Выбрать главу

‘Jaim Aybara, heer Perijn. Ik ben uw neef, denk ik. In de verte, in ieder geval.’

Perijn kneep even zijn ogen dicht om zijn tranen te onderdrukken. Toen hij ze weer opendeed, beefde zijn hand op het jongenshoofd. ‘Nou, neef Jaim, jij kunt je kinderen over vandaag vertellen. Je kunt het aan je kleinkinderen vertellen en aan de kinderen van je kleinkinderen.’

‘Die wil ik niet,’ zei Jaim heftig. ‘Meisjes zijn zo erg. Ze lachen je uit en ze doen niet aan leuke dingen mee en je begrijpt nooit wat ze zeggen.’

‘Ik denk dat je op een dag zult merken dat ze juist niet zo erg zijn. Sommige dingen zullen ze niet veranderen, maar dan geef je er niet om.’ Faile.

Jaim keek ongelovig, maar kikkerde toen op, een brede grijns verspreidde zich over zijn gezicht. ‘Wacht tot ik Had heb verteld dat heer Perijn me neef heeft genoemd.’ En hij schoot weg naar Had, die op een mooie dag ook kinderen zou hebben, net als iedere andere jongen. De zon stond hoog boven zijn hoofd. Misschien een uur. Alles bij elkaar had het niet meer dan een uur geduurd. Het voelde aan als eeuwig.

Stapper liep naar voren en hij besefte dat hij hem moest hebben aangespoord. Juichende mensen gingen opzij voor de bruingrijze hengst en hij hoorde hen amper. Er zaten grote gaten in de versperring waar de Trolloks door hun massale aanval de staken hadden versplinterd. Hij reed door zo’n gat over een berg dode Trolloks en merkte het niet eens. Dode Trolloks vol pijlen verborgen de aarde en hier en daar lag nog een Schim wild te schokken, met evenveel stekels als een egel. Hij zag er niets van. Hij had slechts .ogen voor één ding. Faile. Ze zette zich in beweging en reed van de mannen van Wachtheuvel weg, slechts even inhoudend om Bain te zeggen dat ze niet mee hoefde, waarna ze verder reed om hem te ontmoeten. Ze reed zo mooi en sierlijk, alsof de zwarte merrie een deel van haar vormde. Slank en rechtop stuurde ze Zwaluw meer met haar knieën dan met de teugels, die ze losjes in haar hand had. Het rode trouwlint zat nog in haar haren vervlochten; de punten bungelden over haar schouders. Hij moest bloemen voor haar zien te vinden.

Heel even namen haar schuinstaande ogen hem op, haar mond... Ze hoefde zich toch niet onzeker te voelen, maar ze rook er wel naar. ik zei dat ik zou gaan,’ zei ze eindelijk met opgeheven hoofd. Zwaluw danste opzij met gebogen nek en Faile bedwong de merrie zonder erop te letten. ‘Ik heb niet gezegd hoe ver. Je kunt niet zeggen dat ik dat beloofde.’

Hij kon niets zeggen. Ze was zo mooi. Hij wilde haar alleen maar aankijken, haar aanzien, mooi en levend en bij hem. Haar geur rook naar zweet met iets van kruidenzeep. Hij wist niet eens of hij wilde lachen of huilen. Misschien allebei. Hij wilde elke geur van haar tot diep in zijn longen opsnuiven.

Fronsend praatte ze verder. ‘Ze stonden klaar, Perijn. Echt, allemaal. Ik hoefde amper iets te zeggen om ze ervan te overtuigen dat ze mee moesten komen. De Trolloks hadden hen nauwelijks lastig gevallen, maar ze konden de rook zien. We hebben snel gereden. Bain en ik wisten Wachtheuvel voor het eerste zonlicht te bereiken en we zijn teruggekeerd zodra de zon op was.’ Haar frons werd een brede glimlach, gretig en trots. Een heerlijke glimlach. Haar donkere ogen fonkelden. ‘Ze zijn me gevolgd, Perijn. Ze zijn me gevolgd! Zelfs Tenobia heeft nooit mannen in een veldslag aangevoerd. Ze heeft het een keer gewild, toen ik acht was, maar vader heeft in haar kamer met haar een gesprek gehad en toen hij naar de Verwording uitreed, bleef zij achter.’ Met een zielige grijns voegde ze eraan toe: ik denk dat jij en hij soms dezelfde manier van doen hebben. Tenobia heeft hem verbannen, maar toen was ze pas zestien en de Raad van Heren heeft haar na enkele weken omgepraat. Ze zal paars van jaloezie zijn als ik het haar vertel.’ Weer zweeg ze, ditmaal om diep adem te halen en een vuist in haar zij te planten. ‘Waarom zeg je niets?’ wilde ze ongeduldig weten. ‘Blijf je daar als een harige klont zo zitten? Ik heb niet gezegd dat ik uit Tweewater weg zou gaan. Jij zei dat, niet ik. Jij hebt niet het recht boos op me te zijn, omdat ik niet heb gedaan wat ik nooit heb beloofd! Mij zomaar wegsturen omdat je dacht te zullen sterven! Ik ben teruggekomen...’

