Выбрать главу

Nynaeve leek geschokt, alsof ze de veldslagen en de doden reeds voorzag; Egwenes donkere ogen stonden groot van gruwend begrip. Hun gezichten lieten Elayne huiveren. De een had Rhand zien opgroeien, de ander was tegelijk met hem opgegroeid. En nu zagen ze hem oorlogen beginnen. Niet de Herrezen Draak, maar Rhand Altor. Vooral Egwene had er grote moeite mee en klampte zich vast aan een kleinigheid die het minst betrekking had op wat Moiraine had gezegd. ‘Hoe kan hij door te lezen in de ellende komen?’

‘Hij heeft besloten dat hij zelf wil uitzoeken wat de Voorspellingen van de Draak zeggen.’ Moiraines gezicht bleef glad en koel, maar opeens klonk ze even moe als Elayne zich voelde. ‘Ze mogen in Tyr misschien verboden zijn, maar het hoofd van de librije had negen verschillende vertalingen in een afgesloten kist. Rhand heeft ze nu allemaal. Ik wees hem op enkele regels die momenteel van toepassing zijn en hij zei de gehele tekst op uit een oude Kandoraanse vertaling.

Kracht van de Schaduwmacht vormde menselijk vlees; wekte het op, voor verwarring en twist en chaos. Zie de Herborene, bloedend, getekend; hij danst het zwaard in dromen en nevelen,

ketent de Schaduwgezworenen naar zijn wil. Hij voert uit de stad, verloren en verzaakt, de speren opnieuw ten oorlog. Hij breekt de speren en toont hen de waarheid, zo lang reeds verborgen in de oeroude droom.’

Moiraines gezicht stond betrokken. ‘Het slaat zowel hierop als op heel veel andere dingen. Illian onder Sammael is zeker een verzaakte stad. Hij voert de Tyreense speren ten strijde, ketent Sammael en vervult deze regels. De oeroude droom van de Herrezen Draak. Maar hij ziet dat niet zo. Hij heeft zelfs een boek in de Oude Spraak, alsof hij er ook maar één woord van begrijpt. Hij jaagt op schaduwen, en Sammael, Rahvin of Lanfir zal hem in een wurggreep hebben voor ik hem kan overtuigen dat hij het mis heeft.’

‘Hij is wanhopig.’ Nynaeves zachtaardige toon was niet bedoeld voor Moiraine, wist Elayne, maar voor Rhand. ‘Wanhopig, en hij probeert zijn eigen weg te zoeken.’

‘Ik ben even wanhopig,’ zei Moiraine ferm. ik heb mijn leven gewijd aan hem te vinden en ik laat niet toe dat hij faalt, zolang ik het kan voorkomen. Ik ben bijna zo wanhopig dat ik...’ Ze zweeg en perste haar lippen op elkaar. ‘Laten we het erop houden dat ik zal doen wat ik moet doen.’

‘We houden het er niet op,’ zei Egwene scherp. ‘Wat ga je doen?’

‘Jij hebt je met andere zaken bezig te houden,’ zei de Aes Sedai. ‘De Zwarte Ajah...’

‘Nee!’ Elaynes stem klonk vlijmscherp en bevelend, haar greep in haar zachtblauwe rok maakte de knokkels wit. ‘Je bewaart vele geheimen, Moiraine, maar vertel ons dit. Wat ben je met hem van plan?’ Een beeld flitste door haar hoofd: Moiraine vastpakken en de waarheid zo nodig uit haar te rammelen.

‘Met hem van plan? Niets. Nou goed dan, er is geen reden waarom jullie het niet mogen weten. Hebben jullie de vertrekken gezien die de Tyreners de Grote Borg noemen?’

Het was vreemd dat een volk dat de Kracht zo vreesde, een verzameling voorwerpen van de Ene Kracht bewaarde die na de librije van de Witte Toren de grootste ter wereld was. Elayne dacht dat dit te maken had met de lange jaren waarin Tyr gedwongen was Callandor te bewaken. Zelfs het Zwaard dat geen zwaard is, zou minder belangrijk lijken als het slechts een van de vele angrealen was. De Tyreners hadden het echter nooit op kunnen brengen deze kostbaarheden te tonen. De Grote Borg bestond uit een aantal smerige vertrekken die zelfs nog onder de kerkers lagen. Toen Elayne ze voor het eerst had gezien, waren de deursloten al heel lang geleden vastgeroest, voor zover de deuren nog niet waren weggerot.

‘We hebben er een hele dag doorgebracht,’ zei Nynaeve. ‘Om te zien of Liandrin en haar vriendinnen niets hadden meegenomen. Ik denk het niet. Alles lag dik onder het stof en de schimmels. Er zullen tien vrachtboten nodig zijn om alles naar de Toren over te brengen. Misschien kunnen ze er daar iets mee doen, ik begreep er niets van.’ De verleiding om Moiraine te sarren was blijkbaar te groot, want ze voegde eraan toe: ‘Je zou dat hebben geweten ais je ons wat meer van je tijd had gegund.’

