‘Dit had ik niet van je verwacht, Rhuarc,’ zei een zwaargebouwde grijze man. Hij was niet dik – Rhand had nog geen enkele dikke Aiel gezien – maar een en al spieren. ‘Van Shaido was het al een verrassing, maar van jou...’
‘De tijden veranderen, Mandhuin,’ antwoordde het stamhoofd. ‘Hoelang zijn de Shaido al hier?’
‘Sinds zonsopgang. Waarom ze ’s nachts hebben gereisd, kan ik je niet zeggen.’ Mandhuin keek fronsend naar Rhand en hield zijn hoofd schuin voor een blik op Mart. ‘Het zijn inderdaad vreemde tijden, Rhuarc.’
‘Wie zijn er, afgezien van de Shaido?’ vroeg Rhuarc.
‘Wij, de Goshien, waren er als eersten. Toen de Shaarad.’ De zware man grijnsde bij de namen van zijn bloedvijanden, maar bleef de twee natlanders in het oog houden. ‘De Chareen en de Tomanelle kwamen later. En als laatste de Shaido, zoals ik al zei. Sevanna heeft niet zo lang geleden de stamhoofden overtuigd naar binnen te gaan. Bael zag eigenlijk geen reden elkaar vandaag te spreken en de anderen ook niet.’ Een vrouw met een breed gezicht en van middelbare leeftijd, met nog blonder haar dan Adelin, plantte met veel geratel van ivoor en gouden armbanden haar vuisten in de zij. ‘Wij horen dat Hij die komt met de dageraad uit Rhuidean is gekomen, Rhuarc.’ Ze keek fronsend naar Rhand en Mart. De hele afvaardiging deed dat. ‘We horen dat de Car’a’carn vandaag zal worden aangekondigd. Voor alle stammen zijn aangekomen.’
‘Dan heeft iemand u een voorspelling gegeven,’ zei Rhand. Hij raakte de flanken van zijn paard aan en de afvaardiging stapte opzij. ‘Dovienya,’ mompelde Mart. ‘Mia dovienya nesodhin soende.’ Wat het ook betekende, het klonk als een vurige wens.
De Taardadcolonnes stonden nu aan weerszijden van de Shaido en stelden zich met een tussenruimte van een paar honderd pas tegenover hen op, nog steeds gesluierd, nog steeds zingend. Ze maakten eigenlijk geen enkele dreigende beweging, maar stonden stil. Vijftien- of twintigmaal zoveel krijgers als de Shaido zongen met donderende stem in zangerige harmonie.
Terwijl Rhand naar de gesluierde Shaido reed, zag hij dat Rhuarc zijn sluier wilde voordoen. ‘Nee, Rhuarc. We zijn niet hier om tegen hen te vechten.’ Hij bedoelde eigenlijk dat hij hoopte dat het niet zo ver zou komen, maar de Aielman vatte het anders op. ‘Je hebt gelijk, Rhand Altor. Geen eer voor de Shaido.’ Hij liet zijn sluier op de borst hangen en verhief zijn stem. ‘Geen eer aan de Shaido!’ Rhand keek niet rond, maar had het gevoel dat de zwarte sluiers achter hem zakten.
‘O, bloedvuur,’ steunde Mart. ‘Bloed en bloedvuur!’
De naast elkaar opgestelde Shaidokrijgers voelden zich niet op hun gemak. Wat Couladin of Sevanna hun ook had verteld, ze konden wel tellen. Om de speren te dansen met Rhuarc en de zijnen was één ding, zelfs al was het tegen elke gewoonte in, maar om het op te nemen tegen zoveel Taardad dat die hen konden wegblazen als een woestijnstorm, was weer heel iets anders. Langzaarn weken ze uiteen, gingen achteruit om Rhand door te laten en maakten een brede doorgang. Rhand slaakte een zucht van opluchting. Adelin en de andere vrouwen liepen onbevangen door alsof de Shaido niet eens bestonden.
Het gezang zakte weg tot een gemurmel toen ze de brede rotskloof met steile wanden inreden, hoog en diep in de schaduwen waar hij de bergen in boog. Heel lang waren de hardste geluiden het hoefgekletter op de rots en het zachte geschuifel van de Aiellaarzen. Opeens kwam de doorgang uit in Alcair Dal.
