Hij had niets gezegd, maar Egwene wist zeker dat hij hen het liefst zo ver mogelijk van de Zwarte Ajah weg wilde houden. Ze was een tikkeltje verbaasd dat hij niet had geprobeerd om hen terug te sturen naar de Toren. Misschien had hij door dat Nynaeve en zij hem de wind van voren zouden geven als hij dat deed.
‘Dat doen we dan,’ zei ze vastberaden. ‘Maar niet meteen. Rhand...’ Het was hoog tijd om de tweede reden van hun komst te noemen, maar het was toch veel moeilijker dan ze gedacht had. Dit zou hem pijn doen, die droevige waakzame ogen overtuigden haar dat dat zo zou zijn. Maar het moest. Ze trok de sjaal wat strakker, zodat die nu helemaal om haar heen was geslagen. ‘Rhand, ik kan niet met je trouwen.’
‘Weet ik,’ zei hij.
Ze knipperde met haar ogen. Hij nam het niet zo zwaar op als ze had verwacht. Ze vertelde zichzelf dat dat goed was. ik wil je geen pijn doen, echt niet, maar ik wil niet met je trouwen.’ ik begrijp het, Egwene. Ik weet wat ik ben. Geen enkele vrouw zou...’
‘Wolkoppige stommeling!’ snauwde ze. ‘Dit heeft niets met jouw geleiden te maken. Ik hou niet van je! Tenminste, niet in de zin van trouwen en zo.’
Rhands mond viel open. ‘Hou... hou je niet van me?’ Hij klonk even verrast als hij keek. En verdrietig ook.
‘Probeer het alsjeblieft te begrijpen,’ zei ze kalmer en zachter. ‘Mensen veranderen, Rhand. Gevoelens veranderen. Wanneer mensen gescheiden zijn, groeien ze soms uit elkaar. Ik hou van je zoals ik van een broer zou houden, misschien wel meer, maar niet genoeg om te trouwen. Kun je dat begrijpen?’
Het lukte hem spijtig te grijnzen, ik ben echt een stommeling. Ik stond er eigenlijk niet bij stil dat jij ook zou veranderen. Egwene, ik wil óók niet met je trouwen. Ik wilde niet anders worden. Ik probeerde het ook niet, maar het is wel gebeurd. Als je eens wist hoeveel dit voor me betekent. Niet meer doen alsof. Niet meer bang hoeven te zijn dat ik je verdriet doe. Dat heb ik nooit gewild, Egwene. Ik heb je nooit verdriet willen doen.’
Bijna glimlachte ze. Hij deed zo dapper en het klonk nog overtuigend ook. ik ben blij dat je het zo goed opneemt,’ zei ze zachtjes, ik wilde je ook geen verdriet doen. En nu moet ik echt weg.’ Ze stond op, bukte zich, en drukte een vlugge kus op zijn wang. ‘Je zult vast wel een ander vinden.’
‘Natuurlijk,’ zei hij overeind komend. De leugen was duidelijk te horen.
‘Vast en zeker.’
Ze glipte tevreden naar buiten en terwijl ze zich door het voorvertrek haastte, liet ze saidar los en trok de sjaal van haar schouders. Het ding was afschuwelijk heet.
Hij was klaar om als een verlaten jong hondje te worden opgepikt door Elayne, als ze hem aanpakte op de manier die ze hadden besproken. Ze dacht dat Elayne prima met hem zou omgaan, nu en later. Zolang als het duurde. Er moest iets aan zijn beheersing worden gedaan. Ze was bereid toe te geven dat haar leraressen in de Toren gelijk hadden gehad – een geleidster kon een man niet leren geleiden; het verhaal van de vis en de vogel – maar dat betekende niet dat ze het opgaf. Er moest iets worden gedaan, dus moest er een oplossing worden gevonden. Die afschuwelijke wond en de krankzinnigheid waren problemen voor later, maar die zouden uiteindelijk ook worden opgelost. Hoe dan ook. Iedereen zei dat mannen uit Tweewater koppig waren, maar dan kenden ze de vrouwen uit Tweewater nog niet.
8
Harde koppen
Elayne wist niet zeker of Rhand besefte dat ze nog steeds in de kamer was, nu hij Egwene met een half verdwaasd gezicht stond na te staren. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij met zichzelf aan het ruziën was of zijn gedachten op een rijtje probeerde te krijgen. Ze stelde zich tevreden met af te wachten. Alles wat dit ogenblik langer maakte. Ze lette er terdege op dat ze uiterlijk kalm en rustig leek, haar rug recht en hoofd hoog, de handen gevouwen in haar schoot en met zo’n kalm gezicht dat ze met Moiraine kon wedijveren. Vlinders zo groot als egeltjes dwarrelden door haar buik.
Dat kwam niet omdat ze bang was dat hij ging geleiden. Ze had saidar losgelaten zodra Egwene opstond om weg te gaan. Ze wilde hem vertrouwen en ze moest wel. Het kwam door wat ze wilde bereiken, dat ze inwendig zat te rillen. Ze had de grootste moeite om niet aan haar halsketting te voelen of met de haarband met saffieren te spelen. Was haar reukwater niet te sterk? Nee. Egwene had gezegd dat hij van rozen hield. Haar borsten. Ze wilde haar gewaad wat optrekken, maar...
Hij draaide zich om – hij hinkte iets en haar lippen verstrakten zich nadenkend – zag haar in de stoel en schrok. Zijn ogen werden groter, het leek verdacht veel op paniek. Ze was blij dat te zien; de inspanning haar eigen gezicht strak en rustig te houden was wel tien keer zo groot geworden toen zijn ogen op haar vielen. Die ogen waren nu zo blauw als een nevelige ochtend.
