‘Wie was dat?’ vroeg Perijn, een tikkeltje verstomd na die woordenvloed. Zelfs Daise en Cen gebruikten niet zoveel woorden. ‘Kerf Faile? Uit Wachtheuvel?’
‘Meester Barster is de dorpsmeester van Wachtheuvel en de at zijn van de dorpsraad. De vrouwenkring van Wachtheuvel stuurt afvaardiging onder leiding van hun Wijsheid als het reizen veilig ij Om te zien of deze heer Perijn wel goed is voor Tweewater, zeggen ze, maar ze hebben me allemaal gevraagd hoe ze een goede kniebuiging voor jou moeten maken en de Wijsheid, Edelle Gaelen, neemt wat van haar appeltaart voor je mee.’
‘O, bloedvuur,’ zuchtte hij. Het verspreidde zich. Hij wist dat hij het vanaf het eerste begin de grond in had moeten stampen. ‘Noem me niet zo!’ riep hij de vertrekkende mannen na. ‘Ik ben een smid. Horen jullie? Een smid!’ Jer Barster draaide zich om, wuifde en knikte voor hij de anderen achterna snelde.
Giechelend trok Faile aan zijn baard. ‘Je bent een lieve dwaas, mijn heer smid. Het is te laat om dat nog te stuiten.’ Opeens werd haar glimlach echt geslepen. ‘Echtgenoot, bestaat de mogelijkheid dat je zo gauw mogelijk eens alleen kunt zijn met je vrouw? Dat trouwen lijkt me even overmoedig te hebben gemaakt als een jonge Domani! Ik weet dat je doodmoe zult zijn, maar...’
Met een kreetje zweeg ze en klampte zich aan zijn jas vast toen hij Stapper naar De Wijnbron liet galopperen. Voor het eerst maakte hij zich niet druk om het gejuich dat hem achtervolgde. ‘Guldenoog! Heer Perijn! Guldenoog!’
Vanaf de dikke tak van een dichtbebladerde eik aan de rand van het Westwoud staarde Ordeith naar Emondsveld, een span verder naar het zuiden. Het was onmogelijk. Martel ze. Gesel ze. Alles was volgens plan verlopen. Zelfs Isam had hem in de kaart gespeeld. Waarom heeft die zot geen nieuwe Trolloks aangevoerd? Hij had er genoeg bijeen moeten brengen om heel Tweewater te bedelven onder Trolloks! Speeksel droop van zijn lippen, maar hij merkte het niet. Evenmin besefte hij dat zijn hand aan zijn riem voelde. Bestook ze tot ze barsten! Kwel ze krijsend de aarde in! Ai zijn plannen, zo goed bedacht om Rhand Altor naar zich toe te lokken, en hierop was het uitgelopen! Tweewater had geen schrammetje. Een paar verbrande boerderijen deden er niet toe, evenmin die paar afgeslachte boeren in de kookpotten van de Trolloks. Ik wil Tweewater in laaiende vlammen, in zoveel vuur dat het duizenden jaren in de herinnering van de mensen blijft hangen!
‘Ik zal je naar de banier in het dorp en naar de banier niet ver onder de de cn (??) scharlakenrode wolfskop op wit met een scharlakenrode rand. Perijn banier met een rode adelaar. Rood voor het bloed dat Tweewater had moeten vergieten, zodat Rhand Altor zou janken van ellende. Manetheren. Dat moest Manetherens banier voorstellen. Dus iemand had hun over Manetheren verteld, hè? Wat wisten die dwazen van de roemrijke daden van Manetheren? Manetheren. Jazeker, hij wist nog wel een manier om ze te martelen. Hij lachte zo hard dat hij bijna uit de eik viel, voor het tot hem doordrong dat hij zich niet met twee handen vasthield en dat een hand naar de riem greep waar een dolk had moeten hangen. De lach verwrong tot een snauw toen hij naar die hand keek. Wat hem was ontstolen, lag in de Witte Toren. Het was van hem, hij had een recht dat terugging tot de Trollok-oorlogen.
Hij liet zich omlaag zakken en steeg op voor hij naar zijn mederuiters keek. Zijn honden. Een dertigtal Witmantels die natuurlijk geen spierwitte mantels meer droegen, met roestvlekken op hun doffe wapenrusting. Bornhald zou deze dof kijkende, achterdochtige gezichten die zo smerig en ongeschoren waren, nooit herkennen. De mannen hielden Ordeith in het oog, zonder veel vertrouwen maar bevreesd, en keken zelfs niet eens naar de Myrddraal in hun midden, met zijn lijkbleke oogloze gezicht dat strak uit hout leek te zijn gesneden. De Halfman was bang dat Isam hem zou vinden; Isam had het echt niet leuk gevonden toen er bij de overval op Tarenveer zoveel ontsnapten die het nieuws over Tweewater konden verspreiden. Ordeith giechelde bij de gedachte aan een verontruste Isam. Die man was een probleem voor later als hij dan nog in leven was.
