Mart aarzelde en keek naar de deur. Uiteindelijk trok hij zijn jas goed. ‘Morgenochtend is ook goed.’ Het klonk niet erg zeker, maar hij pakte de omgevallen kruk op en zette die bij de tafel. ‘Maar voor mij geen wijn,’ voegde hij eraan toe toen hij ging zitten. ‘Er gebeuren al genoeg vreemde dingen als ik een helder hoofd heb. Ik wil het verschil herkennen.’
Thom zat in gedachten verzonken toen hij het bord en de stenen op tafel zette. Was die kerel nu echt zo gemakkelijk afgeleid? Werd hij meegesleurd door een nog sterkere ta’veren dan Rhand Altor? Zo zag Thom het althans. Het kwam in hem op zich af te vragen of hij op dezelfde manier gevangenzat. Zijn leven was er zeker niet op gericht geweest in de Steen van Tyr te belanden toen hij Rhand voor het eerst ontmoette, maar sindsdien was het als een vliegerskoord verstrengeld. Als hij besloot weg te gaan, voor het geval dat Rhand echt gek was geworden, zou hij dan een reden kunnen vinden om het uit te stellen? ‘Wat is dit, Thom?’ Marts laars was op de schrijfkist gebotst die onder de tafel stond. ‘Vind je het goed als ik het opzij schuif?’
‘Natuurlijk. Ga je gang.’ Inwendig kromp hij ineen toen Mart de kist ruw met zijn voet opzij schoof. Hij hoopte maar dat hij alle kurken goed op de flesjes had gedrukt. ‘Kies,’ zei hij, beide vuisten opstekend. Mart tikte zijn linkerhand aan en Thom toonde een gladde zwarte steen, plat en rond. De jongen snoof dat hij als eerste mocht zetten en plaatste de steen op de gekruiste lijnen van het bord. Niemand die de gretigheid in zijn ogen zag, zou hebben vermoed dat hij enkele tellen eerder er evenzeer op was gebrand te vertrekken. Een grootsheid die hij weigerde te erkennen droeg hij op z’n schouders mee, net als een Aes Sedai die hem bewust als haar schoothondje wilde behouden. De kerel zat echt met handen en voeten vast.
Als hij ook gevangenzat, bedacht Thom, zou het de moeite waard zijn om een man te helpen die op z’n minst vrij van een Aes Sedai wilde blijven. Het was de moeite waard daarmee een vijftien jaar oude schuld terug te betalen.
Plotseling en vreemd tevreden plaatste hij een witte steen. ‘Heb ik je ooit verteld,’ zei hij langs de pijpensteel, ‘over de weddenschap die ik eens met een Domani-vrouw afsloot? Ze had ogen die de ziel van een man konden drinken en een vreemd uitziende rode vogel die ze op een schip van het Zeevolk had gekocht. Ze beweerde dat die vogel de toekomst kon voorspellen. Die vogel had een dikke gele snavel die bijna even lang was als zijn lijf en die...’
5
Ondervragers
‘Ze zouden nu terug moeten zijn.’ Egwene zwaaide heftig met haar beschilderde waaier. Ze was blij dat de nachten tenminste wat koeler waren dan de dagen. Tyreense vrouwen hadden altijd een waaier bij zich – in ieder geval de edelen en de rijken – maar voor zover ze het kon beoordelen, hielp het helemaal niet, behalve als de zon was ondergegaan, en zelfs dan nog weinig. Zelfs de lampen, grote spiegelgevaarten aan zilveren muurarmen, leken aan de hitte bij te dragen. ‘Wat houdt hen op?’ Voor het eerst in dagen had Moiraine hun een uur beloofd, en toen was ze zonder enige verklaring in een ommezien weer vertrokken. ‘Heb je enig idee waarom ze haar wilden spreken, Aviendha? Of wie haar wilde spreken?’
De Aielvrouw haalde haar schouders op. Ze zat met gekruiste benen naast de deur en haar groene ogen schitterden in haar donkere, gebruinde gelaat. In haar wambuis, broek en zachte laarzen, met de sjoefa om haar nek gedrapeerd, leek ze ongewapend. ‘Careen gaf haar bericht fluisterend aan Moiraine Sedai. Ik zou niet juist gehandeld hebben als ik geluisterd had. Het spijt me, Aes Sedai.’
Egwene draaide schuldbewust aan de ring aan haar rechterhand, de Grote Serpent-ring met de slang die in zijn eigen staart beet. Als Aanvaarde had ze de ring aan de middelvinger van haar linkerhand moeten dragen, maar zo zorgde hij ervoor dat de hoogheren zich op hun best gedroegen, of wat daarvoor onder Tyreense edelen moest doorgaan, als ze meenden vier echte Aes Sedai binnen de Steen te hebben. Natuurlijk loog Moiraine niet; ze had nooit gezegd dat ze meer waren dan Aanvaarden. Maar ze had ook nooit gezegd dat ze Aanvaarden waren, en ze liet iedereen in hun gretige geloof van wat ze graag wilden zien. Moiraine kon geen onwaarheid spreken, maar ze kon de waarheid op het randje laten dansen.
