‘Opbranden,’ zo werd het sussen genoemd als het per ongeluk gebeurde. Formeel was sussen het gevolg van een gericht en een uitspraak. Egwene kon er echt de zin niet van inzien; het was alsof je twee woorden had om aan te duiden dat je van de trap was gevallen, in het ene geval struikelde je, in het andere geval werd je geduwd. De meeste Aes Sedai leken het ook zo op te vatten, behalve als ze Novices of Aanvaarden les gaven. Er bestonden feitelijk drie woorden. Mannen werden ‘gestild’, moesten gestild worden vóór ze krankzinnig werden. Maar nu was er Rhand, en de Toren durfde hem niet te stillen. Nynaeve klonk belerend, ongetwijfeld om te klinken als een Aes Sedai. Egwene besefte dat ze Sheriam in een les nadeed, met de handen voor haar middel geslagen en met die glimlach die aangaf dat het allemaal zo eenvoudig was, als je maar nadacht.
‘Sussen is geen onderwerp dat gewoonlijk voor studie gekozen wordt, begrijp je,’ ging Nynaeve door. ‘Over het algemeen wordt aangenomen dat het onomkeerbaar is. De aanleg dat een vrouw kan geleiden, kan na verwijdering niet vervangen worden, zoals een afgehakte hand evenmin door Heling kan worden aangezet.’ Er was tenminste niemand geweest die een gesuste kon helen. Er waren pogingen geweest en wat Nynaeve zei, was min of meer waar. Sommige zusters van de Bruine Ajah bestudeerden echter alles als ze de kans kregen, en sommige Gele zusters, de beste Heelsters, probeerden alles te helen. Maar elke aanwijzing ontbrak dat een gesuste zou kunnen worden geheeld. ‘Behalve dit ene onomstotelijke feit is er weinig bekend. Gesuste vrouwen leven gewoonlijk nog maar enkele jaren. Ze lijken niet meer te willen leven; ze geven het op. Zoals ik al zei, het is een onplezierig onderwerp.’
Aviendha schoof onbehaaglijk met haar voeten, ik dacht alleen maar dat het dat kon zijn,’ zei ze zacht.
Dat dacht Egwene ook. Ze besloot het Moiraine te vragen. Als ze haar tenminste een keer zonder Aviendha zou aantreffen. Het leek of hun bedrog hen zowel hielp als hinderde.
‘Laten we horen of Joiya ook nog steeds hetzelfde verhaal vertelt.’ Ondanks alles moest ze zichzelf sterken voor ze de stromen Lucht om de Duistervriend losmaakte.
Joiya moest stijf geworden zijn van het lange stilstaan, maar ze draaide zich soepel om en keek hen aan. De zweetdruppels op haar voorhoofd konden haar waardigheid en aanwezigheid net zomin aantasten als haar vale, grove kleding het gevoel kon verminderen dat ze hier uit eigen verkiezing was. Ze was een knappe vrouw met iets moederlijks in haar gezicht, iets geruststellends, ondanks de leeftijdloze trekken. Maar haviksogen waren vergeleken met die donkere ogen in dat gezicht vriendelijk. Ze glimlachte, een glimlach die nooit die ogen bereikte. ‘Het Licht verlichte u. Moge de hand van de Schepper u beschermen.’
‘Van jou wil ik die woorden niet horen.’ Nynaeves stem was zacht en kalm, maar ze wierp haar vlecht over haar schouder en greep het eind in haar vuist, zoals ze deed als ze kwaad was, of onzeker. Egwene dacht niet dat ze onzeker was; de gedachte aan Joiya deed Nynaeve niet huiveren zoals Egwene.
‘Ik heb berouw over mijn zonden,’ zei Joiya gladjes. ‘De Draak is wedergeboren en hij voert Callandor. De Voorspellingen zijn vervuld. De Duistere zal falen. Nu zie ik dat in. Mijn berouw is echt. Niemand kan zo lang in de Schaduw lopen dat zij niet terug kan keren naar het Licht.’ Bij dat woord was Nynaeves gezicht donkerder geworden. Egwene was er zeker van dat ze nu kwaad genoeg was om te geleiden, maar als ze dat zou doen, was het ongetwijfeld om Joiya te wurgen. Egwene geloofde net zomin als Nynaeve dat Joiya berouw had, maar haar inlichtingen konden waardevol zijn. Joiya was heel goed in staat om koeltjes te besluiten over te lopen naar de kant die het volgens haar zou winnen. Of ze kon proberen om tijd te winnen, en liegen in de hoop om gered te worden.
Een Aes Sedai kon onmogelijk een leugen uitspreken, zelfs een die elk recht op die naam had verloren; zeker geen regelrechte leugen. De eerste van de Drie Geloften, die met de Eedstaf in de hand werd afgelegd, zou daarvoor moeten zorgen. Maar welke eed ook de Duistere werd gezworen om in de Zwarte Ajah opgenomen te worden, hij leek alle Drie Geloften te breken.
