‘Wanneer je naar de Zwarte Ajah vraagt, kun je er dood uitkomen, of als een brabbelende gek, als je al naar buiten komt. Wat Rhand betreft... Ik kan geen enkele vraag over de Draak bedenken die niet ergens de Schaduw raakt. Begrijpen jullie het? Er is soms reden behoedzaam te zijn.’
‘Hoe weet je dat allemaal?’ wilde Nynaeve weten. Ze daagde met de vuisten in haar zij de Aes Sedai uit. ‘De hoogheren hebben een Aes Sedai vast en zeker nog nooit toestemming gegeven om iets in de Grote Borg te onderzoeken. Aan de smerigheid te zien heeft geen enkel voorwerp daar beneden in de laatste honderd jaar het zonlicht gezien.’
‘Langer nog, denk ik,’ gaf Moiraine kalm ten antwoord. ‘Ze zijn ongeveer driehonderd jaar geleden opgehouden met verzamelen. Vlak voordat ze er helemaal mee ophielden, hebben ze deze ter’angreaal verworven. Daarvóór was hij in het bezit van de Eerste van Mayene, die de antwoorden gebruikte om Mayene onafhankelijk van Tyr te houden. De Eerste stond de Aes Sedai wel toe hem te bestuderen. In het geheim natuurlijk; Mayene heeft het nooit aangedurfd om Tyr openlijk te tarten.’
‘Als het voor de Mayene zo belangrijk was,’ zei Nynaeve achterdochtig, ‘waarom staat hij dan nu hier, in de Steen?’
‘Omdat Eersten zowel goede als slechte beslissingen hebben genomen om de vrijheid van Mayene te behouden. Driehonderd jaar geleden hadden de hoogheren plannen om een vloot te bouwen die de Mayeense schepen zou volgen om de scholen met olievis te vinden. Halvar was toen Eerste en hij maakte de olie van Mayene duurder dan de olijfolie van Tyr. Bovendien gaf hij een geschenk om de hoogheren er nog meer van te overtuigen dat Mayene altijd zijn eigen belangen onder die van Tyr zou stellen: deze ter’angreaal. Hij had hem al gebruikt, dus was hij voor de Eerste verder nutteloos. Hij was toen even jong als Berelain nu, stond aan het begin van een lange regering en aan het begin van vele jaren waarin hij de goede wil van Tyr dacht nodig te hebben.’
‘Die Halvar was een dwaas,’ mompelde Elayne. ‘Mijn moeder zou zo’n fout nooit maken.’
‘Misschien niet,’ zei Moiraine. ‘Maar ja, Andor is geen klein landje dat omringd is door een veel groter en sterker land. Halvar bleek naderhand inderdaad een dwaas te zijn – de hoogheren lieten hem een jaar later vermoorden – maar zijn dwaasheid heeft me, indien ik hem nodig heb, deze kans gegeven. Gevaarlijk, maar beter dan niets.’ Nynaeve stond wat in zichzelf te mompelen, misschien teleurgesteld dat de Aes Sedai geen blunder had begaan.
‘Daarmee zijn we dus geen stap verder gekomen,’ verzuchtte Egwene. ‘We weten nog steeds niet wie er liegt of dat ze beiden liegen.’
‘Je kunt ze opnieuw ondervragen, als je dat wilt,’ zei Moiraine. ‘Het kan nog voor ze worden ingescheept, hoewel ik sterk betwijfel of een van hen haar verhaal nog zal wijzigen. Mijn advies is dat jullie je op Tanchico richten. Als Joiya de waarheid spreekt, zullen er Aes Sedai en zwaardhanden nodig zijn voor de bewaking van Mazrim Taim, niet alleen jullie drie. Ik heb per postduif een waarschuwing naar de Amyrlin gestuurd toen ik Joiya’s verhaal voor het eerst hoorde. Nou, eigenlijk heb ik er drie gestuurd, om er zeker van te zijn dat er in ieder geval één in de Toren aankomt.’
‘Heel vriendelijk van je ons op de hoogte te houden,’ mompelde Elayne koeltjes. Die vrouw deed écht wat ze zelf wilde. Dat zij zich alleen maar voordeden als volwaardige Aes Sedai wilde nog niet zeggen dat Moiraine hun niets hoefde te vertellen. De Amyrlin had hén achter de Zwarte Ajah aan gestuurd.
Moiraine neeg kort het hoofd, alsof ze hun dank echt aannam. ‘Graag gedaan. Denk eraan dat jullie de honden zijn die de Amyrlin op jacht heeft gestuurd.’ Toen ze licht glimlachte bij Elaynes geschokte blik, wist Elayne dat Moiraine haar doorhad. ‘De beslissing waar jullie heen willen trekken, ligt bij jullie. Daar hebben jullie me zelf ook op gewezen,’ voegde ze er droogjes aan toe. ik hoop dat het een gemakkelijker beslissing zal zijn dan die van mij. En ik reken erop dat jullie goed zullen slapen, voor zover daar deze nacht nog tijd voor is. Welterusten allemaal.’