Meteen vermande hij zich en maakte een overbodige buiging, terwijl hij zijn handen zenuwachtig aan zijn jas afwreef, ik wist niet dat je nog steeds...’ Hij werd vuurrood, zweeg en vergat dat haar aanwezigheid als belediging kon worden opgevat, ik bedoel... Ik wilde niet... eh... ik...’ Hij haalde diep adem en begon opnieuw. ‘Ik ben niet zo’n grote dwaas als ik klink, mijn vrouwe. Het gebeurt niet elke dag dat iemand je komt zeggen dat ze je niet liefheeft, mijn vrouwe.’ Ze gebruikte met opzet een spottende, strenge toon. ‘Als je het waagt me nog één keer zo te noemen, ga ik je Heer Draak noemen. En maak ik een diepe kniebuiging voor jou. Zelfs de koningin van Andor zou voor jou neerknielen en ik ben slechts de erfdochter.’
‘Licht! Doe dat alsjeblieft niet.’ Hij leek vreemd verontrust bij die gedachte. ‘Ik zal het niet doen, Rhand,’ zei ze nu wat ernstiger, ‘als je gewoon mijn naam gebruikt. Elayne. Zeg het.’
‘Elayne.’ Hij zei het wat onbeholpen maar verrukkelijk, alsof hij tegelijk de naam proefde.
‘Goed.’ Wat een waanzin zo blij te zijn. Hij had per slot van rekening alleen maar haar naam gezegd. Maar er was nog iets wat ze moest weten voor ze verder ging. ‘Deed het veel pijn?’ Dat kon op twee manieren worden uitgelegd, besefte ze. ‘Wat Egwene tegen je zei, bedoel ik.’
‘Nee. Ja. Iets. Ik weet het niet. Eerlijk is eerlijk, tenslotte.’ Zijn zuinige grijns nam iets van zijn behoedzaamheid weg. ‘Ik klink weer als een zot, nietwaar?’
‘Nee. Niet voor mij.’
‘Ik heb haar de volle waarheid gezegd, maar ik denk niet dat ze me geloofde. Ik neem aan dat ik het van haar ook niet wilde geloven. Niet echt. Als dat niet stom is, dan weet ik het niet meer.’
‘Als je nog een keer tegen me zegt dat je een dwaas bent, ga ik het nog geloven ook.’ Hij zal niet proberen haar vast te houden; daar hoef ik niets meer tegen te doen. Haar stem klonk kalm en ze zei het zo licht dat ze hem liet weten dat ze haar woorden niet echt meende. ‘Ik heb in Cairhien een keer de nar van een edelman gezien, een kerel met een gek gestreept jasje met belletjes dat hem te groot was. Jij zou er dwaas uitzien met die belletjes.’
‘Ik denk het ook,’ zei hij gemaakt zielig. ‘Ik zal eraan denken.’ Ditmaal was zijn langzame glimlach breder, waardoor zijn hele gezicht aan warmte won.
De vlinders spoorden haar tot spoed aan, maar ze gaf al haar aandacht aan het goed schikken van haar rok. Ze moest het langzaam en voorzichtig aanpakken. Als ik dat niet doe, zal hij denken dat ik gewoon een stomme meid ben. En hij zou groot gelijk hebben! De vlinders in haar buik leken een groep dronken trommelaars. ‘Wil je een bloem?’ vroeg hij opeens en ze knipperde verward met haar ogen.
‘Een bloem?’
‘Ja.’ Hij stapte naar zijn bed, schepte een handvol veren uit de gescheurde matras op en hield die haar voor. ‘Ik heb er gisteravond een voor de majiere gemaakt. Je zou hebben gedacht dat ik haar de Steen had aangeboden. Maar de jouwe wordt veel mooier,’ voegde hij er haastig aan toe. ‘Veel mooier, dat beloof ik je.’
‘Rhand, ik...’
‘Ik zal heel goed oppassen. Ik heb maar een druppeltje van de Kracht nodig. Een heel dun draadje, en ik zal heel goed oppassen.’ Vertrouwen. Ze moest hem vertrouwen. Ze merkte verbaasd dat ze dat inderdaad deed. ‘Dat zou ik leuk vinden, Rhand.’ Heel lang keek hij strak naar het donzige hoopje in zijn handen en langzaam verscheen er een frons op zijn gezicht. Opeens liet hij de veren vallen en veegde zijn handen af. ‘Bloemen,’ zei hij. ‘Dat is geen passend geschenk voor jou.’ Haar hart ging naar hem uit. Klaarblijkelijk had hij geprobeerd saidin te putten en was het hem niet gelukt. Hij verborg zijn teleurstelling door druk te doen, haastig naar de lap van zilver en goud te stappen en die over zijn armen te schikken. ‘Kijk, dit is een gepast geschenk voor de erfdochter van Andor. Je zou een naaister kunnen vragen er iets van te maken...’ Hij stuntelde door over alle mooie dingen die een naaister zou kunnen maken van een goud met zilveren lap van vier pas lang en minder dan twee voet breed. ‘Ik weet zeker dat een naaister van alles kan bedenken,’ zei ze tactvol. Ze trok een zakdoek uit haar mouw en knielde even neer om de gevallen veren in de lichtblauwe zijde te verzamelen. ‘Daar zullen de dienstmeisjes wel voor zorgen,’ zei hij toen ze het kleine pakje veilig in haar buideltje stak.