Nou ja, het moest maar. De Amyrlin had hun opdracht gegeven om op de Zwarte Ajah te jagen, op Liandrin en de andere twaalf, die hadden gemoord en uit de Toren waren gevlucht. Ze konden alleen nog iets bereiken met wat deze twee hun konden of wilden vertellen. ‘Vertel ons je verhaal opnieuw,’ beval Egwene. ‘Gebruik deze keer andere woorden. Ik ben het zat om naar aangeleerde verhaaltjes te luisteren.’ Als ze loog, was de kans groter dat ze zich versprak als ze het anders moest vertellen. ‘We luisteren.’ Dat was voor Nynaeve bedoeld; ze snoof luid en gaf toen een kort knikje.
Joiya haalde de schouders op. ‘Zoals je wilt. Laat eens kijken. Andere woorden. De valse Draak, Mazrim Taim, die in Saldea gevangen werd genomen, kan met ongelofelijke kracht geleiden. Misschien net zoveel als Rhand Altor, of bijna net zoveel, als we de verhalen mogen geloven. Voor hij naar Tar Valon gebracht kan worden om gestild te worden, wil Liandrin hem laten ontsnappen. Hij zal worden aangekondigd als de Herrezen Draak, hij krijgt de naam Rhand Altor en hij zal worden aangezet tot een vernietiging zo groot als de wereld sinds de Oorlog van de Honderd Jaren niet meer gekend heeft.’
‘Dat is onmogelijk,’ onderbrak Nynaeve haar. ‘Het Patroon zal geen valse Draak aanvaarden, niet nu Rhand zichzelf heeft uitgeroepen.’ Egwene zuchtte. Ze hadden hierover al eerder ruzie gehad, maar Nynaeve bleef maar op dit punt doorgaan. Ze wist niet zeker of Nynaeve echt in Rhand als de Herrezen Draak geloofde, wat ze ook zei, ongeacht de Voorspellingen, Callandor en de val van de Steen. Nynaeve was net oud genoeg geweest om op hem te passen toen hij nog een kind was, zoals ze ook bij Egwene gedaan had. Hij was een Emondsvelder, en Nynaeve vond het haar voornaamste plicht de mensen uit Emondsveld te beschermen.
‘Heeft Moiraine je dat verteld?’ vroeg Joiya met een spoortje van minachting. ‘Moiraine heeft na haar verheffing weinig tijd in de Toren doorgebracht, en ook niet veel met haar zusters in andere plaatsen. Ik neem aan dat ze het dagelijkse leven in een dorp kent, misschien zelfs wel iets van politiek weet, maar ze spreekt al te stellig over zaken die alleen met studie doorgrond kunnen worden, of door gesprekken met mensen die er iets van weten. Maar ze kan het bij het rechte eind hebben. Mazrim Taim zou weieens kunnen ontdekken dat het onmogelijk is zichzelf tot Draak uit te roepen. Maar als anderen het voor hem doen, maakt het dan nog iets uit?’
Egwene wenste dat Moiraine terug zou komen. De vrouw zou niet zo zelfverzekerd spreken als Moiraine hier was. Joiya wist maar al te goed dat zij en Nynaeve slechts Aanvaarden waren. Het maakte een verschil.
‘Ga door,’ zei Egwene, bijna net zo ruw als Nynaeve. ‘En onthoud: andere woorden.’
‘Natuurlijk,’ zei Joiya, alsof ze antwoord gaf op een sierlijke uitnodiging, maar haar ogen glinsterden als splinters zwart glas. ‘Je kunt de uitkomst al zien, die ligt voor de hand. Rhand Altor krijgt de schuld voor de plundertochten van... Rhand Altor. Zelfs het bewijs dat ze niet dezelfde zijn, kan weggepraat worden. Niemand weet toch welke kunstjes de Herrezen Draak kent? Misschien kan hij wel op twee plaatsen tegelijk zijn. Zelfs het soort mensen dat achter een valse Draak aanholt, zal aarzelen bij de aanblik van de slachtpartijen en erger, die iedereen van groot tot klein zullen treffen. Ze zullen het hem verwijten. Wie zich niet door zulke slachtingen laat afschrikken, zal de Rhand Altor zoeken die zich in bloed schijnt te wentelen. De landen zullen zich verenigen zoals tijdens de Aiel-oorlog...’ Ze glimlachte verontschuldigend naar Aviendha, een glimlach die in tegenspraak was met haar genadeloze ogen. ‘... maar ongetwijfeld veel vlugger. Zelfs de Herrezen Draak kan die niet weerstaan, niet lang tenminste. Hij zal voor de Laatste Slag worden verpletterd, juist door die mensen die hij verondersteld werd te redden. De Duistere zal vrijkomen, de dag van Tarmon Gai’don zal komen en de Schaduw zal de aarde verduisteren en voor altijd het Patroon veranderen. Dat is Liandrins plan.’ Er klonk totaal geen voldoening in haar stem, ook geen afgrijzen. Het was een geloofwaardig verhaal, beter dan Amico’s verzinsel over een paar afgeluisterde zinnen, maar Egwene geloofde Amico en niet Joiya. Misschien omdat ze dat wilde. Een vage bedreiging in Tanchico was gemakkelijker aan te pakken dan dit volledig uitgewerkte plan om iedereen tegen Rhand op te zetten. Nee, dacht ze, Joiya liegt. Ik weet het zeker. Toch kon ze zich niet veroorloven om enig verhaal te veronachtzamen. Maar ze konden niet achter beide verhalen aanjagen, niet als ze enige kans op slagen wilden hebben.