Выбрать главу

‘Heb je iemand in Alcair Dal of de kampementen kwaad gedaan?’ Haar gezicht behield de glimlach, maar de streling veranderde en de vingers knepen zich opeens toe, alsof die zijn keel open wilden scheuren. ‘Wie bijvoorbeeld? Ik dacht dat je nu wel besefte dat je niet van dat boerenmeisje hield. Of gaat het om dat Aielwijf?’ Ze was een gifslang. Een dodelijke gifslang die van hem hield – Het Licht helpe me! – en hij wist niet hoe hij haar tegen kon houden als ze besloot te bijten, hemzelf of een ander.

‘Ik wil niemand laten lijden. Ik heb ze nog nodig. Ik kan ze gebruiken.’ Het waren pijnlijke woorden, pijnlijk omdat ze gedeeltelijk waar waren. Maar Lanfirs giftanden wegtrekken van Egwene en Moiraine, weg van Aviendha en ieder ander die hem na stond, was wel wat pijn waard.

Ze gooide haar mooie hoofd in de nek en haar lach klonk als parelende klokjes, ik kan me nog herinneren dat je veel te zachtmoedig was om iemand te gebruiken. Listig in een veldslag, zo hard als steen en zo hooghartig als de bergen, maar open en zachtmoedig als een meisje! Nee, ik heb niemand van je kostbare Aes Sedai of je kostbare Aielvrouwen pijn gedaan. Ik dood niet zonder reden, Lews Therin. Ik doe zelfs geen pijn zonder reden.’ Hij zorgde er terdege voor niet naar Asmodean te kijken, die met een lijkbleek gezicht hortend ademhaalde. De man had zich op een hand omhoog geduwd en gebruikte de andere om het bloed van zijn mond en kin te vegen. Lanfir draaide zich langzaam om en keek over het grote plein rond. ‘Je hebt deze stad even grondig vernietigd als een leger zou hebben gedaan.’ Maar ze keek niet naar de verwoeste paleizen, hoewel ze net deed alsof. Ze keek aandachtig rond over het verwoeste plein met de bergen van verzamelde ter’angrealen en ander onbekende zaken. Haar mondhoeken stonden strak toen ze Rhand weer aankeek; in haar donkere ogen smeulde een vonkje onderdrukte woede. ‘Gebruik die lessen goed, Lews Therin. De anderen zijn er nog. Sammael, die jou benijdt, Demandred met zijn haat, Rahvin met zijn machtshonger. Ze zullen je met nog meer liefde omlaag willen sleuren, nog meer, als... wanneer ze ontdekken dat jij dat hebt.’

Haar blik vloog naar het voetgrote beeld in zijn handen en heel even dacht hij dat zij overwoog het van hem af te pakken. Niet om de anderen tegen zijn onverhoedse aanvallen te beschermen, maar omdat hij daarmee mogelijk al te machtig voor haar kon worden. Op dat moment wist hij niet eens of hij haar tegen kon houden, zelfs niet als ze slechts haar sterke handen gebruikte. Het ene moment overwoog ze hem de ter’angreaal te laten behouden, het volgende moment schatte ze zijn vermoeidheid in. Ondanks al haar gepraat over haar liefde voor hem, zou ze heel ver uit zijn buurt willen zijn wanneer hij genoeg kracht terug had om het ding te gebruiken. Ze liet nogmaals met opeengeperste lippen haar ogen kort over het hele plein glijden. Toen opende zich opeens een doorgang naast haar, geen deur naar het zwart, maar naar iets wat een vertrek in een paleis leek te zijn, geheel van marmer en vol witzijden voorhangen.

‘Wie van de twee was jij?’ vroeg hij toen ze erin stapte. Ze bleef staan en keek hem met een bijna ondeugende glimlach aan.

‘Denk je dat ik ertegen zou kunnen de dikke, lelijke Keille te zijn?’ Ze streelde over haar slanke lichaam om het te benadrukken. ‘Tja, Isendre. Die fijn gebouwde, mooie Isendre. Ik dacht dat je het zou vermoeden en dus haar zou verdenken. Mijn trots is sterk genoeg om zo nodig wat vet te verdragen.’ De glimlach ontblootte haar tanden. ‘Isendre dacht dat ze met gewone Duistervrienden te maken had. Het zou me niet verbazen als ze momenteel wanhopig aan enkele boze Aielvrouwen probeert uit te leggen hoe het komt dat er zoveel gouden halskettingen en armbanden onder in haar reiskist liggen. Ze heeft sommige feitelijk ook zelf gestolen.’

‘Ik meende je te horen zeggen dat je niemand kwaad had gedaan.’