Het was niet de eerste keer dat Egwene en haar vriendinnen na hun vertrek uit de Toren voorgewend hadden volwaardige zusters re zijn, maar ze vond het steeds pijnlijker Aviendha te bedriegen. Ze mocht de Aielvrouw graag en dacht dat ze vrienden konden worden als ze elkaar ooit goed leerden kennen. Maar dat leek amper mogelijk zolang Aviendha dacht dat Egwene een Aes Sedai was. De Aielse was hier alleen vanwege Moiraines opdracht, die ze vanwege haar eigen, onuitgesproken bedoeling had gegeven. Egwene vermoedde dat het was om hen van een Aiellijfwacht te voorzien. Alsof ze niet geleerd hadden zichzelf te beschermen... Maar zelfs als zij en Aviendha vriendinnen zouden worden, kon ze haar nog steeds niet de waarheid vertellen. Men kan een geheim het best bewaren door ervoor te zorgen dat niemand iets weet wat hij niet echt hoeft te weten. Ook iets wat Moiraine hun had voorgehouden. Soms merkte Egwene bij zichzelf het verlangen dat de Aes Sedai een keertje een fout zou maken, een enorme fout. Natuurlijk geen rampzalige. Dat was het knelpunt. ‘Tanchico,’ mompelde Nynaeve. Haar donkere, polsdikke vlecht hing over haar rug tot aan haar middel. Ze staarde uit een van de smalle ramen, waarvan de luiken openstonden in de hoop op een nachtbriesje. Onder het raam wiegden op de brede Erinin de lantaarns van enkele vissersboten, die nog niet stroomafwaarts waren gevaren, maar Egwene betwijfelde of Nynaeve iets zag. ‘Er schijnt niets anders op te zitten dan naar Tanchico te gaan.’ Nynaeve trok gedachteloos aan haar groene jurk met de brede hals, die haar schouders vrijliet. Ze deed het vaak. Ze zou heftig ontkennen dat ze de jurk droeg voor Lan, de zwaardhand van Moiraine – dat zou ze gedaan hebben als Egwene het had gewaagd dat te suggereren – maar groen, blauw en wit schenen de kleuren te zijn die Lan het liefst bij vrouwen zag, en ieder kledingstuk met een andere kleur was uit Nynaeves kleerkast verdwenen. ‘Niets anders.’ Ze klonk niet erg blij.
Egwene betrapte zichzelf erop dat ze haar eigen jurk optrok. Deze jurken, die zonder gordel alleen maar aan de schouders hingen, voelden vreemd. Aan de andere kant dacht ze niet dat ze meer kleding kon verdragen. Hoe licht het lichtrode linnen ook was, het leek wel wol. Ze wenste dat ze van die luchtige gewaden zoals die van Berelain durfde te dragen. Niet dat ze buitenskamers geschikt waren, maar ze zagen er zeker koel uit.
Zanik niet zo over gemak, hield ze zichzelf streng voor. Hou je gedachten bij de dingen van nu. ‘Misschien,’ zei ze hardop. ‘Zelf ben ik er niet zo zeker van.’
In het midden van de kamer stond een lange smalle tafel, die spiegelglad was opgewreven. Aan Egwenes kant stond een hoge, lichtgebogen stoel die hier en daar verguld was; voor Tyr heel eenvoudig. De ruggen van de andere stoelen werden steeds lager, tot ze aan het einde van de rij nauwelijks meer dan een kruk leken. Egwene had geen idee waarvoor de Tyreners de kamer gebruikten. De drie vrouwen hadden deze ruimte gebruikt om de twee Zwarte zusters te ondervragen die ze gevangen hadden genomen toen de Steen viel. Ze kon er zichzelf niet toe brengen om naar de kerkers af te dalen, hoewel Rhand bevolen had alle martelwerktuigen die aan de wand van de wachtkamer hingen, om te smelten of te verbranden. Maar ook Nynaeve en Elayne hadden weinig zin om terug te gaan. Bovendien was er een grote tegenstelling tussen de grimmige, grijze stenen van de halfdonkere, muffe en smerige kerkers en deze helder verlichte kamer met de schoongeboende groene tegelvloer en de muurpanelen waarin de drie witte maansikkels van Tyr waren uitgesneden. Dat moest toch rustgevend aanvoelen voor de twee vrouwen in hun ruwwollen gevangeniskledij.