Выбрать главу

‘Nou, koppig of dom of wat dan ook, maar ik voel niets.’ Egwene keek hem fronsend aan. ‘Je hebt gezegd dat je zou doen wat we vroegen, Rhand. Doe je het ook? Als jij iets voelde, dan kan ik het ook en ik heb geen...’ Ze zweeg abrupt en onderdrukte een gilletje. Iets had in haar billen geknepen. Rhands mondhoeken krulden en hij probeerde duidelijk een grijns te onderdrukken. ‘Dat vond ik niet aardig,’ vertelde ze hem strak.

Hij probeerde onschuldig te kijken, maar de grijns gleed weg. ‘Je zei dat je iets wilde voelen en ik dacht dat een klein...’ Een onverwacht gebrul deed Egwene opspringen. Rhand sloeg zijn hand tegen zijn linkerbil en huppelde rond van de pijn. ‘Bloed en as, Egwene! Dat hoefde je niet...’ De rest van zijn woorden waren zachter en onverstaanbaar en Egwene was blij dat ze ze niet opving.

Ze gebruikte de gelegenheid om zich met de sjaal wat koelte toe te wuiven en wisselde een glimlachje uit met Elayne. De gloed rond de erfdochter verflauwde. Ze begon bijna te giechelen toen ze heimelijk over de pijnlijke plek wreef. Dat zou hem leren. Honderd keer zo erg, schatte Egwene.

Ze wendde zich weer tot Rhand en zette haar strengste gezicht op. ‘Zoiets zou ik nou van Mart hebben verwacht, maar ik dacht dat jij volwassen was. We kwamen je helpen, als we dat kunnen. Probeer mee te werken. Doe iets met de Kracht, niet zoiets kinderachtigs. Misschien kunnen we dat voelen.’

Ineengedoken keek hij hen woest aan. ‘Iets doen,’ mopperde hij. ‘Jullie hadden geen reden... Nu moet ik hinkend... Jullie willen dat ik iets doe?’

Opeens werd ze net als Elayne opgetild. Ze staarden elkaar met grote ogen aan toen ze een pas boven het tapijt zweefden. Niets hield hen vast, Egwene kon geen enkele stroom voelen. Niets. Haar mond verstrakte. Hij had het recht niet. Geen enkel recht, en het werd tijd dat hij dat leerde. Eenzelfde soort schild van Geest als Joiya van de Bron afschermde, zou hem ook tegenhouden. Aes Sedai gebruikten het als ze een zeldzame geleider vonden.

Ze stelde zich open voor saidar en haar maag voelde als lood. Er was saidar – ze kon de warmte en het licht voelen – maar tussen haar en de Ware Bron stond iets, niets, een afwezigheid die haar als een stenen muur van de Ware Bron afsneed. Ze voelde zich leeg van binnen tot haar paniek die leegte vulde. Een geleider had haar met saidin gevangen. Het was Rhand natuurlijk, maar nu ze zo hulpeloos als een varkensblaas in de lucht bungelde, kon ze alleen maar denken aan het feit dat hier een man aan het geleiden was en aan de smet op saidin. Ze probeerde tegen hem te schreeuwen, maar er klonken slechts schorre klanken.

‘Jullie wilden dat ik iets deed?’ gromde Rhand. Een stel kleine tafeltjes kromden moeizaam hun poten en begonnen krakend rond te waggelen in een stijve bespotting van een dans, terwijl het verguldsel eraf bladderde. ‘Vinden jullie dit leuk?’ Vlammen laaiden op in de haard, vulden de hele brede nis, brandden op kale lege stenen. ‘Of dit?’ De grote hertenbok en de wolven werden zacht en zakten in elkaar. Dunne stroompjes goud en zilver stroomden uit de klomp, werden dunne, glinsterende, kronkelende draadjes, die zich vervlochten tot een smalle doek van zilver en goud. Het glinsterende weefsel strekte zich naar het plafond uit, terwijl het onderaan nog steeds verbonden was met het langzaam smeltende beeld op de stenen mantel. ‘Iets doen,’ zei Rhand. iets doen! Hebben jullie enig idee wat het is om saidin aan te raken, vast te houden? Hebben jullie dat? Ik voel de waanzin op me wachten. Voel het in me druppelen.’

Opeens barstten de waggelende tafeltjes uit in vlammende, ronddansende fakkels. Boeken zweefden omhoog met wapperende bladzijden; de matras op het bed barstte open en een fontein van veertjes dwarrelde als sneeuw door de kamer. De op de brandende rafeltjes vallende veertjes vulden de kamer met een bijtende stank. Heel even staarde Rhand verwilderd naar de vlammende tafeltjes. Toen verdwenen zowel de onzichtbare banden als de afscherming rond Egwene en Elayne. Hun hielen ploften tegelijk op het tapijt neer, terwijl de vlammen doofden alsof ze werden opgezogen door het hout dat ze verbrandden. De gloed in de haard verdween eveneens en de boeken vielen op de vloer neer, in een nog grotere wanorde dan eerst. De hele lap van zilver en goud viel ook neer, samen met de draden gesmolten metaal, niet langer vloeibaar en heet. Slechts drie grote klompen, twee van zilver en een van goud, bleven achter op de mantel, koud en onherkenbaar.

