Выбрать главу

De voorste rij Trolloks hield niet in, maar rende recht op de scherpe staken af, met hun gezichten verwrongen door snuiten en bekken, verwrongen door een pijnlijk huilend gejank toen ze werden gespietst, en dieper werden gespiest door andere enorme monsters die over hun ruggen klauterden. Enkelen vielen tussen de staken neer, werden opgevolgd door anderen, steeds maar meer. Een laatste pijlenregen trof hen van nabij, toen was het de beurt aan de speren, de hellebaarden en eigengemaakte steekwapens. Stotend en stekend naar torenhoge gestalten in het zwart, soms neervallend, terwijl de jongens van de daken en de boogschutters zo goed en zo kwaad mogelijk schoten op de onmenselijke gezichten boven de hoofden van hun vrienden. Waanzin en dood en oorverdovend gebrul, geschreeuw en gehuil. Langzaam, onvermijdelijk boog de verdedigingslijn van Tweewater op een tiental plekken naar achter. Als die ergens brak...

‘Achteruit,’ brulde Perijn. Een Trollok met een bloedende varkenskop drong door de rijen mannen heen, brullend en zwaaiend met zijn dikke kromzwaard. Perijns bijl spleet de kop tot de bek toe open. Stapper probeerde achteruit te stappen, onhoorbaar gillend in het tumult. ‘Achteruit!’ Darl Kopin viel, een dij omklemmend die door een polsdikke speer doorboord was; de oude Bili Kongar probeerde hem achteruit te slepen, terwijl hij onhandig een varkensprik rondzwaaide. Hari Kopin verdedigde zijn broer met een zwaaiende hellebaard; de mond wijd open in een schijnbaar eindeloze schreeuw. ‘Terug tussen de huizen.’ Hij wist niet eens of de anderen het hoorden en doorgaven of dat het enorme gewicht van Trolloks gewoon doordrukte, maar langzaam, aarzelend trokken de mensen stap voor stap achteruit. Loial roffelde met zijn bebloede bijlen als hamers rond. Naast de Ogier stak Bran grimmig zijn speer om zich heen. Hij was zijn pothelm kwijt en het bloed stroomde langs zijn grijze haarrand. Op zijn hengst gezeten hakte Tomas een ruimte vrij rond Verin. Haar haren zaten in de war en ze had haar paard verloren. Bollen vuur schoten uit haar handen weg en iedere getroffen Trollok barstte in vlammen uit, alsof hij in olie was gedompeld. Niet genoeg om het te houden. De mannen van Emondsveld weken terug, groepeerden zich rond Stapper. Gaul en Chiad vochten rug aan rug. Zij had nog maar één speer over en hij sloeg en stak met zijn zware mes. Achteruit. De mannen hadden de verdedigingslijn teruggebogen naar het westen en oosten, om ervoor te zorgen dat de Trolloks niet om de linie trokken. Ze schoten hun pijlen af. Niet genoeg mannen. Achteruit.

Opeens probeerde een monster met ramshoorns Perijn uit het zadel te trekken en tegelijk achter op het dier te klimmen. Met een klap viel Stapper neer onder hun gezamenlijke gewicht. Perijns been lag eronder en leek te breken. Verwoed probeerde Perijn met zijn bijl zijn andere zijde te beschermen en tegelijk de handen van zijn keel weg te houden, handen die nog groter waren dan die van Loial. De Trollok jammerde toen Arams zwaard zijn nek openlegde. Het bloed spoot omhoog en hij stortte op Perijn neer, maar de ketellapper had zich al omgedraaid naar een andere Trollok voor een dodelijke slag in de buik van het monster.

Kreunend van pijn schopte Perijn zich los, geholpen door Stapper, die overeind wilde krabbelen, maar er was geen tijd meer om erop te klimmen. Hij kon nog net opzij rollen, toen de hoeven van een zwart paard naast hem neer stampten, op de plek waar zijn hoofd was geweest. Het bleke, oogloze, snauwende gezicht van een Schim keek op hem neer toen hij probeerde op te staan. Het dodelijke zwarte zwaard daalde vlijmscherp neer, zoefde door zijn haren toen hij zich liet vallen. Genadeloos zwaaide hij de bijl rond en hakte een paardenbeen doormidden. Paard en ruiter vielen tegelijk en bij hun val liet hij zijn bijl diep in het hoofd zinken waar de ogen van de Schim behoorden te zitten.

Hij trok zijn blad net op tijd los om te zien hoe de riek van Daise Kongar zich in een keel onder een geitenkop boorde. De Trollok greep de lange schacht vast en stak toe met een speer met weerhaken, maar Marin Alveren haalde kalm haar hakmes door de dijspieren. De poot klapte dubbel en even koel sloeg ze onder in de nek zijn ruggengraat in tweeën. Een andere Trollok tilde Bode Cauton aan haar vlecht op. Met wijd open mond voor een doodsbange schreeuw liet ze haar hakbijl in zijn gemaliede schouder ploffen, terwijl Eldrin tegelijk haar varkensprik in de borst stak en de grijze Neysa Ayellin met een enorm vleesmes toestak.