‘Ik hou van je.’ Het was het enige dat hij kon zeggen, maar vreemd genoeg leek het voldoende. De woorden waren nauwelijks uitgesproken of ze stuurde Zwaluw zo dicht naar hem toe dat ze haar arm om hem heen kon slaan en haar gezicht tegen zijn borst kon drukken. Het leek of ze hem doormidden wilde persen. Zachtjes streelde hij haar haren en voelde hoe zijdezacht ze waren, voelde haar zelf. ‘Ik was zo bang dat we te laat zouden komen,’ zei ze in zijn jas. ‘De mannen van Wachtheuvel trokken zo snel mogelijk op, maar toen we hier kwamen en zagen dat de Trolloks al tussen de huizen stonden... Er waren zoveel Trolloks; het leek of het dorp onder een lawine van monsters lag begraven en ik zag je niet...’ Ze haalde huiverend adem en liet die langzaam ontsnappen. Toen ze verder praatte, klonk haar stem rustiger. Iets. ‘Zijn de mannen van Devenrit gekomen?’ Hij schoot recht en zijn hand hield op met strelen. ‘Ja, inderdaad. Hoe wist je dat? Heb je dat ook nog geregeld?’ Ze begon te beven en het duurde even voor hij merkte dat ze zat te lachen. ‘Nee, mijn hart, hoewel ik het zou hebben gedaan als ik het kon. Toen die man met zijn bericht kwam van “wij komen”, dacht ik, hoopte ik, dat hij dat bedoelde.’ Ze hief haar gezicht op en keek hem ernstig aan. ik kon het je niet zeggen, Perijn. Ik kon je geen valse hoop geven. Het was maar een vermoeden. Het zou al te wreed zijn geweest... Wees niet boos op me, Perijn.’

Lachend tilde hij haar uit het zadel en zette haar voor zich op zijn paard. Ze lachte protesterend en schoof goed op de zadelboog om beide armen om hem heen te slaan, ik zal nooit, maar dan ook nooit meer boos op je zijn. Dat zw...’ Ze snoerde hem de mond. ‘Moeder zegt dat dat het ergste was wat vader ooit heeft gedaan. Hij zwoer toen nooit kwaad te zijn op haar. Het heeft haar een jaar gekost voor hij dat terugnam en ze zegt dat hij dat jaar onmogelijk was, doordat hij zoveel inslikte. Wéés kwaad op me Perijn, dan ben ik kwaad op jou. Als je me nog een trouwbelofte wilt doen, zweer dan dat je je boosheid niet zult verbergen. Wat ik niet kan zien, echtgenoot, kan ik niet aanpakken. Echtgenoot,’ herhaalde ze tevreden en schurkte zich tegen hem aan. ‘Ik vind het zo mooi klinken.’

Hij merkte dat ze niet zei dat zij hem altijd zou zeggen wanneer zijzelf kwaad was. Na alles wat ze samen hadden meegemaakt, zou hij het minstens de helft van het aantal keren op de moeilijke manier moeten ontdekken. En ze beloofde hem evenmin geen geheimen voor hem te hebben. Nou ja, het deed er niet toe, zolang ze maar bij hem was. ik zal je laten weten wanneer ik boos ben, mijn vrouw,’ beloofde hij. Ze keek hem schuins aan, alsof ze niet zeker wist wat hij bedoelde. Je zult ze nooit, nooit echt begrijpen, neef Jaim, maar het zal je niet deren. Opeens drong het tot hem door dat ze midden tussen de dode Trolloks stonden, een zwart veld vol onkruid van pijlveren en schokkende Myrddraal die weigerden te sterven. Langzaam draaide hij Stapper om. Een slachterf. Het dode Schaduwgebroed omringde hen aan alle kanten, honderden passen in het rond. Er sprongen reeds kraaien rond en een enorme kringelende wolk van gieren zwierde boven hen. Maar geen raven. En in het zuiden was het volgens Jaim hetzelfde. Hij zag als bewijs de aasgieren in het zuiden rondcirkelen. Het was niet genoeg om hen te laten boeten. Niet voor Deselle, niet voor Adora, de kleine Peet of... Niet genoeg, het zou nooit genoeg zijn. Niets kon hen ooit teruggeven. Hij omhelsde Faile zo hard dat ze kreunde, maar toen hij probeerde zijn armen wat losser te maken, legde ze zijn handen op zijn armen en kneep even hard om ze daar te houden. Zij was genoeg. Uit Emondsveld kwamen de mensen aanstromen, Bran hinkend en zijn speer gebruikend als staf, Marin glimlachend met een arm om hem heen, Daise, die door haar man Wit werd omhelsd. Gaul en Chiad, hand in hand, ongesluierd. Loials oren hingen doodmoe omlaag en Tham had bloed op zijn gezicht en Vlan Lewin kon alleen rechtop blijven staan met hulp van zijn vrouw Adine. ledereen zat onder het bloed en haastig aangebracht verband. Maar ze kwamen aanstromen. Elam en Dav, Ewin en Aram, Ewar Kanwin en Buul Datrijn. Hu en Tad, de stalknechten van De Wijnbron, Ban en Tel en de Gezellen, die weer achter de banier reden. Ditmaal zag hij niet de ontbrekende gezichten, alleen die er nog waren. Verin en Alanna op hun paarden, met Tomas en Ihvon daar vlak achter. De oude Bili Kongar liep te zwaaien met een kruik waar bier in zat, of misschien zelfs brandewijn, en Cen Buin leek evenveel sneden en builen te hebben als hij krom was. Jak Alseen was er, met een arm om zijn vrouw geslagen, met zijn zonen en dochters en hun vrouwen en mannen. Raen en Ila, nog steeds met de zuigelingen op hun rug. Nog meer. Gezichten die hij niet kende, mannen uit Devenrit waarschijnlijk en van de boerderijen daar. Daartussen lachende en springende jongens en meisjes.