Bran met zijn pothelm en wambuis met metalen platen werd verondersteld hier de leiding te hebben, maar hij stopte met zijn rondgang om zo goed mogelijk als het metaal hem toestond een buiging voor Perijn te maken. Gaul en Chiad stonden klaar, hun hoofd in de sjoefa en de zwarte sluier tot vlak onder de ogen opgetrokken. Vlak naast elkaar, merkte Perijn. Wat er tussen hen ook leefde, het was sterker dan de bloedvete van hun stammen. Loial had twee hakbijlen die wel speelgoed leken in zijn enorme handen. Zijn oren staken heldhaftig naar voren en zijn brede gezicht stond grimmig.
Denk je echt dat ik ervandoor zou gaan? had hij gezegd toen Perijn hem voorstelde de nacht na Failes vertrek weg te glippen. Zijn oren hingen vermoeid en beledigd omlaag. Ik ben met je meegegaan, Perijn, en ik blijf tot jij gaat. Toen had hij opeens gelachen, een diep dreunend geluid waardoor de schalen stonden te rammelen. Misschien zal ooit iemand nog een verhaal over mij vertellen. Wij zijn er niet op uit, maar een Ogierheld zou best kunnen, neem ik aan. Een grapje, Perijn. Ik maakte een grapje. Lach. Vooruit, laten we elkaar grapjes vertellen en lachen en eraan denken dat Faile vrij rondvliegt. ‘Het is geen grap, Loial.’ fluisterde Perijn toen hij langs de rijen mannen reed en probeerde niet naar hun toejuichingen te luisteren. ‘Je bént een held, of je wilt of niet.’ De Ogier keek hem met een gespannen, strakke grijns aan voor hij zijn ogen weer op het vrijgemaakte veld achter de versperring richtte. Witgeverfde stokken gaven elke honderd pas aan, tot vijfhonderd pas. Daarachter lag de lappendeken van tobakvelden en gerstakkers, de meeste platgetrapt bij eerdere aanvallen, heggen, lage stenen wallen en bosjes lederbladbomen, sparren en eiken. Er waren zoveel bekende gezichten in de rijen wachtende mannen. De stevige Ewar Kanwin, Peet Alcaar met zijn lantaarnkaak en zijn speren. De witharige Buul Datrijn, de pijlenmaker, stond natuurlijk bij de boogschutters. Daar stonden de knokige grijsharige Jak Alseen, zijn kale neef Wit en de gebogen Vlan Lewin, een magere bonenstaak, net als zijn andere broers en neven. Jaim Torfin en Hu Marwin, die als eersten met hem waren uitgereden. Ze hadden zich niet thuis gevoeld bij de Gezellen. Het leek alsof hun afwezigheid bij de hinderlaag in het Waterwold afstand tussen hen en de anderen had geschapen. Elam Dotriet en Dav Ayellin en Ewin Fingar. Hari Kopin, zijn broer Darl en de oude Bili Kongar. Berin Tan, de broer van de molenaar, en de dikke Atan Dern en Kevrin Alazar, die al kleinkinderen had met kinderen, en Tuk Padewijn, de timmerman...
Hij dwong zich hen niet meer aan te kijken en reed door naar Verin, die naast een van de blijden stond, onder het wakend oog van Tomas op zijn grijze hengst. De gezette, in bruin geklede Aes Sedai nam Aram even op voor ze met een opgetrokken wenkbrauw haar vogelogen op Perijn richtte, alsof ze hem wilde vragen waarom hij haar lastig viel. ik ben een beetje verbaasd dat ik jou en Alanna hier nog aantref,’ vertelde hij haar. ‘Het zoeken van meisjes die kunnen geleiden, is het toch niet waard om voor te sterven. En het aan een lijntje vasthouden van een ta’veren toch ook niet.’
‘O? Doen we dat dan?’ Ze strengelde haar vingers voor haar buik in elkaar, hield haar hoofd schuin en keek hem nadenkend aan. ‘Nee,’ zei ze eindelijk, ik denk niet dat we al echt kunnen vertrekken. Jij bent op jouw eigen wijze een heel interessante studie, evenals Rhand. Evenals de jonge Mart. Als ik mezelf in drieën kon verdelen, zou ik me aan ieder van jullie vastklampen, en elk moment van de dag en nacht bij je zijn, al zou ik met je moeten trouwen.’
‘Ik heb al een vrouw.’ Het voelde vreemd dat te zeggen. Vreemd en goed. Hij had een vrouw en zij was veilig.