Egwene was tegen Elayne aangevallen toen ze neerkwamen. Ze zochten steun bij elkaar, maar Egwene voelde haar vriendin hetzelfde doen als zij: zo snel mogelijk saidar omhelzen. Binnen enkele tellen had ze een schild klaar om rond Rhand op te werpen als hij weer zou willen geleiden, maar hij stond stomverbaasd naar de verkoolde tafeltjes te staren, terwijl de veren om hem heen zweefden en op zijn jas landden. Hij leek nu niet gevaarlijk meer, maar het vertrek was een grote puinhoop. Ze weefde kleine stroompjes Lucht om alle zwevende veertjes samen te vatten, samen met de veertjes op het tapijt. Bij nader inzien voegde ze die van zijn jas eraan toe. De rest mocht de majiere uitzoeken, of hijzelf.

Rhand kromp in elkaar toen de veertjes langs hem heen zweefden en neerkwamen op de gescheurde resten van de matras. De stank van verbrande veren en hout verdween er niet mee, maar de kamer was wat netter en de openstaande ramen en het lichte briesje verminderden de stank.

‘Nu zal de majiere me vast geen andere willen geven,’ zei hij met een smal lachje. ‘Eén matras per dag is waarschijnlijk meer dan ze zal willen...’ Hij vermeed de twee vrouwen aan te kijken. ‘Het spijt me, ik wilde niet... Soms slaat het op hol. Soms is er niets wanneer ik het wil pakken en soms gebeuren er dingen die ik niet... Het spijt me. Misschien kunnen jullie maar beter gaan. Dat lijk ik vaak te zeggen.’ Weer werd hij rood en schraapte zijn keel. ik raak de Bron niet aan, maar misschien kunnen jullie beter vertrekken.’

‘We zijn nog niet klaar,’ zei Egwene zacht en vriendelijker dan ze zich voelde – ze wilde hem een draai om zijn oren geven. Om haar zo maar op te pakken en af te schermen – en Elayne ook – maar hij was overstuur. Waardoor wist ze niet en ze wilde het ook niet weten, niet nu, niet hier. Zoveel vrouwen hadden gezegd dat zij zo sterk waren – iedereen zei dat Elayne en zij de allersterkste Aes Sedai in misschien wel duizend jaar waren – en dus had ze aangenomen dat ze even sterk als hij waren. Minstens in zijn buurt kwamen. En zojuist was haar ongelijk ruw bewezen. Misschien benaderde Nynaeve het, als ze boos genoeg was, maar Egwene wist dat zij nooit zou klaarspelen wat hij net had gedaan: de stromen zo vaak splitsen, zoveel dingen tegelijk beheersen. Werken met twee stromen tegelijk was meer dan dubbel zo zwaar als werken met één zware stroom en werken met drie weer veel moeilijker dan het dubbele van met twee stromen. Hij moest er zeker een tiental hebben geweven en hij zag er niet eens moe uit, terwijl geleiden juist veel kracht kostte. Ze was bang dat hij haar en Elayne als kuikentjes kon afhandelen. Kuikentjes die hij meende te moeten verdrinken, als hij gek werd.

Maar ze ging niet, kon niet zomaar weglopen. Dat zou hetzelfde zijn als alles in de steek laten en dat lag niet in haar aard. Ze zouden doen waarvoor ze gekomen waren – alles – en hij zou hen niet zomaar kunnen wegsturen. Hij niet en iets anders ook niet. Elaynes blauwe ogen stonden scherp en vastberaden en op het moment dat Egwene zweeg, voegde ze er met een veel fermere stem aan toe: ‘En we gaan pas als we klaar zijn. Je hebt gezegd dat je het zou proberen. Je moet het proberen.’

‘Dat heb ik gezegd, hè?’ mompelde hij even later. ‘We kunnen er in ieder geval bij gaan zitten.

Zonder één blik op de verkoolde tafels of de strook metaaldoek die verkreukeld op het tapijt lag, liep hij licht hinkend naar stoelen met hoge ruggen bij de ramen. Ze moesten boeken van de roodzijden kussens weghalen om te kunnen zitten. Op Egwenes stoel lagen het twaalfde deel van De schatten van de Steen van Tyr, een stoffig in hout gebonden boek met de titel Reizen in de Aielwoestenij, met allerhande waarnemingen van de wilde inboorlingen en een dik, haveloos leren boek dat Verdragen met het land Mayene, 500 tot 750 van de Nieuwe Eeuw heette. Elaynes stapel was hoger en haastig zette Rhand die van haar op de boeken uit zijn stoel. Hij plaatste ze op de vloer, waar de stapel prompt omviel. Egwene zette die van haar er keurig naast. ‘Wat willen jullie nu dat ik doe?’ Hij zat op het randje van zijn stoel, de handen op de knieën, ik beloof jullie dat ik alleen zal doen wat jullie me zeggen.’