Выбрать главу

‘Dit is waanzin!’ Rhuarc ging naast Rhand staan en keek rond over het doodstille gehoor. ‘Couladin heeft nooit Rhuidean betreden. Ik hoorde dat de Wijzen hem afwezen. Rhand Altor is wel gegaan. Ik zag hem van Chaendaer weggaan en ik zag hem terugkeren, gemerkt als jullie nu zien.’

‘En waarom hebben ze het mij verboden?’ snauwde Couladin. ‘Omdat de Aes Sedai hun dat zei! Rhuarc vertelt niet dat een Aes Sedai samen met deze natlander van Chaendaer is afgedaald! Op die manier is hij aan zijn draken gekomen! Door hekserij van de Aes Sedai! Mijn broer Muradin stierf aan de voet van Chaendaer, vermoord door deze natlander en de Aes Sedai Moiraine, en de Wijzen, die het verzoek van de Aes Sedai inwilligden, lieten hem gaan! Toen de nacht viel, heb ik Rhuidean betreden. Ik heb me nu pas uitgesproken, omdat dit de juiste plaats is voor de Car’a’carn om zich te tonen! Ik bén de Car’a’carn.’

Leugens met een vleugje waarheid. De man voelde zich overwinnaar, was vol vertrouwen en wist zeker dat hij overal een antwoord op had. ‘Zeg jij dat je Rhuidean betrad zonder de toestemming van de Wijzen?’ wilde Han fronsend weten. De boomlange Bael stond met gekruiste armen al even afkeurend te kijken, Erim en Jheran slechts ietwat minder. De stamhoofden weifelden nog steeds tenminste. Sevanna greep het mes aan haar riem en keek Han woest aan, alsof ze hem in de rug wilde steken.

Maar Couladin had ook hierop een antwoord. ‘Ja! Zonder! Hij die komt met de dageraad brengt verandering! Dat zegt de voorspelling! Doelloze paden moeten verlaten worden en ik zal ze verlaten! Ben ik niet met de dageraad hier aangekomen?’

De stamhoofden waren half overtuigd, weifelden, evenals de duizenden toekijkende Aiel, allemaal rechtop staand, stil toekijkend en afwachtend. Als Rhand hen niet kon overtuigen, zou hij waarschijnlijk Alcair Dal niet levend verlaten. Opnieuw gebaarde Mart naar Jeade’ens zadel. Rhand deed niet eens moeite zijn hoofd te schudden. Er waren overwegingen die zwaarder wogen dan hier levend weg zien te komen. Hij had deze mensen nodig, had hun trouw nodig. Hij moest mensen hebben die hem volgden, omdat ze in hem geloofden, niet om hem te gebruiken of hem voor macht of gewin te volgen. Hij moest wel. ‘Rhuidean,’ zei hij. Het woord leek de bergkom te vullen. ‘Jij beweert dat je Rhuidean hebt betreden, Couladin. Wat heb je er gezien?’ ieder weet dat over Rhuidean niet wordt gesproken,’ gaf Couladin terug.

‘We kunnen ons afzonderen,’ zei Erim, ‘en onder vier ogen spreken, zodat je ons kunt verrellen...’ De Shaido onderbrak hem met een hoogrood gezicht.

‘Ik zal er met niemand over spreken. Rhuidean is een verheven plaats en wat ik zag, was verheven. Ik ben verheven!’ Weer hief hij de armen. ‘Dit maakt me verheven!’

‘Ik heb tussen de glazen zuilen naast Avendesora gelopen.’ Rhand sprak kalm, maar de woorden waren overal hoorbaar, ik zag de geschiedenis van de Aiel door de ogen van mijn voorvaderen. Wat heb jij gezien, Couladin? Ik ben niet bang erover te spreken. Ben jij het?’ De Shaido rilde van woede en zag nog steeds vuurrood. Bael, Erim, Jheran en Han keken elkaar onzeker aan. ‘We dienen dit onder ons te houden,’ mompelde Han.

Couladin leek niet te beseffen dat hij de welwillendheid van deze stamhoofden verspeelde, maar Sevanna wel. ‘Rhuarc heeft hem deze dingen verteld,’ spoog ze. ‘Een van Rhuarcs vrouwen is een droomloopster, een van hen die de Aes Sedai hebben geholpen! Rhuarc heeft het hem verteld.’

‘Dat doet Rhuarc niet!’ snauwde Han haar toe. ‘Hij is een stamhoofd en een man van eer. Spreek niet van zaken die je niet kent, Sevanna.’ ik ben niet bang!’ schreeuwde Couladin. ‘Geen man kan me bang noemen! Ik heb ook door de ogen van mijn voorvaderen gekeken! Ik zag onze komst naar het Drievoudige Land! Ik zag onze roem! De roem die ik voor ons terug zal winnen.’

