Ze waaierden rondom hen uit, vormden met de mannen van Wachtheuvel een grote cirkel rond hem en Faile. Iedereen bleef uit de buurt van de stervende Schimmen, maar het was net of ze het stervende Schaduwgebroed rond hen niet zagen, alleen het paar op Stapper. Zwijgend keken ze hen aan, tot Perijn er zenuwachtig van werd. Waarom zegt niet iemand iets? Waarom staan ze ons zo aan te staren f De Witmantels verschenen. Ze reden langzaam het dorp uit in hun lange schitterende colonne van vier man naast elkaar. Dain Bornhald voorop met Jaret Byar. Elke mantel stralend wit, alsof die net gewassen was, iedere lans in precies dezelfde hoek als de andere lansen. Dof gemor klonk op, maar de mensen schoven opzij om hen door te laten. Bornhald hief zijn gehandschoende hand en bracht de colonne met veel rinkelende bitten en krakende zadels tot stilstand, terwijl hij Perijn aankeek. ‘Het is gedaan, Schaduwgebroed.’ Byars mond trilde op het randje van een snauw, maar in het gezicht van Bornhald vertrok geen spier, zijn stem bleef even zacht. ‘Met de Trolloks hier is het afgelopen. Zoals we zijn overeengekomen, neem ik je nu gevangen. Je bent een Duistervriend en een moordenaar.’
‘Nee!’ Faile draaide zich met boze ogen naar Perijn om. ‘Wat bedoelt hij met “overeengekomen”?’
Haar woorden werden bijna overstemd door het geroep om hen heen. ‘Nee! Nee!’ en: ‘Je neemt hem niet mee!’ en: ‘Guldenoog!’ Terwijl hij Bornhald aankeek, hief Perijn een hand en langzaam keerde de stilte terug. Toen iedereen stil was, zei hij: ik zei dat ik me niet zou verzetten indien je hielp!’ Vreemd dat zijn stem zo kalm klonk, vanbinnen ziedde een trage kille woede. ‘Als je hielp, Witmantel. Waar was je?’ De man gaf geen antwoord.
Daise Kongar stapte met Wit uit de kring, die zich aan haar vastklampte alsof hij haar nooit meer los wilde laten. Maar haar stevige arm omklemde op dezelfde manier ook Wits schouders; ze vormden een merkwaardig stel. Ze stak haar wapenstok stevig in de grond. Ze was een kop groter en hield haar aanzienlijk kleinere echtgenoot vast, alsof ze hem wilde beschermen. ‘Zij waren op de Brink,’ verkondigde ze luid, ‘allemaal keurig in de rij en ze bleven daar zitten, op hun paarden, even opgedirkt als meisjes voor een dans op Zomerdag. Ze hebben geen poot verzet. Daardoor besloten wij te komen...’ Een trots instemmend gemompel bij de vrouwen. ‘... toen we zagen dat jullie onder de voet dreigden te worden gelopen en toen zij maar bleven zitten als knoesten op een blok hout.’
Bornhald had zijn ogen geen moment van Perijn afgenomen; hij knipperde niet eens met zijn ogen. ‘Je dacht toch niet dat wij jou vertrouwden?’ spotte hij. ‘Je plan is alleen mislukt, omdat die anderen zijn gekomen, ja toch? En daarop kun je geen aanspraak maken.’ Faile bewoog, en zonder zijn ogen van de man af te halen legde Perijn een vinger over haar lippen toen ze iets wilde zeggen. Ze beet hem – hard – maar zei niets. Bornhalds stem werd eindelijk luider, ik zal ervoor zorgen dat je hangt, Schaduwgebroed. Ik zal je zien hangen, wat het ook mag kosten. Ik zal je hangen, al brandt de hele wereld!’ Het laatste kwam als een schreeuw. Byars zwaard gleed iets omhoog uit de schede; een grote Witmantel achter hem – Farran, meende Perijn – trok zijn zwaard helemaal, maar meer met een blije glimlach dan met de snauw van Byar.
