Выбрать главу

Stommeling, verweet Thom zichzelf. Een grote stommeling om daarbij betrokken te worden, vanwege iets dat vijftien jaar geleden was gebeurd. Als hij bleef, zou daar niets aan worden veranderd, wat gedaan was, was gedaan. Hij moest Rhand persoonlijk spreken, ondanks zijn opmerking dat ze niet samen mochten worden gezien. Misschien zou niemand het heel gek vinden als een speelman verzocht of hij een lied mocht uitvoeren voor de Drakenheer, een lied dat speciaal voor hem was geschreven. Hij kende een terecht uiterst onbekend liedje uit Kandor, waarin een of andere onbekende heer werd geprezen voor zijn grootheid en moed in grandioze woorden die uitstekend elke daad of naam wisten te vermijden. Waarschijnlijk was het gekocht door een onbekende heer die zich nergens op kon beroemen. Nou, het zou hem nu goed van pas komen. Tenzij Moiraine het al te vreemd vond. Dat zou even erg zijn als het de hoogheren opviel. Ik ben een stommeling! Ik zou bier vannacht ver weg moeten zijn!

In zijn binnenste was het aan het rommelen en hij voelde het maagzuur oprispen, maar hij had al zoveel jaren geleerd zijn gezicht strak te houden, al voordat hij speelman was geworden. Hij vormde drie rookringen, de een binnen de ander en zei toen: ‘Jij loopt al aan vertrekken te denken vanaf het moment dat je de Steen binnenliep.’ Op het randje van zijn kruk gezeten, keek Mart hem boos aan. ‘En dat ga ik doen ook. Echt. Waarom ga je niet mee, Thom? Er zijn stadjes waar ze denken dat de Herrezen Draak nog niet eens geboren is, waar de laatste jaren niemand ook maar een moment eenmaal aan die bloedvoorspellingen van die vervloekte Draak heeft gedacht, als zij er al aan hebben gedacht. Plaatsen waar ze denken dat de Duistere in oma’s verhaaltjes bij het slapengaan thuishoort, Trolloks alleen in speelmansverhalen voorkomen en Myrddraal zich alleen in de schaduw ophouden om kindertjes bang te maken. Jij zou harp kunnen spelen en je verhalen vertellen en ik kan wat gaan dobbelen. We zouden als rijke heren kunnen leven, gaan waar we maar heen willen, ergens blijven of niet blijven, waar niemand ons zal proberen te vermoorden.’ Dat alles kwam wel heel dicht bij zijn roze droom. Nou ja, hij was een stommeling en dat was dat. Hij moest er gewoon het beste van zien te maken. ‘Als je echt weg wil, waarom heb je dat dan nog niet gedaan?’

‘Moiraine houdt me in de gaten,’ zei Mart verbitterd. ‘En als zij het niet doet, doet iemand anders het wel voor haar.’ ik weet het. Aes Sedai houden er niet van om iemand los te laten die zij in handen hebben.’ Dat was niet het enige, daar was hij zeker van, er was zeker veel meer dan algemeen bekend was, maar Mart ontkende dat allemaal en anderen die het konden weten, hielden eveneens hun mond, als al iemand behalve Moiraine het wist. Het deed er nauwelijks toe. Hij mocht Mart – hij was hem in zekere zin wat verschuldigd – maar Mart en zijn problemen waren een straattoneeltje vergeleken met Rhand. ik kan eigenlijk niet echt geloven dat iemand jou in haar opdracht voortdurend in de gaten moet houden.’

‘Bijna voortdurend. Ze vraagt steeds aan mensen waar ik ben en wat ik aan het doen ben. En ik krijg het op mijn brood. Ken jij iemand die niet aan een Aes Sedai zal vertellen wat zij wil weten? Ik niet. Nou, wat voor verschil maakt het dan met in de gaten houden?’

‘Je kunt verspieders ontlopen, als je je best doet. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo goed kan rondsluipen als jij. Ik bedoel dat in de goede betekenis.’

‘Er komt altijd iets tussen,’ mopperde Mart. ‘Je kunt hier zoveel goud binnenslepen. En er is een knap meisje met grote ogen in de keuken die een kus en wat gestoei heel leuk vindt en er is een dienstmeisje met haar als zijde, tot aan haar middel en de rondste...’ Zijn stem stierf weg alsof hij opeens besefte hoe dwaas zijn woorden klonken. ‘Heb je overwogen dat het komt omdat je misschien...’