‘Nu hoor ik je zachte hartje weer. Ik kan je een zacht vrouwenhart tonen, wanneer ik dat wens. Je zult, denk ik, niet kunnen voorkomen dat ze een stevige afranseling krijgt – dat verdient ze minstens voor de manier waarop ze me aankeek – maar als je snel genoeg terugkeert, kun je nog net verhinderen dat ze haar met één waterzak uit dit verworden land sturen. Die .Aiel treden vrij hard op tegen dieven, denk ik.’ Ze lachte vermaakt en schudde verbaasd het hoofd. ‘Zo anders dan ze waren. Je kon een Da’shain in het gezicht slaan en dan vroeg hij alleen maar wat hij misdaan had. Nog een mep en hij vroeg of hij je beledigd had. En hij bleef zo, al sloeg je hem de hele dag door.’ Ze wierp van opzij een minachtende blik op Asmodean en voegde eraan toe: ‘Leer zo goed en zoveel mogelijk, Lews Therin. Ik wil dat wij samen regeren en wil niet toekijken hoe Sammael je doodt of hoe Graendal je aan haar verzameling van knappe jongemannen toevoegt. Leer zo goed en snel mogelijk.’ Ze stapte de witzijden en marmeren kamer in, en de deur leek opzij te wentelen, versmalde en verdween. Voor het eerst na haar komst haalde Rhand diep adem. Mierin. Een naam die hij zich herinnerde van de glazen zuilen. De vrouw die in de Eeuw der Legenden de kerker van de Duistere had gevonden en er een gat in had geslagen. Had ze geweten wat het was? Hoe was ze ontsnapt aan die vlammende doem die ze had gezien? Had ze zich toen al aan de Duistere overgegeven?

Asmodean kwam moeizaam overeind, wankelde en viel bijna opnieuw. Hij bloedde niet meer, maar het bloed tekende nog steeds dunne lijntjes langs zijn nek en trok een veeg dwars over z’n mond en kin. Zijn smerige rode jas was gescheurd, het witte kant kapot en gerafeld. ‘Door mijn band met de Grote Heer was ik in staat saidin te voelen en niet krankzinnig te worden,’ zei hij schor. ‘Nu heb je me alleen maar net zo kwetsbaar gemaakt als jezelf. Je kunt me net zo goed laten gaan. Ik ben niet zo’n goede leraar. Ze heeft me alleen maar uitgekozen, omdat...’ Zijn lippen bewogen en probeerden de woorden binnen te houden.

‘Omdat er niemand anders is,’ maakte Rhand voor hem af en draaide zich om.

Op trillende benen stak Rhand het brede plein over en zocht zich een pad door het puin. Hij en Asmodean waren halverwege rond het woud van glazen zuilen van Avendesora getuimeld. Kristallen sokkels lagen tegen omgevallen beelden van mannen en vrouwen, sommige in stukken, sommige heel. Een grote platte ring van zilverachtig metaal stak schuin omhoog op metalen en stenen stoelen; vreemde vormen van metaal, kristal en glas; alles lag bijeen op verbrijzelde stukken, een zwarte metalen schacht stond als een speer rechtop, op de punt, in een onmogelijk evenwicht. Zo zag het hele plein eruit. Vanuit de grote boom vond hij na wat zoeken wat hij zocht. Hij schopte wat kapotte glazen spiralen opzij, schoof een eenvoudig bewerkte stoel van rood kristal weg en pakte een beeldje op van een voet lang, een vrouw in een lang kleed met een ernstig gezicht van witte steen, die in één hand een heldere kristallen bol ophield. Heel. Even nutteloos voor hem als het mannelijke evenbeeld voor Lanfir. Hij dacht erover het kapot te slaan. Hij kon de kristallen bol natuurlijk met een grote zwaai op de plavuizen versplinteren.

‘Dat zocht ze.’ Hij had niet beseft dat Asmodean hem had gevolgd. Wankelend wreef de man aan zijn bebloede mond. ‘Ze scheurt je het hart uit het lijf om dat in handen te krijgen.’

‘Of uit dat van jou, omdat je het voor haar geheimhoudt. Ze houdt van me.’

Licht help me. Of een dolle wolf van me houdt. Even later legde hij het vrouwenbeeldje in de kromming van zijn arm, samen met de man. Misschien kon het gebruikt worden. En ik wil niet nog meer verwoesten.

Maar toen hij rondkeek, zag hij nog iets anders dan vernietiging. De mist boven de verwoeste stad was bijna verdwenen. Er dreven nog slechts enkele nevelflarden in de ondergaande zon boven de gebouwen die overeind waren blijven staan. De bodem van het dal helde nu scherp naar het zuiden en uit de grote breuk die tot ver in de diepte doorliep naar een enorme oceaan van verborgen water, stroomde het water naar de stad. Het laagste gedeelte van het dal vulde zich reeds. Een meer.