‘Rhand Altor,’ zei Rhuarc, ‘is Hij die komt met de dageraad.’ Met een zachte stem zo zacht dat het zelfs buiten de richel niet te horen was, voegde hij eraan toe: ‘En moge het Licht ons genadig zijn.’ Een heel lang moment bleef de stilte hangen. Toen sprong Couladin met een grauw van de verhoging, greep een speer van een van zijn Seia Doon en wierp die naar Rhand. Terwijl hij ineendook, sprong Adelin op. Zijn speer stak dwars door de dikke lagen buffelleer van haar opgestoken schild, waardoor ze rondtolde.
Overal in de rotskloof ontstond een enorm kabaal, mannen holden schreeuwend rond. De andere Speervrouwen van de Jindo sprongen naast Adelin en schermden Rhand af. Sevanna was omlaag gestapt om Couladin iets toe te roepen, waarbij ze zich aan zijn arm vastklampte, toen hij zijn Zwartogen van de Shaido tegen de Speervrouwen rond Rhand wilde aanvoeren. Heirn en een tiental andere sibbehoofden van de Aiel voegden zich bij Adelin, hun speren gereed, maar anderen stonden luid te roepen. Mart richtte zich op, greep zijn zwarte speer met het ravenblad en tierde vloekend in de Oude Spraak. Rhuarc en de andere stamhoofden verhieven hun stem en probeerden vergeefs de orde te herstellen. De rotskloof kolkte als een kookketel. Rhand zag sluiers omhooggaan. Een speer flitste, stak toe. Nog een. Hij moest dit stoppen.
Hij reikte naar saidin en die stroomde door hem heen tot hij meende te barsten of te ontvlammen. De smet van saidin verspreidde zich door hem tot het leek te gisten in zijn botten. Gedachten stroomden buiten de leegte, kille gedachten. Water. Hier, waar water zo schaars was, spraken de Aiel altijd over water. Zelfs in deze droge lucht zat nog wel water. Hij geleidde, wist niet echt wat hij deed, tastte blindelings rond. Een scherpe bliksemflits kraakte boven Alcair Dal en de wind stroomde van alle kanten toe, gierde over de randen van de kloof en verdronk het geschreeuw van de Aiel. Wind met kleine spoortjes water, meer en meer, tot er iets gebeurde wat niemand hier ooit had meegemaakt. Een mist van regen begon neer te vallen. Hoog boven hen gierde en wervelde de wind. Woeste bliksems flitsten aan de hemel. En de regen werd dikker en dikker, tot een gutsende vloed, sloeg op de richel neer, plakte het haar aan zijn hoofd vast en zijn hemd aan zijn rug, maakte alles vijftig pas verder onzichtbaar.
Opeens sloeg de regen niet meer op hem neer. Een onzichtbare koepel breidde zich rond hem uit en duwde Mart en de Taardad weg. Door het neergutsende water kon hij vaag Adelin op de zijwand van de koepel zien beuken; ze probeerde naar hem toe te komen. ‘Ontzettend grote stommeling! Spelletjes spelen met die andere sufferds! Al mijn plannen en inspanning voor niets!’ Met een van regen druipend gezicht draaide hij zich om en keek Lanfir aan. Haar witte gewaad met de zilveren ceintuur was kurkdroog, en ook de zwarte lokken met de zilveren sterren en maansikkels toonden geen spatje. Haar zwarte ogen staarden hem woedend aan, boosheid verwrong haar prachtige gezicht.
‘Ik had niet verwacht dat je je nu al zou blootgeven,’ zei hij kalm. Hij was nog steeds vervuld van de Kracht. Hij bereed de botsende stromingen, hield met een wanhoop vol die hij uit zijn stem weerde. Het was niet nodig meer Kracht aan te trekken, liet haar alleen toestromen tot het leek of zijn botten in as uiteen zouden vallen. Hij wist niet of ze hem af kon schermen terwijl saidin door hem heen bulderde, maar hij wapende zich zo goed mogelijk tegen die kans. ik weet dat je niet alleen bent. Waar is hij?’
Lanfirs prachtige lippen verstrakten, ik wist dat hij zich had verraden toen hij in je droom kwam. Ik had de zaken kunnen regelen als zijn paniek...’ ik wist het vanaf het begin,’ onderbrak hij haar. ik rekende erop vanaf de dag dat ik de Steen van Tyr verliet. Hier, in dit land waar iedereen zag dat ik alleen op Rhuidean en de Aiel lette. Dacht je niet dat ik verwachtte dat een of meer van jullie mij zouden volgen? Maar ik legde de hinderlaag, Lanfir, niet jij. Waar is hij?’ Het laatste klonk als een kille schreeuw. Gevoel kaatste onbeheerst rond de leegte die hem vanbinnen omhulde, de leegte die niet leeg was, de leegte vervuld van de Kracht.