‘We rijden naar Tar Valon,’ snauwde hij. Hard doorrijden om voor Bornhald bij de veerpont aan te komen. De banier van Manetheren, na al die eeuwen weer wapperend boven Tweewater. Het was zo lang geleden dat de Rode Adelaar het hem lastig had gemaakt. ‘Maar eerst Caemlin!’ Martel ze. Gesel ze! Laat eerst Tweewater boeten en dan Rhand Altor en dan...
Lachend galoppeerde hij door het bos naar het noorden, keek niet om óf ze hem volgden. Ze zouden dat doen. Ze konden toch nergens anders heen.
57
Een breken in het Drievoudige Land
De witgloeiende middagzon boven de kokende Woestenij tekende zwarte schaduwen in de bergen die voor hen in het noorden oprezen. Jeade’ens hoeven leidden Rhand over de droge heuvels die zich hoog en laag als golven in een lege vlakte van gebarsten grond vele spannen achter hem uitstrekten. Sinds de bergen de vorige dag zichtbaar waren geworden, hield Rhand zijn blik erop gericht. De Rug van de Wereld met zijn sneeuwloze toppen was lager dan de Mistbergen, maar bestond uit scherpe, onregelmatige vlakken van grijze en bruine rots. Op sommige plaatsen liepen er gele of rode banden door van glinsterende vlekjes, maar overal zo woest dat iemand de gedachte zou kunnen koesteren dat hij de Drakenmuur beter te voet over kon trekken. Zuchtend verschoof hij in het zadel en deed de sjoefa goed boven zijn rode jas. In de bergen voor hem lag Alcair Dal. Spoedig zou er een of ander einde aan komen of misschien een begin. Misschien allebei. Heel gauw misschien. De blonde Adelin stapte gemakkelijk voor de grijsbruine hengst uit en nog negen andere door de zon verbrande Far Dareis Mai vormden een grote kring om hem heen, allen met schilden en speren in de hand, booghoezen op de rug en zwarte sluiers op de borst die meteen voor het gezicht konden worden getrokken. De erewacht van Rhand. Zo noemden de Aiel het niet, maar de Speervrouwen kwamen voor Rhands eer mee naar Alcair Dal. Hij zag zoveel verschillen en hij wist maar half wat ze inhielden, zelfs als hij ermee te maken kreeg.
Aviendha’s gedrag ten opzichte van de Speervrouwen bijvoorbeeld en hoe ze met haar omgingen. Ook nu liep ze het grootste deel van hun tocht naast hem mee, met haar armen over elkaar onder de schoudersjaal. De groene ogen onder haar donkere hoofddoek keken strak naar de bergen. Afgezien van een enkel woord praatte ze amper met de vrouwen, maar dat was weer niet zo gek. Die over elkaar geslagen armen, dat was het vreemde. De Speervrouwen wisten van haar ivoren armband, maar leken net te doen of ze hem niet zagen. Zij deed hem ook niet af, maar verborg hem wel iedere keer als ze dacht dat iemand hem kon zien.
Jij hebt geen krijgsgenootschap, had Adelin hem verteld toen hij andere krijgslieden dan de Speervrouwen voorstelde om als erewacht op te treden. Ieder stam- en sibbehoofd zou vergezeld worden van krijgers van het genootschap waartoe hij behoorde voor hij tot hoofd werd verheven. Jij hebt geen krijgsgenootschap, maar je moeder was een Maagd van de Speer. De blonde vrouw en de andere negen hadden niet naar Aviendha gekeken, die iets verder onder Lians dak in het voorvertrek had gestaan; ze hadden met opzet niet naar haar gekeken. Ontelbare jaren hebben Speervrouwen die de speer niet wilden opgeven hun pasgeborenen aan de Wijzen gegeven, om ze aan andere vrouwen te geven. Niemand wist waar het kind heen ging, zelfs niet of het een jongen of meisje was. Nu is de zoon van een Maagd naar ons teruggekeerd en we kennen hem. Wij zullen naar Alcair Dal gaan, voor jouw eer, zoon van Shaiel, Maagd van de Speer van de Chumai Taardad. Haar gezicht was zo nat – alle gezichten, ook dat van Aviendha – dat hij vermoedde dat ze bij een weigering zouden aanbieden de speren te laten dansen.