‘Als je het over ta’veren gaat hebben, Thom, ga ik nu weg.’ Thom veranderde de woorden die hij wilde zeggen. ‘... omdat je misschien de vriend van Rhand bent en dat je hem niet in de steek wilt laten?’

‘In de steek laten?’ De jongen sprong recht, waardoor de kruk omviel. ‘Thom, hij is de vervloekte Herrezen Draak! Dat zeggen Moiraine en hij tenminste. Misschien is hij het. Hij kan geleiden en hij heeft dat bloedzwaard dat op glas lijkt. Voorspellingen! Ik weet niet. Maar ik weet wel dat ik even gek als een Tyrener zou zijn als ik hier blijf.’ Hij zweeg even. ‘Denk je... denk je niet dat Moiraine mij hier houdt? Met de Ene Kracht?’

‘Ik geloof niet dat ze dat kan,’ zei Thom langzaam. Hij wist behoorlijk wat over de Aes Sedai, genoeg om enig idee te hebben over wat hij allemaal niet wist, maar wat dit betrof meende hij gelijk te hebben.

Mart harkte met z’n vingers door zijn haar. ‘Thom, ik loop voortdurend aan weggaan te denken, maar... Ik krijg dat vreemde gevoel. Net alsof er iets op het punt staat te gebeuren. Iets... gewichtigs, dat is het woord. Het is of ik weet dat er vuurwerk op Zomerdag zal zijn, maar ik weet niet wat ik kan verwachten. Telkens als ik lang over weggaan nadenk, gebeurt dat. En dan vind ik opeens een of andere reden om nog een dag langer te blijven. Altijd maar weer nog één dag langer. Dat klinkt toch wel heel sterk naar iets van een Aes Sedai, nietwaar?’ Thom slikte het woord ta’veren in en nam zijn pijp uit zijn mond om naar het gloeiende kooltje in de kop te kijken. Hij wist niet zoveel van ta’veren, maar ja, dat wist niemand, afgezien van de Aes Sedai of misschien een Ogier. ‘Ik ben nooit zo goed geweest om mensen met hun problemen te helpen.’ En mezelf met mijn eigen problemen al helemaal niet, dacht hij. ‘Als er een Aes Sedai bij de hand is, zou ik de meeste mensen aanraden haar om hulp te vragen.’ Een raad die ik zelf niet opvolg. ‘Moiraine!?’

‘Ik neem aan dat zoiets in dit geval niet mogelijk is. Maar daarginds in Emondsveld was Nynaeve jouw Wijsheid. Zo iemand uit een dorp is gewend vragen van mensen te beantwoorden, ze met problemen te helpen.’ Mart snoof een schorre lach. ‘En de les gelezen te worden over drinken en dobbelen? Thom, ze doet of ik tien ben! Soms denk ik dat ze nog steeds denkt dat ik een lief meisje zal trouwen en de boerderij van mijn vader ga overnemen.’

‘Sommige mannen zouden tegen zo’n leven geen bezwaar maken,’ zei Thom kalm.

‘Nou, ik wel. Ik wil meer dan koeien en schapen en tobak in mijn verdere leven. Ik wil...’ Mart schudde zijn hoofd. ‘Al die gaten in mijn geheugen. Soms denk ik dat ik als ik alles weer weet, dat ik dan... Bloedvuur, ik weet niet wat ik dan zou weten, maar ik weet dat ik het wil weten. Nou, daar heb je een kronkelig raadseltje, nietwaar?’

‘Ik weet niet zeker of een Aes Sedai je daarmee kan helpen. Een speelman zeker niet.’

‘Ik zei aclass="underline" geen Aes Sedai!’

Thom zuchtte. ‘Kalm aan, kerel. Dat was geen raad.’

‘Ik ga écht weg. Zodra ik mijn spullen bij elkaar heb en een paard vind. Geen moment later.’

‘Midden in de nacht. Morgenochtend is ook goed.’ Hij weerhield zich ervan eraan toe te voegen: Als je echt weggaat. ‘Ga zitten. Ontspan je. We zullen een spelletje Steen spelen. Ik heb hier ergens nog een kruik wijn.’