Moiraine lette er niet op. Ze stond haar eigen gedachten te overwegen en ze sprak bijna in zichzelf. ‘Er is een bijzondere ter’angreaal daar. Een roodstenen doorgang met een vreemde draai in de steen. Als ik hem geen beslissing kan laten nemen, zal ik er misschien doorheen moeten stappen.’ Het fonkelende steentje op haar voorhoofd trilde, ze wilde die stap blijkbaar liever niet maken.

Toen de ter’angreaal werd genoemd, raakte Egwene als vanzelf het lijfje van haar gewaad aan. Ze had er met eigen handen een zakje voor de stenen ring in genaaid. De ring was een ter’angreaal, klein maar krachtig, en alleen haar vriendinnen wisten dat ze hem had, Moiraine niet.

Het waren vreemde dingen, die ter’angrealen, overblijfselen uit de Eeuw der Legenden, net als de angrealen en sa’angrealen. Ter’angrealen gebruikten de Ene Kracht in plaats van die te versterken. Blijkbaar was elke ter’angreaal gemaakt om één ding te doen en niets anders, maar ofschoon er tegenwoordig verschillende werden gebruikt, wist niemand zeker of ze op de juiste wijze werden gebruikt. De Eedstaf die de Aanvaarde vasthield als ze tot Aes Sedai werd verheven, was een ter’angreaal, die ervoor zorgde dat de Drie Geloften een deel van haar vlees en bloed werden. Voor de Aanvaarding moest een Novice een proef doorstaan in een andere ter’angreaal. Daarin ontdekte ze haar diepste angsten, die tot leven leken te komen, en misschien bracht de ter’angreaal haar naar een plek waar ze echt waren. Met een ter’angreaal konden vreemde dingen gebeuren. Er waren Aes Sedai opgebrand, gedood of gewoon verdwenen bij hun studie naar of het gebruik van deze voorwerpen.

‘Ik heb die doorgang gezien,’ zei Elayne. in de laatste kamer van de gang. Mijn lantaarn doofde en ik viel driemaal voor ik weer bij de deur stond.’ Een lichte kleur op haar wangen toonde haar verlegenheid, ik was bang om daar te geleiden, zelfs voor het aansteken van de lantaarn. Het meeste leek me rommel. Ik denk dat de Tyreners gewoon alles bij elkaar harkten waarvan iemand zei dat het met de Ene Kracht te maken kon hebben. Ik bedacht echter dat mijn geleiding misschien een voorwerp in werking zou stellen en wie weet wat er dan zou kunnen gebeuren.’

‘En als je daar gestruikeld was en door die gedraaide doorgang was gevallen?’ zei Moiraine licht spottend. ‘Daarbij heb je geen geleiding nodig, je hoeft er alleen maar door te stappen.’

‘Waarvoor?’ vroeg Nynaeve.

‘Om antwoorden te krijgen. Drie antwoorden, drie ware antwoorden, over verleden, heden en toekomst.’

De eerste gedachte die bij Elayne opkwam, was het kinderverhaaltje Bili Onderheuvel, maar alleen door de drie antwoorden. Hij werd meteen verdrongen door een andere gedachte, en Egwene en Nynaeve dachten hetzelfde, maar nog voor die hun mond hadden kunnen opendoen, had zij de vraag al gesteld. ‘Moiraine, daarmee is ons probleem opgelost. We kunnen vragen of Joiya of Amico de waarheid spreken. We kunnen vragen waar Liandrin en de anderen zijn. En de namen van de zusters van de Zwarte Ajah die nog in de Toren zijn...’

‘We kunnen vragen wat voor ding zo gevaarlijk voor Rhand is,’ onderbrak Egwene haar en Nynaeve voegde eraan toe: ‘Waarom heb je ons dat niet eerder verteld? Waarom heb je ons al die dagen door laten gaan met het luisteren naar dezelfde verhaaltjes, als we dit in één klap hadden kunnen oplossen?’

De Aes Sedai kromp ineen en stak beide handen op. ‘Jullie draven met z’n drieën blindelings door waar Lan en een honderdtal zwaardhanden heel voorzichtig zouden sluipen. Waarom zou ik er nog niet doorheen zijn gestapt, denken jullie? Ik had al dagen geleden kunnen vragen wat Rhand moet doen om te overleven en overwinnen, hoe hij de Verzakers en de Duistere verslaan kan, hoe hij kan leren de Kracht te beheersen en hoe hij de krankzinnigheid lang genoeg weg kan houden om te doen wat gedaan moet worden.’ Ze wachtte, met de handen in haar zij, terwijl ze nadachten over haar woorden. Niemand zei iets. ‘Er zijn regels,’ vervolgde ze, ‘en gevaren. Niemand mag er een tweede keer doorheen stappen. Maar één keer. Je mag drie vragen stellen, maar je moet ze alledrie stellen en de antwoorden aanhoren voor je weg mag. Onbenullige vragen worden schijnbaar bestraft, maar het schijnt ook zo te zijn dat wat voor de een ernstig, voor een ander onbenullig is. Nog belangrijker is dat de vragen die iets met de Schaduw te maken hebben, verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben.’