Ze verbrijzelde zijn dagdromerij. ‘Ja, inderdaad. Maar je weet niet wat het betekent om met Zarine Bashere getrouwd te zijn, hè?’ Ze stak haar hand uit en draaide de bijl in de lus iets naar buiten om hem goed te bekijken. ‘Wanneer geef je hem op voor de hamer?’ Starend naar de Aes Sedai liet hij zijn paard terugstappen en trok de bijl uit haar handen voor hij besefte wat hij deed. Wat trouwen met Faile betékende? De bijl opgeven? Wat bedoelde ze? Wat wist ze? ‘ISAM!’
Het schor bassende gebrul steeg donderend op en de Trolloks verschenen, groot en breed. Ze draafden de velden op om net buiten bereik van de bogen stil te houden, een uit het veld oprijzende, zwart-gepantserde massa van dikke rijen die zich over de hele breedte van het veld uitstrekte. Duizenden samengedrongen grove gezichten, vervormd met snavels en bekken, koppen met hoorns en verenkammen, punten aan ellebogen en schouders, zeisachtige kromzwaarden en piek-bijlen, speren met weerhaken en puntige drietanden, een schijnbaar eindeloze zee van wrede wapens. Daarachter galoppeerden de Myrddraal op hun middernachtelijke paarden heen en weer, en hun ravenzwarte mantels bleven roerloos hangen terwijl zij hun rijdieren her en der heen wendden. ‘ISAM!’
‘Interessant,’ mompelde Verin.
Perijn vond het niet echt het juiste woord. Dit was de eerste keer dat de Trolloks iets begrijpelijks hadden geroepen. Niet dat hij enig idee had wat het betekende.
Hij streek zijn trouwlint glad en dwong zich kalm naar het midden van de linie te rijden. De Gezellen stelden zich achter hem op, de wind speelde met de banier met de rode wolfskop. Aram had zijn zwaard getrokken en hield die met beide handen omhoog. ‘Hou je klaar,’ riep Perijn. Zijn stem klonk vast; hij kon het zelf niet geloven. ‘ISAM!’ En de zwarte vloedgolf stroomde woordeloos huilend naar voren.
Faile was veilig. Niets anders deed er meer toe. Hij gunde zich geen blik op de gezichten van de mannen die naast hem waren gevallen. Hij hoorde hetzelfde gehuil in het zuiden. Beide zijden tegelijk! Dat hadden ze nooit eerder geprobeerd. Faile was veilig. ‘Op vierhonderd pas...’ Langs de hele linie rezen de bogen tegelijk op. De huilende horde kwam nader, lange dikke poten vraten de afstand. Nader. ‘Los!!!’ Het geklap van de boogpezen ging ten onder in het gebrul van de Trolloks, maar toen de bogen omlaag gingen, streepte een hagel van pijlen door de lucht die doordrongen in de zwarte maliën van de Trolloks. Stenen uit de blijden ontploften in vurige bollen en scherpe splinters temidden van de ziedende rijen. Trolloks vielen. Perijn zag hen vallen en onder laarzen en hoeven vertrapt worden. Zelfs enkele Myrddraal vielen. Maar de vloedgolf schuimde verder, vulde gaten en lege plekken, schijnbaar onaangetast.
Het was niet nodig het bevel nogmaals te geven. De tweede pijlenregen volgde de eerste zo snel als mannen pijlen konden aanleggen en vloog al door de lucht voor de eerste pijlen doel troffen; de derde volgde meteen, daarna de vierde en de vijfde. Vuur barstte uit tussen de Trolloks, zo snel als de blijdelepels gespannen konden worden. Verin galoppeerde van blijde naar blijde om vanuit het zadel gebukt haar hand op de stenen te leggen. En de enorme brullende gestalten kwamen dichterbij, schreeuwend in een taal die Perijn niet verstond, maar schreeuwend om bloed, menselijk bloed en vlees. Mannen die gehurkt achter de staken zaten, maakten zich klaar en hieven hun wapens. Perijn voelde zich koud vanbinnen. Hij kon het veld achter de Trolloks zien en dat lag reeds bezaaid met doden en stervenden, maar er leken er amper minder te zijn. Stapper danste zenuwachtig op en neer, maar door het aanrollende gehuil van de Trolloks kon hij hem niet horen hinniken. De bijl gleed soepel in zijn hand, het lange halvemaanvormige blad en de dikke piek vingen het zonlicht op. Nog niet eens middag. Mijn hart behoort altijd jou toe, Faile. Ditmaal zouden de staken het niet houden, dacht hij.