‘Het moet een Verzaker zijn geweest,’ besloot Rhand ten slotte. ‘Misschien Sammael. Je hebt verteld dat hij in Illian zit. Tenzij er een van hen hier in Tyr is. Kan Sammael de Steen vanuit Illian bereiken?’
‘Zelfs niet met Callandor in zijn handen,’ vertelde Moiraine hem. ‘Er zijn grenzen. Sammael is slechts een man, niet de Duistere zelf.’ Slechts een man? Geen geweldige beschrijving, dacht Perijn. Een man die kon geleiden maar die op de een of andere manier niet krankzinnig werd, tenminste nog niet, niet dat iemand het wist. Een man die wellicht even sterk was als Rhand, maar terwijl de laatste nog steeds poogde te leren, kende Sammael reeds ieder kunstje van zijn talenten. Een man die drieduizend jaar in de kerkers van de Duistere had doorgebracht, een man die uit eigen vrije wil naar de Schaduw was overgelopen. Nee, ‘slechts een man’ beschreef hem absoluut niet goed, Sammael niet en geen enkele andere Verzaker, hetzij mannelijk of vrouwelijk.
‘Dan moet er hier een zijn. In de stad.’ Rhand steunde met zijn hoofd op zijn polsen, maar schoot onmiddellijk weer recht, terwijl hij de anderen boos aankeek. ‘Ik laat niet meer op me jagen. Ik zal hem – of haar – vinden – en dan ga ik...’
‘Geen Verzaker,’ onderbrak Moiraine hem. ‘Ik denk het niet. Dit was te eenvoudig en tegelijk te ingewikkeld.’
Rhand sprak kalm. ‘Geen raadseltjes, Moiraine. Als het geen Verzaker was, wie dan? Of wat dan?’
Het gezicht van de Aes Sedai kon als aambeeld dienen, maar ze aarzelde, zoekend naar woorden terwijl ze verder sprak. Het viel niet te zeggen of ze niet zeker was van haar antwoord of niet zeker wist hoeveel ze kwijt wilde.
‘Omdat de zegels op de kerkers van de Duistere verzwakken,’ zei ze even later, ‘is het onvermijdelijk dat er ondanks zijn gevangenschap een... miasma, een uitwaseming, ontsnapt. Zoals de opstijgende bellen van rottende dingen op de bodem van een meer. Die bellen drijven dan willekeurig door het Patroon tot ze zich aan een draad vasthechten en openbarsten.’
‘Licht!’ Het ontsnapte Perijn voor hij het tegen kon houden en Moiraine sloeg haar ogen naar hem op. ‘Je bedoelt dat wat er met... met Rhand gebeurde, nu iedereen kan overkomen?’
‘Niet iedereen. Nog niet, tenminste. In het begin zullen het slechts enkele ontsnappende bellen zijn, uit de spleten waardoor de Duistere naar buiten reikt. Later? Wie zal het zeggen. En net zoals ta’veren de andere draden in het Patroon om hen heen bijbuigen, denk ik dat een ta’veren waarschijnlijk een sterkere aantrekkingskracht voor die bellen bezit dan anderen.’ Haar ogen vertelden hem dat ze wist dat Rhand niet de enige was geweest die een levende nachtmerrie had overleefd. Een klein glimlachje, en alweer weg voor hij het zag, zei dat hij zijn mond kon blijven houden als hij dat geheim wilde houden. Maar ze wist het. ‘In de komende maanden... jaren misschien – we zullen heel veel geluk hebben als we nog zoveel tijd krijgen – vrees ik dat heel veel mensen dingen zullen zien waar ze witte haren van zullen krijgen, zo niet erger.’
‘Mart,’ zei Rhand. ‘Weet je of hij...? Is hij...?’
‘Ik zal het gauw weten,’ antwoordde Moiraine kalm. ‘Wat gedaan is, kan niet ongedaan worden gemaakt, maar we kunnen hopen.’ Ondanks haar luchtige toon rook hij dat ze zich slecht op haar gemak voelde, tot Rhuarc sprak.
‘Hij is in orde. Of was dat in elk geval. Ik heb hem gezien toen ik hierheen kwam.’
‘Waar ging hij heen?’ vroeg Moiraine op scherpe toon. ik dacht dat hij op weg was naar de vleugels van de bedienden,’ zei de Aielman. Hij wist dat het drietal ta’veren was, en volgens Perijn nog veel meer, en hij kende Mart goed genoeg om eraan toe te voegen: ‘Niet naar de stallen, Aes Sedai. De andere kant op, naar de rivier. En aan de kaden van de Steen liggen geen boten.’ Hij stotterde niet eens bij woorden als boot en kade, zoals de meeste Aiel, hoewel zulke dingen in de Woestenij alleen in verhalen voorkwamen.
