Alleen aan die grauwe, bruine kleren zouden de meeste mensen zien dat Joiya Byir feitelijk een gevangene was. Ze stond met de rug naar hen toe achter de tafel. Ze was van de Witte Ajah geweest en had niets van de koele hooghartigheid van een Witte zuster verloren toen ze de Zwarte Ajah trouw had gezworen. Ze staarde onbeweeglijk naar de muur vóór haar, maar iedere lijn in haar lichaam leek aan te geven dat dit haar eigen keuze was, en niets anders. Alleen een geleidster zou kunnen zien hoe duimdikke stromen Lucht Joiya’s armen tegen haar zij drukten en haar enkels boeiden. Een kooi van geweven Lucht hield haar ogen onbeweeglijk. Zelfs haar oren zaten dicht, zodat ze niemand kon horen, tenzij het haar werd toegestaan.
Egwene ging nogmaals het schild van geweven Geest na, dat Joiya verhinderde de Ware Bron aan te raken. Het hield, zoals ze geweten had. Ze had zelf alle draden om Joiya heen geweven en die zo verknoopt dat ze zichzelf in stand hielden. Maar ze kon er gewoon niet tegen om in één kamer te zijn met een Duistervriend, die kon geleiden, ook al was ze nu afgeschermd. Erger nog dan een Duistervriend. Zwarte Ajah. Moord was nog de minste van Joiya’s misdaden. Ze zou verpletterd moeten zijn onder het gewicht van verbroken eden, vernietigde levens en verschroeide zielen.
De andere gevangene en zuster van de Zwarte Ajah bezat niet Joiya’s kracht. Amico Nagoyin stond met hangende schouders en gebogen hoofd aan het eind van de tafel. Zij leek onder Egwenes blik in elkaar te krimpen. Ze hoefde niet afgeschermd te worden. Tijdens haar gevangenschap was Amico opgebrand. Ze kon nog steeds de Ware Bron voelen, maar ze zou die nooit meer aanraken, nooit meer geleiden. Het verlangen, de behoefte zou blijven, even dringend als de behoefte om adem te halen, en ze zou dat verlies haar hele leven meedragen. Saidar was voor altijd buiten haar bereik. Egwene wenste dat ze ergens een flintertje medelijden kon voelen. Maar ze wenste het niet al te hevig.
Amico mompelde iets. ‘Wat?’ vroeg Nynaeve. ‘Harder.’
Amico hief gedwee haar gezicht op. Ze was nog steeds een prachtige vrouw met een slanke hals en grote, donkere ogen, maar er was iets anders aan haar, iets wat Egwene niet helemaal kon plaatsen. Het was niet uit angst dat ze haar grove gevangeniskleren met beide handen vastgreep. Iets anders.
Amico slikte en zei: ‘Je moet naar Tanchico gaan.’
‘Dat heb je ons al twintig keer gezegd,’ zei Nynaeve grof. ‘Vijftig keer. Zeg eens wat anders. Namen, die we nog niet kennen. Welke Aes Sedai in de Witte Toren hoort bij de Zwarte Ajah?’
‘Ik weet het niet. Je moet me geloven.’ Amico klonk vermoeid en geheel verslagen. Een totaal andere toon dan toen Egwene en Nynaeve haar gevangenen waren geweest, in de Toren kende ik alleen Liandrin, Chesmal en Rianna. Niemand kende meer dan twee of drie anderen, geloof ik. Behalve Liandrin. Ik heb je alles verteld wat ik weet.’
‘Dan ben je opmerkelijk onwetend voor een vrouw die erop rekende een deel van de wereld te regeren als de Duistere losbreekt,’ zei Egwene droog, en sloot met een hoorbare klap haar waaier om haar woorden te onderstrepen. Het verbaasde haar nog steeds hoe gemakkelijk ze dat hardop kon zeggen. Nog steeds verkrampte haar maag en kropen ijzige vingers over haar rug, maar ze had niet meer de neiging te gaan schreeuwen of huilend weg te rennen. Het was mogelijk om aan alles te wennen.
‘Ik heb Liandrin dat één keer in een gesprek met Temaile horen zeggen,’ zei Amico vermoeid, en stak het verhaal af dat ze hun al vele malen had verteld. In de eerste dagen van haar gevangenschap had ze geprobeerd om haar verhaal beter te laten klinken, maar hoe meer ze uitweidde, hoe meer ze zich in haar eigen leugens verstrikte. Nu vertelde ze het bijna steeds op dezelfde manier, woord voor woord. ‘Als je Liandrins gezicht had gezien toen ze me zag... Ze zou me ter plekke hebben gedood als ze gedacht had dat ik iets had opgevangen. En Temaile vindt het heerlijk mensen pijn te doen. Ze geniet ervan. Ik hoorde maar heel weinig voor ze me zagen. Liandrin zei dat er iets in Tanchico was, iets gevaarlijks voor... voor hem.’ Ze bedoelde Rhand. Ze kon zijn naam niet uitspreken en het noemen van de Herrezen Draak volstond om haar in tranen te laten uitbarsten. ‘Liandrin zei ook dat het gevaarlijk was voor iedereen die het gebruikte. Bijna net zo gevaarlijk als voor... hem. Daarom was ze er nog niet achteraan gegaan. En ze zei dat zijn vermogen om te geleiden hem niet zou beschermen. Ze zei: Als we het vinden, zal zijn smerige vermogen hem aan ons binden.’ Er droop zweet van haar gezicht, maar ze rilde bijna onophoudelijk.
