‘We zijn hier bijeen om een grote aankondiging aan te horen,’ zei Bael, ‘als alle stammen aanwezig zijn.’ Zijn donkerrode haar werd ook al grijs, er waren geen jongemannen bij de stamhoofden. Zijn lengte en basstem trokken alle aandacht. ‘Wanneer alle stammen er zijn. Als het Sevanna’s enige wens is dat we Couladin het woord geven, ga ik nu terug naar mijn tenten om te wachten.’
Jheran van de Shaarad, een bloedvijand van Baels Goshien, was een slanke man, zo slank als een stalen lemmet, met vele grijze lokken in zijn lichtbruine haren. Hij nam het woord en richtte zich tot niemand in het bijzonder, ik zeg dat we niet naar onze tenten terugkeren. Aangezien Sevanna ons hierheen heeft gebracht, laten we dan bespreken wat slechts iets minder belangrijk is dan de ons wachtende aankondiging. Water. Ik wens een gesprek over het water bij de Ketenrugpost.’ Bael wendde zich dreigend naar hem toe.
‘Dwazen!’ snauwde Sevanna. ik heb genoeg van het wachten! Ik...’ Toen pas beseften de Aiel op de richel dat er mensen aankwamen. In volledige stilte zagen ze hen naderen, de stamhoofden met diepe rimpels in het voorhoofd, Sevanna nors. Ze was een mooie vrouw, net niet jong meer – ze zag er jonger uit door de mannen om haar heen die behoorlijk wat ouder waren, maar haar wellustige mond en bleekgroene ogen hadden iets berekenends. De stamhoofden waren waardig, zelfs Han op zijn manier met zijn wrange lippen. In tegenstelling tot alle andere Aielvrouwen die Rhand kende, droeg ze haar hemd zo ver losgeknoopt dat tussen de vele halskettingen een aanzienlijk deel van haar borsten zichtbaar was. Hij zou de stamhoofden aan hun optreden hebben herkend, maar als Sevanna een dakvrouwe was, dan leek ze absoluut niet op Lian.
Rhuarc stapte recht op de richel af en gaf zijn speren, schild, boog en pijlkoker af aan een Roodschild, waarna hij omhoog stapte. Rhand gaf de teugels aan Mart – die ‘Veel geluk’ mompelde terwijl hij de Aiel om zich heen opnam; Adelin knikte Rhand bemoedigend toe – en stapte recht van het zadel naar de verhoging. Een geschokt gemompel rolde door de kloof.
‘Wat doe je, Rhuarc?’ wilde Han boos kijkend weten. ‘Een natlander hier? Als jij hem niet wilt doden, stuur hem dan tenminste van deze richel weg. Hij is geen stamhoofd.’
‘Deze man, Rhand Altor, is gekomen om met de stamhoofden te praten. Hebben de droomloopsters je niet verteld dat hij mee zou komen?’ Rhuarcs woorden veroorzaakten een luider gemompel in de kom. ‘Melaine heeft me vele dingen verteld, Rhuarc,’ zei Bael langzaam en keek fronsend naar Rhand. ‘Dat Hij die komt met de dageraad uit Rhuidean is getreden. Je wilt toch niet zeggen dat deze man...’ Zijn stem stierf in ongeloof weg.
‘Als deze natlander mag spreken,’ zei Sevanna snel, ‘dan kan Couladin dat ook.’ Ze hief haar hand en Couladin klauterde met een van woede vertrokken gezicht de richel op. Han ging pal voor hem staan. ‘Omlaag, Couladin! Het is al erg genoeg dat Rhuarc de gewoonte schendt, zonder dat jij hetzelfde doet!’
‘Het wordt tijd dat we de versleten gewoonten kwijtraken,’ schreeuwde de rossige Aiel en trok zijn grijsbruine jas uit. Hij hoefde helemaal niet te schreeuwen – zijn woorden weerkaatsten door de kloof – maar hij ging niet zachter praten, ik ben Hij die komt met de dageraad!’ Hij schoof zijn hemdsmouwen omhoog en stak beide vuisten omhoog. Rond iedere onderarm wond zich een slangachtig dier van vuurrode en gouden schubben en met glinsterende metaalachtige voeten, elk met vijf gouden klauwen en een kop met gouden manen die bij de polsen eindigden. Twee volmaakte draken, ik ben de Car’a’carn!’ Het gebulder dat antwoordde, klonk als rommelend onweer. De Aiel sprongen overeind en schreeuwden opgewonden. De sibbehoofden gingen ook staan, de Taardad bezorgd bijeen, de anderen even luid roepend als wie dan ook.
De stamhoofden leken stomverbaasd, zelfs Rhuarc. Adelin en haar negen Speervrouwen hieven de speer, alsof ze erop rekenden die elk moment te moeten gebruiken. Terwijl Mart een blik wierp op de uitgang van de kloof, trok hij zijn hoed stevig omlaag en leidde de twee paarden naar de richel, terwijl hij dringend Rhand gebaarde in het zadel te springen.