‘Ik zag de Eeuw der Legenden,’ verkondigde Rhand, ‘en het begin van de tocht van de Aiel naar het Drievoudige Land.’ Rhuarc greep hem bij zijn arm, maar hij schudde zich los. Dit ogenblik was voorspeld toen de Aiel voor het eerst bij Rhuidean bijeenkwamen, ik heb de Aiel gezien toen ze de Da’shain Aiel werden genoemd en de Weg van het Blad volgden.’

‘Nee!’ De schreeuw schalde op uit de rotskloof en verspreidde zich als donder. ‘Nee! Nee!’

Uit duizenden kelen. Opgestoken speren vingen het zonlicht. Zelfs enkele sibbehoofden van de Taardad stonden te schreeuwen. Adelin keek naar Rhand op, verslagen. Terwijl Mart Rhand heftig gebaarde in het zadel te springen, riep hij iets, maar het ging in het donderende geschreeuw verloren.

‘Leugenaar!’ De kloof bracht de schreeuw van Couladin naar iedereen over, toorn gemengd met triomf over het geschreeuw van de toehoorders heen. Fel hoofdschuddend wilde Sevanna hem tegenhouden. Ze moest nu op z’n minst het vermoeden hebben dat hij namaak was, maar als ze hem tot kalmte wist te brengen, konden ze het misschien nog klaarspelen. Zoals Rhand had gehoopt, duwde Couladin haar opzij. De man wist dat Rhand naar Rhuidean was geweest; hij kon zijn eigen verhaal onmogelijk zelf geloven maar Rhands verhaal al helemaal niet. ‘Met zijn eigen woorden bewijst hij zijn bedrog. We zijn altijd krijgers geweest! Altijd! Vanaf het begin der tijden!’ Het geschreeuw nam toe, speren werden geschud, maar Bael en Erim, Jheran en Han stonden in een woestijn van stilte. Zij wisten het nu. Couladin was zich niet bewust van hun blik en zwaaide met zijn drakenarmen naar de verzamelde Aiel, genoot van hun toejuichingen. ‘Was dit nodig?’ vroeg Rhuarc zachtjes aan Rhand. ‘Heb je niet begrepen waarom we nooit over Aes Sedai spreken? Dat we onder ogen hebben te zien dat we eens heel anders waren dan alles waar we in geloven, dat wij dezelfden zijn als de verachtelijke Verlorenen die jullie de Tuatha’an noemen? Rhuidean doodt hen die het niet onder ogen kunnen zien. Niet meer dan één op de drie mogelijke stamhoofden overleeft het. En nu heb je het uitgesproken en heeft iedereen het gehoord. Het nieuws zal zich verspreiden. Hoevelen zullen er sterk genoeg zijn om het te verdragen?’

Hij zal jullie terugvoeren en bij zal jullie vernietigen, ‘Ik breng verandering,’ zei Rhand bedroefd. ‘Geen vrede maar oproer.’ De vernietiging volgt me overal op de voet. Zal het ooit ergens zo zijn dat een volk niet wordt verscheurd? ‘Wat komt, dat komt, Rhuarc. Ik kan het niet veranderen.’

‘Wat komt, dat komt,’ mompelde de Aiel een ogenblik later. Couladin liep op en neer, schreeuwde tegen de Aiel over roem en verovering, zich niet bewust van de stamhoofden die zwijgend naar zijn rug stonden te kijken. Sevanna keek helemaal niet naar Couladin. Haar blik was aan de stamhoofden gekluisterd, haar lippen waren tot een grimas opgetrokken, haar borsten zwoegden hijgend op en neer. Zij moest weten wat die stille blikken betekenden.

‘Rhand Altor,’ zei Bael luid en de naam kapte als een mes het opgewonden getier van Couladin af, kapte als een zwaard het geroep van de menigte af. Hij zweeg om zijn keel te schrapen, keek links en rechts alsof hij een andere uitweg zocht. Couladin draaide zich om en sloeg vol vertrouwen de armen over elkaar, ongetwijfeld verwachtend dat de natlander ter dood zou worden veroordeeld. Het lange stamhoofd haalde diep adem. ‘Rhand Altor is de Car’a’carn. Rhand Altor is Hij die komt met de dageraad.’ Couladins ogen werden groot van een ongelovige razernij.

‘Rhand Altor is Hij die komt met de dageraad,’ verkondigde Han met zijn leren gezicht, eveneens na enige aarzeling. ‘Rhand Altor is Hij die komt met de dageraad,’ klonk het grimmig van Jheran, en van Erim: ‘Rhand Altor is Hij die komt met de dageraad.’