Maar dat hij die pijn in de omhulling van saidin voelde, betekende dat de wond op het punt stond weer open te breken. Negeer het. De gedachte dwaalde buiten de leegte in hem rond. Hij wilde deze hardloopwedstrijd niet verliezen, zelfs niet als het hem doodde. Kwam er nooit een eind aan deze treden? Hoe ver was hij al? Opeens zag hij een gestalte links van hem, heel ver voor hem uit. Het leek een man in een rode jas en rode laarzen die op een glinsterend zilverwit vlot stond dat door de duisternis gleed. Rhand had geen tweede blik nodig om te weten dat het Asmodean was. De Verzaker rende niet als een achterlijke boerenjongen, hij reed op... dat ding. Rhand bleef doodstil staan op een stenen trede. Hij had geen idee wat dat vlot was dat glansde als glimmend metaal, maar... De treden voor hem verdwenen. De steen onder zijn voeten begon naar voren te glijden, sneller en sneller. Hij voelde geen wind in zijn gezicht die hem vertelde dat hij bewoog, er was niets in dat enorme zwart om enige beweging aan te geven, maar hij begon Asmodean in te halen. Hij wist niet eens of hij dit met de Kracht klaarspeelde; het leek gewoon te gebeuren. De trede wiebelde en hij dwong zichzelf er niet verder aan te denken. Ik weet nog niet genoeg.
De donkerharige man stond heel ontspannen, een hand op de heup, de andere nadenkend aan zijn kin. Een stuk wit kant was zichtbaar bij zijn nek, nog meer kant verborg zijn handen half. Zijn jas met een hoge kraag leek nog glanzender dan satijn en zag er vreemd uit, met panden die bijna op zijn knieën hingen. Zwarte lijnen leken als dunne staaldraden uit de man te komen en verdwenen in het omringende duister. Die had Rhand zeker al eerder gezien.
Asmodean keek om en Rhands mond viel open. De Verzakers konden hun gezicht veranderen, of in ieder geval ervoor zorgen dat je een ander gezicht zag, want hij had het Lanfir zien doen – maar dit waren de gelaatstrekken van Jasin Natael, de speelman. Hij was er bijna zeker van geweest dat het Kadere zou zijn, met zijn roofvogelogen die nooit veranderden.
Asmodean zag hem op hetzelfde moment en schrok. Het zilveren vlot van de Verzaker schoot naar voren en opeens zwiepte een enorm vlammend vuurlaken als een dunne plak van een monsterachtige vlam op Rhand af, een span hoog en een span breed.
Wanhopig geleidde hij, net op het punt toen het vuur hem dreigde te treffen en opeens sloeg de plak in stukken die van hem wegtolden en uitdoofden. Maar terwijl dat eerste vuurgordijn verdween, schoot het volgende al op hem af. Hij verbrijzelde het, en een derde werd zichtbaar, en een vierde. Rhand wist dat Asmodean bezig was te vluchten. Door al die vlammen kon hij de Verzaker helemaal niet zien. Boosheid gleed langs het oppervlak van de leegte en hij geleidde. Een golf van vuur omhulde het vuurrode gordijn dat op hem afschoot en rolde verder, sleurde het vuurgordijn mee. In plaats van dunne plaat waren het nu woeste, losbarstende steekvlammen alsof stormwinden het vuur opjoegen. Hij rilde terwijl de Kracht door hem heen brulde; zijn boosheid op Asmodean klauwde aan de grenzen van de leegte. Een gat verscheen in het openbarstende oppervlak. Nee, eigenlijk geen gat. Asmodean en zijn glanzende vlot stonden er middenin, maar terwijl de vlammende golf naar voren spoelde, kromp het ook weer samen. De Verzaker had een soort schild om zich heen opgetrokken. Rhand negeerde de verre boosheid buiten de leegte. Alleen wanneer hij koel en kalm was, kon hij saidin omhelzen. Als hij zijn boosheid erkende, zou de leegte ineenstorten. De vlammende golven vuur hielden op te bestaan toen hij niet langer geleidde. Hij moest de man vangen, niet doden.
De stenen trede gleed nog sneller door het zwart. Asmodean kwam dichterbij.
Opeens bleef het vlot van de Verzaker stil hangen. Een lichtgevend gat verscheen voor hem en hij sprong erdoorheen. Het zilveren vlot verdween en de deur begon zich te sluiten.