Er was geen woord veranderd.
Egwene wilde wat zeggen maar Nynaeve was haar voor. ik heb genoeg gehoord. Laten we eens horen of de ander iets nieuws te zeggen heeft.’
Egwene staarde haar nijdig aan, en Nynaeve staarde al even nijdig terug. Geen van beiden knipperde met de ogen. Soms gelooft ze dat ze nog steeds de Wijsheid is, bedacht Egwene grimmig, en dat ik nog steeds het dorpsmeisje ben dat ze kruidenleer bijbrengt. Ze kan er maar beter gauw aan wennen dat de dingen nu anders zijn. Nynaeve was een heel sterke geleidster, sterker dan Egwene, maar ze kon alleen maar geleiden als ze kwaad was.
Gewoonlijk streek Elayne de dingen glad als de spanning tussen hen opliep, en dat gebeurde steeds vaker. Tegen de tijd dat Egwene eraan dacht om zelf alles goed te maken, was het te laat. Ze had zich dan bijna steeds schrap gezet en was zelf in woede ontstoken, en om te kalmeren zou ze moeten inbinden. Ze wist zeker dat Nynaeve het zo zou opvatten. Ze kon zich niet herinneren dat Nynaeve ooit gepoogd had terug te krabbelen, dus waarom moest zij het doen? Ditmaal was Elayne er niet; Moiraine had de erfdochter met een enkel woord en een gebaar opgedragen de Speervrouwe te volgen die voor de Aes Sedai gekomen was. Zonder haar liep de spanning op, en beide Aanvaarden wachtten tot de ander toegaf. Aviendha haalde amper adem; ze hield zich zorgvuldig buiten hun botsingen. Ze dacht zeker dat het gewoon verstandig was om uit de buurt te blijven.
Het was, vreemd genoeg, Amico die deze keer de impasse doorbrak, hoewel ze waarschijnlijk alleen maar aangaf dat ze bereidwillig mee wilde werken. Ze draaide haar gezicht naar de muur toe en wachtte geduldig tot ze gebonden zou worden.
Egwene besefte opeens hoe dwaas dit alles was. Ze was de enige geleidster – tenzij Nynaeve zich kwaad maakte of Joiya’s schild het begaf – en zij speelden een spelletje staren terwijl Amico wachtte op haar binding. Een andere keer zou ze hard om zichzelf gelachen hebben. In plaats daarvan opende ze zichzelf voor saidar, die nooit geziene, altijd aanwezige warmte, die altijd zo dichtbij was. De Ene Kracht vervulde haar als een leven van dubbele vreugde, en ze weefde de draden om Amico heen.
Nynaeve bromde slechts; ze was waarschijnlijk niet kwaad genoeg om te voelen wat Egwene aan het doen was, maar ze kon Amico zien verstrakken toen Lucht haar aanraakte, waarna ze in elkaar zakte, min of meer ondersteund door de stromen, alsof ze wilde tonen hoe weinig ze tegenstribbelde. Aviendha huiverde als altijd wanneer ze wist dat er dicht bij haar geleid werd.
Egwene weefde Amico’s oren dicht – het had weinig zin om hen apart te ondervragen als ze eikaars verhalen kenden – en richtte zich op Joiya. Ze nam de waaier van de ene hand in de andere, zodat ze de hand aan haar kleren kon afvegen, en hield toen met een grimas van afkeer op. Haar zwetende handpalmen hadden niets met de warmte te maken. ‘Haar gezicht,’ zei Aviendha opeens. Verrassend; ze zei bijna nooit iets, tenzij ze werd aangesproken door Moiraine of een van de anderen. ‘Amico’s gezicht. Het ziet er anders uit, niet meer alsof de jaren haar zijn voorbijgegaan. Niet zoveel meer. Komt dat doordat ze... gesust is?’ zei ze, ademloos bijna. Ze had een paar gewoonten van hen overgenomen nu ze zo vaak bij hen was. Geen enkele vrouw van de Toren kon het woord ‘sussen’ noemen zonder zich koud te voelen. Egwene liep langs de tafel tot ze Amico’s gezicht van opzij kon zien en toch buiten het gezichtsveld van Joiya kon blijven. Joiya’s ogen veranderden haar maag altijd in een ijsklomp. Aviendha had gelijk. Er was een verschil dat ze wel had opgemerkt maar niet begrepen. Amico zag er jong uit, jonger misschien dan haar jaren, maar haar gezicht bezat niet langer de leeftijdloosheid van een Aes Sedai die jaren met de Ene Kracht heeft gewerkt. ‘Je hebt scherpe ogen, Aviendha, maar ik weet niet of dit iets te maken heeft met sussen. Maar het zal wel zo zijn. Ik weet niet wat het anders veroorzaakt kan hebben.’ Ze besefte dat het niet erg klonk als een Aes Sedai. Die spraken over het algemeen alsof ze de wijsheid in pacht hadden; als een Aes Sedai zei dat ze het niet wist, slaagde ze er over het algemeen toch in een dergelijke ontkenning te laten klinken alsof deze gehuld was in een wolk van kennis. Terwijl ze haar hersens pijnigde voor een gepast hoogdravend antwoord, kwam Nynaeve haar redden. ‘Er zijn maar weinig Aes Sedai geweest die opgebrand zijn, Aviendha, en nog minder die gesust zijn.’