Voor zover Perijn het kon overzien, stonden ook de vrouwen nu overal in de verdedigingslijn. Alleen door hun aantal hield de lijn het nog steeds, al waren de Emondsvelders bijna tot de huizen teruggedrongen. Vrouwen tussen de mannen, schouder aan schouder, sommigen niet ouder dan meisjes, maar ja, sommige van die ‘mannen’ hadden zich ook nog nooit geschoren... Sommigen zouden het nooit hoeven doen. Waar waren de Witmantels? De kinderen! Als de vrouwen hier waren, kon niemand de kinderen het dorp uit brengen. Waar blijven die bloedkerels? Als ze nu kwamen, konden ze misschien enig respijt krijgen. Een korte tijd om de kinderen weg te brengen. Een jongen. Dezelfde donkere krullenkop die hem de vorige avond was komen halen, greep hem bij de arm toen hij zich omdraaide om de Gezellen te zoeken. De Gezellen moesten een doorgang voor de kinderen banen. Hij kon ze erheen sturen terwijl hij hier afmaakte wat hij moest doen. ‘Heer Perijn!’ riep de jongen boven het oorverdovende lawaai uit. ‘Heer Perijn!’

Perijn probeerde hem van zich af te schudden en tilde hem toen met schoppende benen en al op. Hij hoorde bij de andere kinderen te zijn. Verdeeld in rechte rijen tussen de huizen schoten Ban, Tel en de anderen vanuit hun zadel hun pijlen over de hoofden van de mannen en vrouwen heen. Wil had de banier in de grond geplant, zodat ook hij zijn boog kon gebruiken. Op de een of andere manier was het Tel gelukt Stapper op te vangen en de teugels aan zijn zadel te binden. De jongen kon op de rug van Stapper weggereden worden. ‘Heer Perijn! Luister! Baas Altor zegt dat de Trolloks worden aangevallen! Heer Perijn!’

Perijn was al half op weg naar Tel, hinkend vanwege zijn bezeerde been, toen het tot hem doordrong. Hij stak de bijl in zijn riem om de jongen bij zijn schouders te kunnen pakken. ‘Aangevallen? Door wie?’

‘Ik weet het niet, heer Perijn. Meester Alveren zei dat ik u moest zeggen dat hij iemand “Devenrit” had horen schreeuwen.’ Aram greep Perijns arm beet en wees zwijgend met zijn bloedrode zwaard. Perijn keerde zich op tijd om om een hagelbui van pijlen in de Trolloks te zien neerkomen. Uit het noorden. Een tweede regen van pijlen steeg reeds naar de top van hun vlucht.

‘Ga naar de andere kinderen terug,’ zei hij en zette de knaap neer. Hij moest een hoge plek vinden om het goed te zien. ‘Loop! Je hebt het uitstekend gedaan, jongen,’ voegde hij eraan toe, toen hij hinkend naar Stapper holde. Het kereltje draafde met een grijns naar het dorp terug. Iedere stap zond een schok van pijn door zijn been, misschien was dat echt gebroken. Hij had geen tijd er aandacht aan te schenken. Hij greep de teugels die Tel hem toewierp en trok zich omhoog in het zadel. En vroeg zich af of hij zag wat hij zag in plaats van wat hij wenste te zien.

Aan de rand van de akkers, onder de banier met de rode adelaar, stonden lange rijen mannen in boerenkleren, die ordelijk hun voetbogen afschoten. En naast de banier zat Faile op Zwaluw, Bain stond bij haar stijgbeugel. Het moest Bain zijn achter die zwarte sluier en hij kon Failes gezicht duidelijk onderscheiden. Ze keek opgewonden, angstig, bevreesd en stralend. Ze leek prachtig.

De Myrddraal probeerden enkele Trolloks om te keren voor een aanval op de mannen van Wachtheuvel maar het was zinloos. Nog voor de omgedraaide Trolloks vijftig stappen hadden gedaan, vielen ze neer. Een Schim viel met paard en al, niet door pijlen maar door de handen en speren van in paniek geraakte Trolloks. Nu trokken de Trolloks zich terug, renden opgewonden terug, ontvluchtten de pijlen die hen van beide kanten troffen toen de mannen in Emondsveld ruimte kregen voor hun bogen. Trolloks vielen neer, Myrddraal gingen neer. Het werd een slachtpartij, maar Perijn zag het amper. Faile! Dezelfde jongen verscheen bij zijn stijgbeugel. ‘Heer Perijn!’ schreeuwde hij om boven het juichen gehoord re worden. Mannen en vrouwen schreeuwden het uit van vreugde en opluchting toen de laatste Trolloks neervielen die niet buiten bereik van de bogen hadden kunnen komen. Er waren er niet veel ontkomen, dacht Perijn, maar hij kon amper denken. Faile. De jongen trok aan zijn broek. ‘Heer Perijn! Meester Alveren zegt dat de Trolloks uiteenvallen! En ze roepen Devenrit. De mannen, bedoel ik. Ik bedoel, ik heb ze gehoord!’ Perijn boog zich voorover om met zijn hand door de jongenskrullen te woelen. ‘Hoe heet je, vent?’