Выбрать главу

‘Jawel, Aes...’ De keel van de man leek zich dicht te knijpen. Hij haalde hijgend adem. ‘Jazeker, mijn vrouwe,’ zei hij, haar bezorgd in het oog houdend of die titel volstond. Toen ze hem afwachtend bleef aankijken, slaakte hij een hoorbare zucht van opluchting. ‘De gevangenen mogen met niemand praten, zelfs niet met elkaar, behalve tegen mij. Er moeten twintig man in de wachtkamer zijn en op elk moment twee voor hun kerker, en vier als een kerkerdeur om de een of andere reden moet worden geopend. Persoonlijk dien ik toe te zien op de bereiding en het bezorgen van het eten. Precies zoals u hebt bevolen, mijn vrouwe.’ Er klonk heel ver iets van een vraag mee. In de Steen deden honderden geruchten de ronde over deze gevangenen en over de reden waarom ze zo zwaar bewaakt moesten worden. Men fluisterde vele verhalen over Aes Sedai. Het ene nog zwarter dan het andere. ‘Heel goed,’ zei Moiraine. ‘Neem ze mee.’

Het was niet duidelijk wie er meer gebrand was op het verlaten van de kamer: de gevangenen of de gevangenbewaarders. Zelfs Joiya liep snel, alsof ze het niet kon verdragen nog langer haar mond te houden tegen Moiraine.

Elayne wist zeker dat haar gezicht niets had verraden sinds ze was binnengekomen, maar Egwene kwam naar haar toe en sloeg een arm om haar heen. ‘Wat is er aan de hand, Elayne? Je ziet eruit of je wilt gaan huilen.’

Haar bezorgde stem zorgde ervoor dat Elayne bijna in tranen uitbarstte. Licht, dacht ze. Zo stom wil ik niet zijn. Ik wil het niet! ‘Een huilende vrouw is een emmer met een gat.’ Lini had veel van dit soort spreekwoorden.

‘Drie keer...’ barstte Nynaeve tegen Moiraine uit, ‘slechts drie keer heb je erin toegestemd ons te helpen bij de ondervraging. Ditmaal hou je ermee op voor we begonnen zijn en kondig je kalmpjes aan dat je ze naar Tar Valon gaat sturen! Als je niet wilt helpen, hoef je nog niet dwars te liggen!’

‘Denk niet dat je je eeuwig op het gezag van de Amyrlin kunt beroepen,’ merkte Moiraine koel op. ‘Ze laat jullie dan wel op Liandrin jagen, maar jullie zijn niet meer dan Aanvaarden, zielig onwetende Aanvaarden, ondanks alle brieven in je beurs. Of zijn jullie van plan ze oneindig te ondervragen voor je een besluit neemt? Dat volk van Tweewater lijkt een noodzakelijk besluit te ontwijken.’ Nynaeves ogen puilden uit en haar mond ging open en dicht alsof ze zich afvroeg op welke beschuldiging ze eerst ging antwoorden, maar Moiraine wendde zich tot Egwene en Elayne. ‘Beheers je, Elayne. Hoe jij de bevelen van de Amyrlin kunt uitvoeren als je denkt dat ieder land dezelfde gewoonten kent als Andor, weet ik niet. En ik begrijp ook niet waar je zo ondersteboven van bent. Laat je gevoel anderen niet kwetsen.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg Egwene. ‘Welke gewoonten? Waar heb je het over?’

‘Berelain is bij Rhand geweest,’ ontglipte Elayne nog net. Haar ogen flitsten schuldbewust naar Egwene. Zij had haar gevoelens toch zeker goed verborgen gehouden?

Moiraine keek haar verwijtend aan en zuchtte, ik zou je dit liever hebben bespaard, Egwene. Als Elaynes afkeer van Berelain niet sterker was geweest dan haar gezond verstand. De gewoonten van Mayene zijn jouw gewoonten evenmin. Egwene, ik weet wat je voor Rhand voelt, maar je moet onderhand toch beseffen dat er niets van kan komen. Hij behoort het Patroon en de geschiedenis.’

Egwene leek de Aes Sedai te negeren en keek scherp in Elaynes ogen. Elayne wilde haar ogen afwenden, maar kon het niet. Opeens boog Egwene zich naar haar toe en fluisterde achter haar hand in Elaynes oor: ‘Ik hou van hem. Als van een broer. En van jou als van mijn zus. Ik wil het beste voor jullie twee.’

Elaynes ogen sperden zich wijd open en een glimlach verspreidde zich over haar gezicht. Ze beantwoordde Egwenes omhelzing nog steviger. ‘Dank je,’ fluisterde ze zachtjes, ik hou ook van jou, zus. O, dank je wel.’

‘Ze had het verkeerd,’ zei Egwene half in zichzelf, en ook op haar gezicht verscheen een verrukte grijns. ‘Ben jij ooit verliefd geweest, Moiraine?’

