynaeve betwijfelde dat. Er waren er maar zeven gemaakt. Drie waren er nu kapot, hoewel het cuendillar was. Moiraine had er een. Er waren er nog drie. Hoe sterk waren de laatste drie om de kerker in Shayol Ghul gesloten houden? De gedachte deed haar huiveren. Egeanin voelde aan de halsketting en duwde de armbanden opzij. Ze liet niet merken of ze de erin gevangen gevoelens voelde. Misschien was alleen een geleidster er gevoelig voor. ‘Het is geen a’dam,’ zei de Seanchaanse. ‘Die is van zilverachtig metaal en uit één stuk.’ Nynaeve had liever gehad dat ze’de a’dam niet had genoemd. Maar zij heeft nooit een armband gedragen. En ze heeft die arme vrouw vrijgelaten. Arme vrouw? Zij – die Bethamin – was zo’n vrouw die vrouwen met een a’dam beteugelde. Egeanin had meer medelijden getoond dan Nynaeve had kunnen opbrengen. ‘Het is evenzeer een a’dam als jij en ik gelijk zijn, Egeanin.’ De vrouw keek verrast, maar knikte even later. Niet zo verschillend. Twee vrouwen die alles zo goed mogelijk trachtten te doen.
‘Ben je van plan de achtervolging van Liandrin voort te zetten?’ Juilin ging met over elkaar geslagen armen aan tafel zitten en bekeek de voorwerpen. ‘Of ze nu wel of niet uit Tanchico wordt verjaagd, ze loopt nog steeds vrij rond. Net als de anderen. Maar deze dingen lijken me te belangrijk om maar te laten slingeren. Ik ben slechts een dievenvanger, maar ik zou zeggen dat ze het beste naar Tar Valon kunnen.’
‘Nee!’ Nynaeve schrok zelf van haar felheid. De anderen ook, gezien de wijze waarop ze haar aanstaarden. Langzaam pakte ze het zegel op en deed die weer terug in haar buidel. ‘Dit gaat naar de Toren. Maar dat ding...’ Ze wilde het niet meer aanraken. Als die halsketting in de Toren lag, konden net als de Zwarte zusters de Aes Sedai besluiten het te gebruiken. Om Rhand te overheersen. Zou Moiraine het doen? Siuan Sanche? Die kans mochten ze niet krijgen. ‘Dit is te gevaarlijk en mag in geen geval in handen van Duistervrienden vallen. Elayne, kun jij ze vernietigen? Ze smelten? Het kan mij niet schelen als ze door de tafel heen branden. Maak ze gewoon kapot.’
‘Ik begrijp wat je bedoelt,’ zei Elayne met een grimas. Nynaeve dacht van niet – Elayne geloofde met hart en ziel in de Toren, maar ze geloofde ook in Rhand.
Nynaeve zag de gloed van saidar natuurlijk niet, maar ze zag dat Elayne geleidde door de spanning waarmee ze naar die smerige dingen staarde. De armbanden en de halsketting leken gewoon op tafel te liggen. Elayne fronste en haar blik werd nog strakker. Opeens schudde ze het hoofd. Haar hand hing even aarzelend boven een armband voor ze hem oppakte en snakkend naar adem weer liet vallen. ‘Het voelt... Vol...’ Ze haalde diep adem en zei: ik deed wat je vroeg, Nynaeve. Een hamer zou een plasje gesmolten metaal zijn geworden met het Vuur dat ik erin weefde, maar dit is niet eens warm.’ Dus Moghedien had niet gelogen. Ongetwijfeld had ze dat overbodig gevonden, omdat ze het toch wel zou winnen. Hoe was dat mens losgekomen? Maar wat moesten ze met dat ding aan? Dit mocht niemand in handen krijgen.
‘Baas Domon, weet u een diep gedeelte van de zee?’
‘Jazeker, vrouw Almaeren.’ zei hij langzaam.
Behoedzaam schoof Nynaeve de halsketting en de armbanden naar hem toe en probeerde niets te laten merken. ‘Gooi dit dan daar in zee, waar niemand ze ooit nog op kan vissen.’
Even later knikte hij. ‘Ik zal het doen.’ Hij stopte ze snel in zijn jaszakken en je kon duidelijk merken dat hij er een hekel aan had een voorwerp aan te raken dat met de Ene Kracht had te maken, in het diepste gedeelte van de zee dat ik ken, vlak bij Aile Somera.’ Egeanin keek fronsend naar de vloer en dacht ongetwijfeld aan het vertrek van de Ulianer. Nynaeve was niet vergeten dat de vrouw hem een ‘keurig nette man’ had genoemd. Ze had zin om te lachen. Dat was dan helemaal in orde. Zodra Domon uit kon varen, zouden die afschuwelijke halsketting en armbanden voorgoed zijn verdwenen. Dan konden zij terug naar Tar Valon. En dan... Dan weer terug naar Tyr of waar al’Lan Mandragoran zich ook bevond. Nadat ze met Moghedien had gevochten en had beseft hoe dicht ze bij haar dood of nog iets ergers had gestaan, moest ze heel dringend haar eigen probleem aanpakken. Een man die ze moest delen met een gehate vrouw, maar als Egeanin vol genegenheid haar vroegere gevangene kon aankijken – en Domon nam haar zeker belangstellend op – en als Elayne van een man kon houden die krankzinnig zou worden, dan kon zij toch wel een manier bedenken om te genieten van wat zij met Lan kon hebben. ‘Zullen we naar beneden gaan en zien hoe Thera het vindt dienstmeisje te zijn?’ stelde ze voor. Zo gauw mogelijk naar Tar Valon. Zo gauw mogelijk.