‘Die vrouw...’ mompelde Elayne toen de deur achter de Aes Sedai dichtviel. ‘Soms kan ik haar wel wurgen.’ Ze liet zich op een stoel aan de tafel vallen en bleef fronsend zitten nadenken met de handen in haar schoot.
Nynaeve gromde iets wat op instemming leek, terwijl ze naar het smalle wandtafeltje liep waarop zilveren bokalen, kruidenpotjes en twee kannen stonden. Een kan met wijn stond in een glimmende kom van grotendeels gesmolten ijs dat in kisten zaagsel helemaal van de Rug van de Wereld was aangevoerd. Ijs in de zomer om het drankje van een hoogheer te koelen; Egwene kon het zich bijna niet voorstellen, iets koels voor we gaan slapen, zal ons goeddoen,’ zei Nynaeve, zich bezighoudend met wijn, water en kruiden.
Elayne keek op toen Egwene naast haar kwam zitten. ‘Meende je wat je zei, Egwene? Over Rhand?’ Egwene knikte en Elayne zuchtte. ‘Weet je nog wat Min altijd zei, die grapjes van haar over hem delen? Ik vroeg me soms af of dat een beeld was waarover ze ons nooit iets heeft verteld. Ik dacht dat ze bedoelde dat wij allebei van hem houden. Maar jij had de eerste rechten en ik wist niet wat ik moest doen. Ik weet het nog niet. Hij houdt van jou, Egwene.’
‘We moeten het hem maar eens goed vertellen,’ zei Egwene vastberaden. ‘Als ik trouw, doe ik dat omdat ik het wil, niet alleen omdat een man erop rekent dat ik van hem hou. Ik zal het hem zachtjes duidelijk maken, Elayne, maar als ik uitgesproken ben, zal hij wel weten dat hij vrij is, of hij dat nu wil of niet. Mijn moeder zegt dat mannen van ons verschillen. Zij zegt dat wij graag verliefd willen zijn, maar alleen op de man die we willen. Een man heeft ook behoefte aan liefde, maar hij zal de eerste vrouw liefhebben die zijn hart weet te winnen.’
‘Alles goed en wel,’ zei Elayne gespannen, ‘maar Berelain was wel in zijn slaapkamer.’
Egwene snoof. ‘Ik weet niet wat Berelain wil, maar ze zal haar aandacht niet zo lang op één man richten dat hij op haar verliefd wordt. Twee dagen geleden vraten haar ogen Rhuarc op. Over twee dagen schenkt ze iemand anders haar glimlach. Ze lijkt op Else Grinwel. Weet je nog? Die Novice die al haar tijd op het oefenveld doorbracht om met haar wimpers naar de zwaardhanden te fladderen?’
‘Zij liet op dit uur in zijn slaapkamer niet alleen haar wimpers fladderen. Ze droeg zo mogelijk nog minder dan anders!’
‘Wil je dan dat ze hem krijgt?’
‘Nee!’ Elayne zei het heel woest en dat was gemeend, maar een diepe zucht later was ze weer een en al wanhoop. ‘O, Egwene, ik weet niet wat ik moet doen. Ik hou van hem. Ik wil met hem trouwen. Licht! Wat zal moeder zeggen? Ik breng nog liever een nacht in Joiya’s cel door dan naar moeders preken te moeten luisteren.’ De Andoraanse adel trouwde zo vaak met gewone burgers dat er weinig opmerkingen over gemaakt werden – in Andor tenminste – maar Rhand was natuurlijk geen gewone burger. Haar moeder was zeer wel in staat Lini persoonlijk naar Tyr te sturen om haar dochter bij het oor terug te slepen naar Caemlin.
‘Morgase kan moeilijk wat zeggen als we Mart geloven,’ zei Egwene troostend. ‘Zelfs als we hem voor de helft geloven. Die heer Gaebril waar je moeder zo van zwijmelt, klinkt nou niet als de keus van een vrouw die haar hoofd gebruikt.’
‘Ik weet zeker dat Mart overdreef,’ antwoordde Elayne nuffig. Haar moeder was veel te slim om zich vanwege een man dwaas te gedragen. Ze had voor Mart zijn naam had laten vallen, nog nooit van een heer Gaebril gehoord, maar als die meende dat hij door Morgase aan macht kon winnen, zou hij op een ochtend weieens ruw kunnen ontwaken. Nynaeve bracht drie bokalen kruidenwijn naar de tafel. Aan de buitenkant parelde damp en Nynaeve legde goudgroene stromatjes neer zodat het vocht de lak niet zou beschadigen. ‘Zo,’ zei ze een stoel aanschuivend, ‘jij, Elayne, hebt ontdekt dat je verliefd bent op Rhand, en Egwene heeft ontdekt dat ze dat niet is.’