Wat een schokkende vraag. Elayne kon zich de Aes Sedai niet verliefd voorstellen. Moiraine was van de Blauwe Ajah en men zei dat de Blauwe zusters elke hartstocht aan de grote zaak wijdden. De slanke vrouw schrok er niet van. Heel lang keek ze de twee gearmde vrouwen nietszeggend aan. Uiteindelijk zei ze: ik wil wedden dat ik het gezicht van de man die ik ga trouwen, beter ken dan jullie het gezicht van je toekomstige echtgenoot.’ Egwenes mond viel van verbazing open. ‘Wie?’ vroeg Elayne met een zucht.

De Aes Sedai leek het te betreuren dat ze iets had gezegd. ‘Misschien heb ik slechts bedoeld dat we hierover alledrie in onwetendheid verkeren.’ Ze keek Nynaeve nadenkend aan. ‘Als ik ooit een man mag kiezen, let weclass="underline" als! – zal het niet Lan zijn. Zover wil ik wel gaan.’ Dat was een vredesaanbod aan Nynaeve, maar die was er niet blij mee. Nynaeve had iets wat Lini een ‘rotstuin te spitten’ noemde. Ze hield niet slechts van een zwaardhand, maar van een zwaardhand die probeerde te ontkennen dat hij Nynaeve liefhad. Hij was een dwaas, met zijn gepraat over de oorlog tegen de Schaduw, over het zwaard dat hij niet kon neerleggen, over een strijd die hij nooit kon winnen en over zijn weigering Nynaeve te trouwen omdat zij gauw weduwe zou kunnen zijn. Dat soort stomme praatjes. Elayne snapte niet dat Nynaeve dat slikte. Zij was geen vrouw met veel geduld. ‘Als jullie klaar zijn met je gebabbel over mannen,’ zei Nynaeve giftig, alsof ze Elaynes gedachte wilde onderschrijven, ‘kunnen we misschien terugkeren tot iets belangrijks?’ Ze greep haar vlecht fel beet en begon steeds sneller te praten, als een watermolen waarvan het waterluik te ver openstaat. ‘Hoe kunnen we tot de slotsom komen of Joiya dan wel Amico liegt, als jij ze wegstuurt? Of dat ze samen dezelfde leugen vertellen? Of geen van beiden? Ik vind dat geaarzel ook niet leuk, Moiraine, wat je zegt, maar ik ben te vaak in de val gelopen en wil dat liever vermijden. En ik wil ook liever niet op Jak met de zeis botsen. De Amyrlin heeft mij... ons achter Liandrin en haar wijven aan gestuurd. Omdat jij blijkbaar vindt dat ze te onbelangrijk zijn om er tijd aan te besteden, hoef je nog niet met een bezemsteel tegen onze enkels te slaan!’

Ze leek haar vlecht er helemaal af te rukken en de Aes Sedai ermee te willen wurgen. Moiraine toonde die gevaarlijk kille, kristalheldere kalmte als een voorbode van hetzelfde lesje dat ze Joiya had gegeven. Elayne besloot dat het de hoogste tijd werd te stoppen met haar geknies. Ze wist niet hoe ze haar rol van vredestichtster tussen deze drie vrouwen had gekregen – soms wilde ze hen alledrie bij het nekvel pakken en door elkaar rammelen – maar haar moeder zei altijd dat boze mensen nooit een goede beslissing namen. ‘Misschien kun je iets toevoegen aan je vragenlijst,’ zei ze. ‘Waarom moesten we bij Rhand komen? Daar heeft Careen ons namelijk heen gebracht, al heeft Moiraine hem geheeld en is alles natuurlijk weer in orde met hem.’ Ze kon een rilling niet onderdrukken toen ze terugdacht aan zijn slaapvertrek, maar haar nieuwe onderwerp werkte als een toverwoord. ‘Geheeld?’ bracht Nynaeve met moeite uit. ‘Wat is er met hem gebeurd?’

‘Hij was bijna gedood,’ zei de Aes Sedai kalm alsof ze vertelde een pot thee te hebben gezet.

Elayne voelde Egwene beven toen ze naar Moiraines toonloze verslag luisterde, maar misschien beefde zijzelf ook wel. Bellen van kwaad die door het Patroon dreven. Beeltenissen die uit spiegels sprongen. Rhand onder de wonden en het bloed. Bijna terloops voegde Moiraine eraan toe dat Mart en Perijn zeker ook iets dergelijks hadden meegemaakt, maar ongedeerd waren ontkomen. Die vrouw moest ijs in haar aderen hebben. Nee, zegwas razend geweest over Rhands koppigheid. En ze was niet kil geweest toen ze het over trouwen had, hoezeer ze ook deed alsof dat wel zo was. Maar op dit moment deed ze of ze een lap zijde bespraken en of die wel de juiste kleur voor een kledingstuk had. ‘En dat... die dingen zullen blijven gebeuren?’ vroeg Egwene toen Moiraine klaar was. ‘Kun jij niets doen om het te stoppen? Of kan Rhand iets doen?’