Wild haalde Rhand met de Kracht uit. Hij moest hem openhouden. Als de deur eenmaal dicht was, zou hij geen enkel idee hebben waar Asmodean heen was gevlucht. Het krimpen stopte. Een vierkant van verblindend zonlicht, groot genoeg om erdoorheen te stappen. Hij moest het openhouden, erdoorheen voor Asmodean te ver weg was... De gedachte aan stoppen was al genoeg om zijn trede doodstil te laten hangen. Door de schok van het plotselinge stoppen buitelde hij naar voren en vloog de opening door. Er trok iets aan zijn laars, maar toen tuimelde hij halsoverkop op de harde grond, waar hij ademloos in een hoopje bleef liggen.
Zijn adem kwam moeizaam en hij duwde zich overeind, waarbij hij het geen moment aandurfde kwetsbaar te zijn. De Ene Kracht vervulde hem nog steeds met leven en vuil; zijn blauwe plekken voelden even veraf als zijn snakken naar lucht, even veraf als het gele stof op zijn vochtige kleren. Toch was hij zich tegelijk ook bewust van een verzengende hitte, van ieder zandkorreltje, van ieder barstje in de gebarsten klei. De zon schroeide alle vocht weg en zijn hemd en broek dampten. Hij was in de Woestenij, in het dal aan de voet van Chaendaer, nog geen vijftig stappen van het door mist omhulde Rhuidean. De doorgang was verdwenen.
Hij deed een stap naar de wand van mist, bleef staan en keek naar zijn linkervoet. Zijn laarshiel was kaarsrecht afgesneden bij de ruk die hij bij de sluitende doorgang had gevoeld. Hij was zich vaag bewust dat hij ondanks de hitte rilde. Hij had niet geweten dat het zo gevaarlijk was. De Verzaker had alle kennis. Asmodean zou hem niet ontkomen. Grimmig trok hij z’n kleren goed, stak de angreaal met het dikke mannetje weer veilig weg en rende de mist in. Grijze blindheid omhulde hem. De Kracht in hem hielp niets om beter te zien. Hij holde blindelings door. Opeens wierp hij zich op de grond en rolde de laatste stap de mist uit, de gruizelige plavuizen op. Liggend keek hij in het vreemde licht van Rhuidean op naar drie glanzende, zilverblauwe linten die evenwijdig aan de vloer in de lucht hingen. Toen hij opstond, zag hij dat ze ter hoogte van zijn maag, borst en nek zaten, en zo dun waren dat ze van opzij onzichtbaar bleven. Hij kon zien hoe ze waren gevormd, ook al begreep hij het niet. Zo hard als staal en zo scherp dat een scheermes er een bijl bij leek. Als hij ertegenaan was gelopen, zouden ze hem in stukken hebben gesneden. Een kleine oprisping van de Kracht en de zilveren linten dwarrelden als stof neer. Kille boosheid buiten de leegte, kil en doelbewust in de Ene Kracht binnen in hem. De blauwige gloed van de mistkoepel wierp zijn schaduwloze licht op de half voltooide paleizen van marmer, kristal en geslepen glas, met hun wolken doorborende torens van spitsen en spiralen. En verderop rende Asmodean door de brede straat, langs droge fonteinen, naar het grote plein in het midden van de stad.
Rhand geleidde – het aantrekken van saidin leek vreemd moeilijk te gaan, hij wrong en trok tot het in hem woedde – hij geleidde, en dikke bliksemflitsen zigzagden uit de koepelwolken. Niet naar Asmodean. Vlak voor de Verzaker ontploften eeuwenoude, glanzende rood-witte pilaren, vijftig voet dik en honderd pas hoog, en vielen in puin en wolken van stof neer.
Uit enorme vensters van gekleurd glas leken beelden van vorstelijke mannen en vrouwen ernstig en verwijtend op Rhand neer te kijken. ‘Ik moet hem tegenhouden,’ zei hij hun; zijn stem leek in zijn eigen oren terug te kaatsen.
Asmodean bleef staan en liep weg van het instortende metselwerk. Het opwolkende stof raakte zijn glimmende rode jas niet eens; het spleet voor hem in twee helften en hield hem in zuivere, heldere lucht. Vuur laaide op rond Rhand, omwikkelde hem toen de lucht zelf vuur werd – en verdween voor hij enigszins besefte hoe hij het had gedaan. Zijn kleren waren droog en heet; zijn haren voelden verschroeid aan en gebakken stof viel al rennend van hem af. Asmodean klauterde over het kapotte steenwerk dat de straat blokkeerde; nog meer bliksems flitsten, wierpen fonteinen van kapotte plavuizen voor hem op en sloegen gevels van kristallen paleizen open die als puin voor hem neerstortten.