Ze knikte alsof ze niets anders had verwacht. Perijn schudde het hoofd. Ze was er zo aan gewend haar eigen gedachten te verbergen dat ze die nu uit gewoonte leek te versluieren.
Opeens ging een van de deuren open en glipten Bain en Chiad zonder hun speren naar binnen. Bain droeg een grote witte kom en een grote dampende kan. Chiad had opgevouwen handdoeken over haar arm. ‘Waarom brengen jullie dit binnen?’ wilde Moiraine weten. Chiad schokschouderde. ‘Ze wilde niet binnenkomen.’ Rhand lachte blaffend. ‘Zelfs de bedienden weten genoeg om me uit de weg te gaan. Zet maar ergens neer.’
‘Je tijd raakt op, Rhand,’ zei Moiraine. ‘De Tyreners raken in zekere zin aan je gewend, en niemand vreest het bekende evenveel als het onbekende. Hoeveel weken of dagen heb je nog voor iemand probeert een pijl in je rug te schieten of gif in je eten te doen? Hoeveel tijd heb je nog voor een Verzaker toeslaat of de volgende bel door het Patroon borrelt?’
‘Probeer me niet op te jagen, Moiraine.’ Hij was heel erg vuil, halfnaakt, en moest Callandor volledig benutten om rechtop te blijven zitten, maar hij slaagde erin die woorden te vullen met een stil bevel. ‘Voor jou ga ik ook niet op de vlucht.’
‘Kies snel je weg,’ zei ze. ‘En laat me deze keer weten wat je wilt. Mijn kennis kan je niet helpen als je weigert mijn hulp aan te nemen.’
‘Jouw hulp,’ zei Rhand behoedzaam, ik neem je hulp aan. Maar ik beslis, niet jij.’
Hij keek Perijn aan alsof hij hem zwijgend probeerde iets duidelijk te maken, iets wat de anderen niet mochten weten. Perijn had geen idee wat het was. Even later zuchtte Rhand en zakte zijn hoofd omlaag, ik wil gaan slapen. Jullie allemaal, ga weg. Alsjeblieft. We praten morgen verder.’ Zijn ogen schoten weer naar Perijn en onderstreepten zijn woorden.
Moiraine liep naar Bain en Chiad toe en de twee Aiel bogen zich naar elkaar toe, zo dicht bij elkaar dat alleen zij haar konden verstaan. Perijn hoorde slechts een gezoem en vroeg zich af of ze de Kracht tegen zijn scherpe oren gebruikte. Ze wist hoe scherp die waren. Hij wist het zeker toen Bain iets terug fluisterde en hij nog steeds niets kon opvangen. De Aes Sedai had echter niets aan zijn reuk gedaan. De luisterende Aielvrouwen keken naar Rhand en ze roken of ze op hun hoede waren. Niet bang, maar meer alsof Rhand een groot dier was dat bij een misstap van hen gevaarlijk zou worden.
De Aes Sedai wendde zich weer tot Rhand. ‘We zullen inderdaad morgen verder praten. Je kunt niet als een patrijs op een jagersnet blijven wachten.’ Ze liep al richting deur voor Rhand antwoord kon geven. Lan keek Rhand aan alsof hij iets wilde zeggen, maar volgde haar toen zwijgend.
‘Rhand?’ zei Perijn.
‘We doen wat we moeten doen.’ Rhand keek niet op van het lichtgevende gevest in zijn handen. ‘We doen allen wat we moeten doen.’ Hij rook bang.
Perijn knikte en volgde Rhuarc de kamer uit. Moiraine en Lan waren nergens te zien. De Tyreense officier stond tien pas verder naar de deuren te staren en probeerde net te doen of die afstand zijn keus was en niets te maken had met de vier Aielvrouwen die hem in het oog hielden. De andere twee Speervrouwen waren nog in het slaapvertrek, besefte Perijn. Hij hoorde stemmen uit die kamer. ‘Ga weg,’ zei Rhand vermoeid. ‘Zet dat maar neer en ga weg.’
‘Als je uit jezelf kunt staan,’ zei Chiad opgewekt, ‘dan zullen we dat doen. Alleen recht staan.’
Er klonk het geluid van water dat in een kom werd gegoten. ‘We hebben eerder gewonden verzorgd,’ zei Bain op kalmerende toon. ‘En ik waste meestal mijn broertjes toen ze nog klein waren.’ Rhuarc duwde de deur dicht en sneed de rest af. ‘Jij gaat niet als een Tyrener met hem om,’ zei Perijn peinzend. ‘Geen gebuig, geen hielengeklak. Ik denk niet dat ik jullie ooit de titel Drakenheer heb horen gebruiken.’