Sevanna glimlachte zelfvoldaan en schoof haar sjaal goed, terwijl Couladin met opgeheven armen naar de rand van de richel schreed, ik breng verandering,’ schreeuwde hij. ‘Volgens de voorspelling breng ik nieuwe dagen. Wederom zullen we de Drakenmuur oversteken en terugnemen wat van ons was! De natlanders zijn zacht, maar rijk! Denk aan de rijkdommen die we de laatste keer uit de natlanden terugbrachten! Ditmaal nemen we alles! Ditmaal...’
Rhand liet de tirade van de man over zich heen gaan. Hij had van alles verwacht, maar dit...? Hoef Het woord bleef in zijn hoofd rond-gonzen, maar gek genoeg bleef hij heel beheerst. Langzaam trok hij zijn jas uit, aarzelde even voor hij de angreaal uit de zak nam en stak hem in de band van zijn broek. Hij liet de jas vallen en liep naar de rand van de verhoging, waarbij hij kalm de mouwkoordjes losknoopte. De mouwen gleden omlaag toen hij zijn armen opstak. Het duurde even voor alle Aiel de draken zagen die zich ook om zijn armen slingerden, glanzend in het zonlicht. Hun gesis kwam met golven, maar toen was de stilte volkomen. Sevanna’s mond viel open; dit had ze niet geweten. Couladin had er duidelijk niet op gerekend dat Rhand hem zo snel zou volgen en had haar niet verteld dat een ander ook de tekenen droeg. Hoef De man moest hebben aangenomen dat hij voldoende tijd had en dat hij na zijn erkenning Rhand als bedrog zou kunnen afdoen. Licht, hoef Niet alleen de dakvrouwe van Comardaveste was met stomheid geslagen, ook alle stamhoofden, afgezien van Rhuarc. Twee mannen met de merktekenen van de voorspelling waar er een had moeten zijn.
Met zijn armen zwaaiend raasde Couladin door om ervoor te zorgen dat iedereen de draken goed zag. ‘... en we stoppen niet bij her land van de boombrekers! We zullen alle landen tot aan de Arythische Oceaan veroveren! De natlanders kunnen het nooit opnemen...’ Opeens drong het tot hem door dat het volkomen stil was in tegenstelling tot het opgewonden geschreeuw van zojuist. Hij wist wat de oorzaak was. Zonder zich naar Rhand om te draaien schreeuwde hij: ‘Natlander! Kijk naar zijn kleren. Een natlander!’
‘Een natlander,’ beaamde Rhand. Hij verhief zijn stem niet, maar de bergkloof droeg zijn woorden rond. De Shaido keek heel even geschokt en grinnikte toen triomfantelijk... tot Rhand doorsprak. ‘Wat zegt de voorspelling van Rhuidean? “Geboren uit het bloed.” Mijn moeder was Shaiel, een Maagd van de Speer van de Chumai Taardad.’ Wie was zij eigenlijk? Waar was ze vandaan gekomen? ‘Mijn vader was Janduin van IJzerbergsibbe, stamhoofd van de Taardad.’ Mijn vader is Tham Altor. Hij heeft me gevonden, me opgevoed en houdt van me. Ik wou dat ik je had gekend, Janduin, maar Tham is mijn vader. ‘Geboren uit het bloed, maar opgevoed door zij die niet van het bloed zijn. Waar hebben de Wijzen me gezocht? In de vesten van het Drievoudige Land? Zij hebben gezocht achter de Drakenmuur, waar ik werd grootgebracht. Volgens de voorspelling.’
Bael en de andere drie knikten langzaam, maar met enige aarzeling. Nog steeds zagen ze de twee draken op Couladins armen en ongetwijfeld zouden ze liever iemand van hun eigen bloed zien. Sevanna’s gezicht stond meer vastbesloten. Het deed er niet toe wie de echte merktekenen droeg, maar er bestond geen twijfel aan wie zij steunde. Het zelfvertrouwen van Couladin was niet geschokt. Hij keek Rhand openlijk spottend aan, voor het eerst keek hij hem echt aan. ‘Hoelang is het geleden dat de voorspelling voor het eerst werd gesproken?’ Hij leek nog steeds te denken dat hij moest schreeuwen. ‘Wie weet hoeveel woorden in die tussentijd zijn veranderd. Mijn moeder was Far Dareis Mai voor ze de speer opgaf. Hoeveel van al het andere is veranderd? Of werd veranderd? Men zegt dat wij eens de Aes Sedai dienden. Ik zeg dat ze ons wederom aan hen willen binden! Deze natlander werd gekozen, omdat hij op ons lijkt! Hij is niet van ons bloed! Hij kwam aan de teugel van de Aes Sedai! En de Wijzen hebben hen begroet alsof zij eerstezusters waren! Jullie hebben allen gehoord dat de Wijzen ongelooflijke dingen kunnen doen! De droomloopsters hebben de Ene Kracht gebruikt om deze natlander tegen mij te beschermen! Zij hebben als Aes Sedai de Ene Kracht gebruikt! De Aes Sedai hebben deze natlander hierheen gebracht om ons met bedrog te binden! En de droomloopsters helpen hen!’