Rhand zag waarom de kloof een kom was genoemd, hoewel er niets van goud te zien was. De grijze, langzaam oprijzende wanden liepen bijna volmaakt rond, maar niet aan het andere eind, waar ze als een golfbreker naar binnen krulden. Verspreid over de hellingen zaten en stonden Aiel, hun hoofd en gezicht ontbloot, in veel meer groepjes dan er stammen waren. De Taardad die met de sibbehoofden waren gekomen, trokken naar de een of andere groep. Volgens Rhuarc verdeelde men zich hier naar krijgsgenootschap en niet naar stam om de vrede te helpen bewaren. Alleen de Roodschilden en Speervrouwen liepen met Rhand en de Taardadhoofden mee.
De andere sibbehoofden zaten als stam bijeen, met gekruiste benen voor een brede richel onder de omkrullende overhang. Zes kleine groepjes, een van Speervrouwen, stonden tussen de sibbehoofden en de richel. Dit waren waarschijnlijk de Aiel die voor de eer van de stamhoofden waren meegekomen. Zes, hoewel er maar vijf stammen waren. Sevanna zou de Speervrouwen wel hebben – hoewel Adelin er al snel op wees dat Sevanna nooit een Far Dareis Mai was geweest, maar die zesde... Er stonden elf mannen, geen tien. Hoewel hij alleen het achterhoofd zag met de vuurrode haren, wist Rhand meteen dat het Couladin was.
Op de richel zelf stonden een goudblonde vrouw met evenveel sieraden als de vrouw op de vrijmarkt en een grijze sjaal over de armen – Sevanna natuurlijk – en vier stamhoofden, geen van hen gewapend, afgezien van het mes aan hun riem. Een ervan was de langste man die Rhand ooit had gezien; volgens Rhuarcs beschrijving moest dat Bael van de Goshien zijn. De man moest minstens een hand boven Rhuarc en hem uitsteken. Sevanna was aan het woord en door een of andere eigenaardigheid van de kloof waren haar woorden overal goed te verstaan. ‘... gun hem het woord!’ Haar stem klonk gespannen en boos. Met het hoofd hoog en kaarsrechte rug probeerde ze met haar wilskracht de richel te overheersen, ik eis het als mijn recht! Tot een nieuw stamhoofd is gekozen, vertegenwoordig ik Suladric en de Shaido. Ik eis mijn recht!’
‘Je vertegenwoordigt Suladric tot een stamhoofd is gekozen, dakvrouwe.’ De witharige, lichtgeraakte man was Han, het stamhoofd van de Tomanelle. Met zijn gezicht als van donker kreukleer zou hij langer zijn dan de gemiddelde Emondsvelder, maar voor een Aiel was hij stevig en klein, ik twijfel er niet aan dat je de rechten van een dakvrouwe goed kent, maar die van een stamhoofd mogelijk minder goed. Alleen hij die Rhuidean heeft betreden, mag hier het woord voeren – en jij die Suladric vertegenwoordigt.’ Han leek er niet al te gelukkig mee te zijn, maar zo te horen was hij dat zelden met iets. ‘De droomloopsters hebben echter verteld dat onze Wijzen Couladin het recht hebben ontzegd Rhuidean te betreden.’
Couladin schreeuwde iets, hoorbaar woedend, maar het was onverstaanbaar – blijkbaar werkte de eigenaardigheid van de bergkom alleen op de richel – maar Erim van de Chareen – zijn lichtrode haar vertoonde reeds witte lokken – onderbrak hem scherp. ‘Eer jij gewoonte en wet niet, Shaido? Heb je geen eer? Wees stil hier.’ Enkele ogen op de hellingen wendden zich naar de nieuwkomers. Een golf van knikjes in de richting van de twee natlanders te paard voor de sibbehoofden, waarbij één ruiter van nabij werd gevolgd door Speervrouwen, zorgde ervoor dat nog meer Aiel zich omdraaiden. Hoeveel Aiel keken op hem neer, vroeg Rhand zich af. Drieduizend? Vier? Meer? Niemand maakte enig geluid.