‘Als je dat wist,’ snauwde ze terug, ‘waarom heb je hem dan weggejaagd met je gepraat over het vervullen van je bestemming en doen wat gedaan moest worden?’ Ergernis maakte haar woorden zo zwaar als lood. ik heb Asmodean erbij gehaald om je dingen te Ieren, maar hij is altijd een man geweest die naar een tweede plan greep als het eerste te moeilijk was. Nu denkt hij in Rhuidean iets beters te hebben gevonden. En hij is ervandoor om het te pakken terwijl jij hier staat. Couladin, de Draghkar, allemaal om je aandacht af te leiden, terwijl hij zijn plannetjes uitvoerde. Al mijn plannen voor niets omdat jij zo koppig wilt zijn! Heb je enig idee van de inspanning die het mij zal kosten om hem weer te overtuigen? Hij moet het wel worden. Demandred, Rahvin en Sammael zouden je vermoorden voor je een hand kon opsteken, tenzij ze je als een hond aan de lijn hadden gelegd.’ Rhuidean. Ja, natuurlijk, Rhuidean. Hoeveel weken naar het zuiden? Toch had hij een keer eens iets gedaan. Als hij maar wist hoe... ‘En je hebt hem laten gaan? Na al je woorden dat je mij zou helpen?’ ik had gezegd: niet openlijk. Wat kan hij in Rhuidean vinden dat het voor mij de moeite waard maakt me te vertonen? Wanneer je ermee instemt mij bij te staan, is er tijd genoeg. Denk aan wat ik je heb verteld, Lews Therin.’ Haar stem kreeg iets verlokkends; haar welvende volle lippen, haar donkere ogen die hem ais bodemloze poelen dreigden te verzwelgen. ‘Twee grote sa’angrealen. Daarmee kunnen we samen een uitdaging...’ Ditmaal zweeg ze uit zichzelf. Hij wist het weer. Met de Kracht vouwde hij de werkelijkheid, verboog een klein deel van wat is. In de koepel ging voor hem een deur open. Alleen op die manier kon hij het beschrijven. Een opening naar de duisternis, naar elders.
‘Je herinnert je dus bepaalde dingen, lijkt me.’ Ze zag de opening en keek hem aan, opeens achterdochtig. ‘Waarom ben je zo bezorgd? Wat is er in Rhuidean?’
‘Asmodean,’ zei hij grimmig. Heel even aarzelde hij. Hij kon niet verder zien dan die koepel van regen. Wat gebeurde daarbuiten? En Lanfir. Wist hij maar hoe hij Egwene en Elayne toen had afgeschermd. Kon ik me er maar toe brengen een vrouw te doden die me hoogstens fronsend aankijkt. Ze is een Verzaker’. Het was nu evenmin mogelijk als toen in de Steen.
Hij stapte de deur door, liet haar op de richel achter en sloot de deur. Ongetwijfeld wist ze hoe ze er een voor haarzelf kon maken, maar ook dat zou haar even tijd kosten.
58
De valstrik van Rhuidean
Nu de deur was verdwenen, was hij omringd door duisternis en het zwart strekte zich uit in alle richtingen, maar desondanks kon hij rondkijken. Ook al was hij nat, er bestond geen gevoel van hitte of koude, er bestond geen enkel gevoel. Slechts hij bestond. Kale grijze stenen treden stegen voor hem omhoog, iedere trede leek te zweven; ze vormden hogerop een flauwe bocht die uit het zicht verdween. Hij had dit al eerder gezien, of iets dergelijks. Op de een of andere manier wist hij dat de trap hem naar de plek zou brengen waar hij heen moest. Hij stormde de onmogelijke trap op en zijn laarzen lieten op elk een vochtige voetafdruk achter die vervaagde en verdween. Ook dat was net als eerst.
Heb ik deze met de Kracht gemaakt of bestaan ze op een andere wijze?
Bij die gedachte begon de grijze steen onder zijn voeten te vervagen en de andere treden voor hem schemerden. Wanhopig concentreerde hij zich op echte, grijze treden. Echt! Het geschemer stopte. Ze waren niet langer eenvoudig maar glad met mooie krulranden die hij zich van elders en eerder meende te herinneren.
Hij gaf er verder niet om – wist niet zeker of hij er wel over na durfde te denken – en rende zo hard mogelijk door, hij nam drie treden tegelijk in het eindeloze duister. Ze zouden hem brengen waar hij wilde zijn, maar hoe lang zou dat duren? Hoeveel voorsprong had Asmodean? Kende de Verzaker een snellere manier van reizen? Dat was de ellende. De Verzaker bezat alle kennis en hij had slechts zijn wanhoop. Hij keek op en kromp ineen. De stappen hadden zich aan zijn sprongen aangepast, met brede tussenruimten, en ze hingen boven een zwart dat zo diep was als... Ja, als wat? Een val hier zou misschien nooit eindigen. Hij dwong zich de gaten te negeren, door te hollen. De oude, half geheelde wond in zijn zij begon te steken, een vage aanwezigheid.