‘Torean,’ antwoordde een andere, nog langere man. Hij had een pijl aan zijn kort kromme boog, die hij achteloos vasthield. Zijn grijze ogen richtten zich even op de twee vrouwen en gleden toen weer waakzaam langs de pilaren in het voorvertrek.
‘Torean,’ beaamde Gaul. ik dacht dat hij zou doorglijden tot aan die mooie beeldjes...’ – hij wees met zijn speer naar de kring van star in de houding staande Verdedigers – ‘... maar hij kwam net drie pas te kort. Ik heb daarmee een mooie Tyreense hanger, allemaal haviken in gouddraad, aan Mangin verloren.’ De lange man toonde een snelle tevreden glimlach.
Egwene stond met haar ogen te knipperen toen ze zich voorstelde hoe Rhand een hoogheer zijn deur uitsmeet. Hij was nooit een man van geweld geweest, verre van dat. Hoe sterk was hij veranderd? Ze had het te druk gehad met Joiya en Amico, en hij met Moiraine en Lan of de hoogheren, zodat ze slechts zo nu en dan een paar woorden wisselden als ze elkaar tegenkwamen. Enkele woorden over thuis, over hoe het tijdens Beltije zou zijn geweest en hoe Zonnedag zou verlopen. Het was allemaal zo kort geweest. Hoe erg was hij veranderd? ‘We moeten hem zien,’ zei Elayne met licht trillende stem.
Gaul maakte een buiging en liet zijn speer op het zwarte marmer rusten. ‘Natuurlijk, Aes Sedai.’
Enigszins ongerust betrad Egwene Rhands vertrekken. Elaynes gezicht sprak boekdelen over hoeveel moeite die paar stappen kostte. Van de gruwelijke gebeurtenissen van de vorige avond viel niets meer te bespeuren, maar aan de lichtere plekken op de donkere wandpanelen te zien waren alle spiegels verwijderd. Niet dat het vertrek ook maar een beetje opgeruimd leek. Overal lagen boeken, sommige opengeslagen alsof het lezen midden op een bladzijde was gestopt en het bed was nog steeds niet opgemaakt. De bloedrode gordijnen waren opengeschoven en de vensters boden in het westen uitzicht op de rivier die de hoofdslagader van Tyr was. Callandor flonkerde als opgewreven kristal op een enorme vergulde standaard die in protserigheid alles overtrof. Egwene vond de standaard het lelijkste ding dat ooit een kamer had gesierd – tot ze op de schouw de zilveren wolven zag die een gouden hertenbok neertrokken. Een enkel briesje van de rivier hield het vertrek verrassend koel, vergeleken met de andere ruimtes in de Steen.
Rhand zat in zijn hemdsmouwen onderuitgezakt in een stoel met een been over de armleuning en een in leer gebonden boek op zijn knie. Op het geluid van hun voetstappen sloeg hij het boek dicht en legde het tussen de andere neer op het tapijt. Hij sprong overeind alsof hij wilde gaan vechten. De grimmige blik verdween toen hij zag wie binnenkwamen.
Voor de eerste keer in de Steen zocht Egwene bij hem naar veranderingen en vond ze.
Hoelang was het geleden dat ze hem voor het laatst gezien had? Alweer zo lang dat zijn gezicht nu harder stond, dat zijn vroegere openheid begon te verdwijnen. Hij bewoog ook anders, een beetje als Lan, een beetje als de Aiel. Door zijn lengte en rossige haren en zijn ogen die nu eens blauw dan weer grijs waren, afhankelijk van het licht, leek hij veel te veel op een Aielman om je er gemakkelijk bij te voelen. Maar was hij van binnen veranderd?
‘Ik dacht dat... dat het iemand anders zou zijn,’ mompelde hij, terwijl ze elkaar verlegen stonden aan te kijken. Dit was de Rhand die ze kende, tot en met de blos op zijn wangen die telkens verscheen wanneer hij Elayne of haar aankeek. ‘Sommige... mensen willen dingen die ik niet kan geven. Dingen die ik niet zal geven.’ Opeens groeide er met alarmerende snelheid achterdocht op zijn gezicht en werd zijn stem scherper. ‘Wat willen jullie? Heeft Moiraine jullie gestuurd? Moeten jullie mij overtuigen van wat zij wil?’
‘Wees geen gans,’ liet Egwene zich ontvallen, ik wil niet dat je een oorlog begint.’
Elavne voegde er kalmerend aan toe: ‘We zijn gekomen... als het mogelijk is, om je te helpen.’ Dat was een van de redenen, en de gemakkelijkste hadden ze bij het ontbijt besloten.
‘Dus jullie kennen haar plannen voor...’ begon hij ruw, tot opeens hun aanbod van hulp doordrong. ‘Mij helpen? Hoe? Dat zegt Moiraine ook.’
Egwene sloeg ferm haar armen over elkaar, waarbij ze haar sjaal strak vasthield zoals Nynaeve deed wanneer ze de koppige dorpsraad toesprak om haar zin te krijgen. Het was te laat om iets anders te proberen, ze kon alleen maar doorgaan zoals ze begonnen was. ik heb je al gezegd niet zo stom te doen, Rhand Altor. Misschien likken die Tyreners je laarzen af, maar ik weet nog dat Nynaeve je over de knie legde toen je door Mart was overgehaald een vaatje appelbrandewijn te stelen.’ Elayne hield haar gezicht zorgvuldig strak. Te zorgvuldig; Egwene zag duidelijk dat ze zich inhield om niet hard te gaan lachen. Rhand merkte het natuurlijk niet. Mannen deden dat nooit. Hij grijnsde Egwene toe, kennelijk ook op het punt om in lachen uit te barsten. ‘We waren net dertien. Ze vond ons slapend achter de stal van je vader. We hadden zo’n ontzettende hoofdpijn dat we haar klappen niet eens voelden.’ Volgens Egwene was het toen toch anders afgelopen. ‘Maar dat was nog niets vergeleken met die keer dat jij die kom naar haar hoofd smeet. Weet je nog? Ze had jou hondsdrafthee voorgeschreven omdat je een hele week had lopen mokken en je had nog maar één slok genomen of je gooide haar beste kom naar haar hoofd. Licht, wat zat jij te piepen! Wanneer was dat? Twee jaar geleden, komende...’
‘We zijn hier niet gekomen om oude koeien uit de sloot te halen,’ zei Egwene die geërgerd haar sjaal verschoof. Die was van dunne wrol maar toch nog veel te warm. Hij herinnerde zich gewoonlijk de rottigste dingen.
Hij grijnsde alsof hij wist waar ze aan dacht en werd veel opgewekter. ‘Dus jullie komen me helpen, zeggen jullie. Waarmee? Ik neem niet aan dat jullie weten hoe je een hoogheer aan zijn woord kunt houden wanneer ik hem niet op de vingers kijk. Of hoe ik ongewenste dromen kan uitbannen? Ik kan zeker hulp gebruiken bij...’ Zijn ogen schoten naar Elayne, weer naar Egwene, en opnieuw veranderde hij abrupt van onderwerp. ‘Hoe zit het met de Oude Spraak? Hebben jullie daar nog les in gehad, in de Witte Toren?’ Hij wachtte niet op antwoord en begon tussen de boeken te zoeken die overal in het rond lagen. Op de stoelen lagen er nog meer en tussen het verwarde beddengoed, ik heb hier een boek... ergens... over...’