Ze verstarden toen pijlen langs bogen schoven en rondom hen veren tot aan de oren werden getrokken; elke breedpuntpijl was op een Witmantel gericht. Langs de hele brede rij kraakten de zadels met hun hoge achterbogen toen mannen verontrust heen en weer schoven. Bornhald liet echter niets van angst blijken en rook er ook niet naar. Hij rook alleen naar haat. Zijn bijna koortsige ogen gleden over het volk van Tweewater, namen zijn manschappen op en richtten zich brandend en vol haat weer op Perijn.
Perijn maakte een beweging omlaag en met tegenzin werd de spanning op de pezen minder en zakten de bogen traag omlaag. ‘Jij wilde niet helpen.’ Zijn stem klonk als koud ijzer, hard als een aambeeld. ‘Sinds jullie komst naar Tweewater hebben jullie alleen toevallig zo hier en daar geholpen. Je gaf er niets om als huizen van mensen werden verbrand, als mensen werden gedood, zolang jullie maar iemand konden vinden die je een Duistervriend kon noemen.’ Bornhald rilde, hoewel zijn ogen brandden van haat. ‘Het wordt tijd dat jullie vertrekken. Niet alleen uit Emondsveld. Het is tijd dat jullie de andere Witmantels ophalen en uit Tweewater vertrekken. Nu, Bornhald. Jullie vertrekken nu.’ ik zal je op een dag zien hangen,’ zei Bornhald zachtjes. Hij gebaarde de colonne hem te volgen en spoorde zijn paard aan alsof hij over Perijn heen wilde rijden. Perijn trok zijn paard opzij; hij wilde dat deze mannen vertrokken, niet dat er nog meer doden vielen. De man mocht zijn laatste gebaar van verzet krijgen.
Bornhald keek niet één keer opzij, maar de uitgeteerde Byar staarde vol stille haat naar Perijn en Farran leek hem om de een of andere reden met spijt aan te kijken. De anderen bleven recht voor zich uit kijken, terwijl ze met veel gekraak van leer en hoefgetrappel langs kwamen rijden. Zwijgend opende de kring zich om hen naar het noorden door te laten.
Een groepje van tien of twaalf man kwam naar Perijn toe, sommigen in vreemde stukken en platen van oude wapenrustingen. Ze grijnsden bezorgd toen de laatste Witmantels langs hen heen reden. Hij kende niemand. Een man met witte haren en een dikke neus in een getaand gezicht leek hun leider. Hij droeg geen helm, maar wel een roestig maliënhemd, dat tot op zijn knieën hing, en de kraag van zijn boerenjas stak erbovenuit. Hij maakte een onhandige buiging naast zijn boog. ‘Jerinvar Barster, mijn heer Perijn, ze noemen me Jer.’ Hij sprak snel, alsof hij bang was onderbroken te worden. ‘Neem me niet kwalijk u lastig te vallen. Sommigen van ons zullen de Witmantels volgen als u het goed vindt. Heel veel willen naar huis, zelfs al halen we het niet meer voor donker. Er zitten in Wachtheuvel nog even zoveel Witmantels, maar die wilden niet meegaan. Ze hadden bevel daar stand te houden, zeiden ze. Stelletje idioten, als je het mij vraagt, en we zijn het zat dat ze bij ons zitten en hun neus overal insteken en proberen of iemand zijn buurman wil beschuldigen. We zorgen ervoor dat ze vertrekken als u dat goed vindt.’ Hij keek Faile beschaamd aan, liet zijn brede kin zakken, maar de woordenvloed was niet te stuiten. ‘Neem me niet kwalijk, mijn vrouwe Faile. Wil u en uw heer niet lastig vallen. Wilde hem alleen laten weten dat we achter hem staan. Een fijne vrouw hebt u, mijn heer, een prachtvrouw. Wil u niet beledigen, mijn vrouwe. Nou, het is nog licht en ik sta geen schapen maar scharen te verkopen. Neem me niet kwalijk dat ik u lastig viel, mijn heer Perijn. Neem me niet kwalijk, mijn vrouwe.’ Weer boog hij, en de anderen volgden zijn voorbeeld. Ze haastten zich weg, terwijl hij zijn mensen aanspoorde en mompelde: ‘We hebben geen tijd de heer en zijn vrouw lastig te vallen. Er moet nog veel werk worden verzet.’