Altijd... de laatste twintig jaar na de Aiel-oorlog. Zij zaten zo vast in wat ze altijd hadden gedaan dat ze de eenvoudigste dingen niet meer zagen. Niet meer wilden zien. Als rond Emondsveld de kolen groeiden als... kool, kon je er bijna zeker van zijn dat harde slagregens of de witworm in Devenrit of Wachtheuvel hadden toegeslagen. Wanneer Wachtheuvel te veel pastinaken had, dan was er een tekort in Emondsveld of Devenrit.
‘Bied het Illian aan,’ vertelde hij. Wat verwachtte Elayne? ‘Of Altara.’ Hij mocht haar graag, maar hij mocht Min evenzeer. Dat dacht hij tenminste. Hij kon zijn gevoelens voor die twee onmogelijk scheiden. ‘Jullie hebben zeeschepen én rivierboten én schuiten, en als jullie er niet genoeg hebben, huur ze dan van Mayene.’ Hij vond allebei de vrouwen heel lief, maar verder... Hij had bijna zijn hele leven van Egwene gedroomd en hij was niet van plan nieuwe dromen te koesteren totdat hij zeker was. Zeker van iets. Zeker. Als je Verdragen met het land Mayene mocht geloven... Hou op! vermaande hij zich. Hou je aandacht bij deze wezels, anders glippen ze door de kleinste kiertjes en bijten ze me tegelijk in mijn benen. ‘Betaal met graan. Ik ben er zeker van dat de Eerste zich inschikkelijk zal opstellen, mits de prijs goed is. En misschien een getekende overeenkomst, een verdrag...’ Dat was een goed woord, het soort woorden dat zij gebruikten. ‘... met de belofte Mayene niet lastig te vallen als betaling voor hun schepen.’ Dat was hij haar wel verschuldigd.
‘We doen weinig handel met Illian, mijn Heer Draak. Het zijn aasgieren, tuig.’ Tedosian klonk alsof hij het een schande vond, net als Meilan, die opmerkte: ‘We zijn altijd vanuit onze kracht met Mayene omgegaan, mijn Heer Draak. We hebben nog nooit onze knie gebogen.’ Rhand haalde diep adem. De hoogheren verstrakten. Het liep altijd hierop uit. Hij probeerde steeds redelijk met ze te praten en het ging altijd mis. Thom zei dat de hoogheren koppen hadden die even hard waren als de Steen, en hij had gelijk. Wat voel ik voor haar? Die dromen over haar. Ze is wel knap. Hij wist niet zeker of hij Elayne of Min bedoelde. Hou op! Een kus betekent niet meer dan een kus. Hou op! Terwijl hij de vrouwen ferm uit zijn gedachten bande, maakte hij zich op om deze muilezelkoppige dwazen te zeggen wat ze moesten doen. ‘Ten eerste, jullie verlagen de belastingen voor de boeren met driekwart en die van de anderen met de helft. Spreek me niet tegen! Doe het gewoon. Ten tweede, jullie gaan naar Berelain en vragen... vragen haar de kosten van het huren...’
De hoogheren luisterden met valse glimlachjes en knarsende tanden, maar ze luisterden.
Egwene liep over Joiya en Amico na te denken toen Mart opeens naast haar opdook en met haar opliep alsof hij toevallig dezelfde kant op moest. Hij liep in gedachten en zijn haar moest nodig gekamd worden, alsof hij er met zijn vingers door gestreken had. Een paar keer wierp hij een blik opzij, maar hij zei niets. De dienaren die voorbijkwamen, maakten een buiging of een kleine révérence, net als zo nu en dan een hoogheer of hoogvrouwe, al deden die het met aanmerkelijk minder enthousiasme. Marts minachtende blikken naar de adel zouden problemen hebben veroorzaakt als zij er niet was geweest, of hij nu een vriend van de Drakenheer was of niet. Zijn zwijgen was helemaal niets voor hem, zo kende ze Mart absoluut niet. Afgezien van zijn mooie rode jas – gekreukeld alsof hij erin had geslapen – leek hij niet anders dan de Mart van vroeger, maar ze moesten alle vijf wel veranderd zijn. Zijn stilte verontrustte haar. ‘Loop je over gisteravond te piekeren?’ vroeg ze ten slotte. Hij verstapte zich even. ‘Weet je ervan? Nou ja, dat zal ook wel. Ik heb er geen last van. Het stelde weinig voor. Het is voorbij en af in ieder geval.’
Ze deed net of ze hem geloofde. ‘Nynaeve en ik hebben je de laatste tijd weinig gezien.’ Dat was behoorlijk zacht uitgedrukt, ik heb het druk gehad,’ mompelde hij met een ongemakkelijk schouderophalen, terwijl zijn ogen alles opnamen maar haar niet aankeken. ‘Met dobbelen?’ vroeg ze minachtend.
‘Kaarten.’ Een gezette dienstmeid die met haar armen vol opgevouwen handdoeken een révérence maakte, wierp een blik op Egwene en dacht blijkbaar dat ze niet keek, waarna ze Mart een knipoogje gaf. Hij wierp haar een grijns toe. ik heb het druk gehad met kaarten.’ Egwene trok haar wenkbrauwen hoog op. Die vrouw moest minstens tien jaar ouder zijn dan Nynaeve. ik begrijp het. Dat moet je dus veel tijd kosten. Kaartspelen. Te veel tijd om nog wat over te hebben voor een paar vrienden en vriendinnen.’
‘De laatste keer dat ik tijd voor jullie over had, bonden jij en Nynaeve mij met de Kracht vast als een varken voor de markt, zodat jullie mijn kamer konden doorzoeken. Vrienden stelen niet van vrienden.’
Hij grijnsde. ‘Bovendien ben je altijd bij die Elayne, die met haar neus in de lucht rondstapt. Of bij Moiraine. Ik hou niet van...’ Hij schraapte zijn keel en keek haar van opzij aan. ik wil je niet ophouden. Ik hoor dat je het druk hebt. Duistervrienden ondervragen. Allerlei belangrijke dingen doen, stel ik me zo voor. Je weet dat die Tyreners denken dat je een Aes Sedai bent, hè?’
Ze schudde verdrietig het hoofd. Hij hield niet van Aes Sedai. Hoeveel hij ook van de wereld zag, niets zou hem ooit veranderen. ‘Het is geen stelen als je terugneemt wat je geleend hebt,’ zei ze. ‘Ik kan me niet herinneren dat je het ooit over lenen hebt gehad. Ach, wat heb ik ook aan een brief van de Amyrlin? Bezorgt me alleen maar problemen. Maar je had er gewoon om kunnen vragen.’ Ze slikte maar in dat ze het gevraagd hadden. Ze wilde geen ruzie en ook geen mokkend afscheid. Zo zou hij het natuurlijk niet noemen. Ditmaal mocht hij zijn opvattingen houden. ‘Nou, ik ben blij dat je nog met me wilt praten. Was er vandaag een bijzondere reden voor?’ Hij haalde zijn vingers door zijn haren en mompelde wat in zichzelf. Wat hij nodig had, was zijn moeder die hem aan z’n oor mee zou trekken voor een stevige uitbrander. Egwene maande zich kalm te blijven. Ze kon geduldig blijven als ze wilde. Tot hij zelf begon, zou ze niets meer zeggen, al zou ze ploffen.
De gang kwam uit op een zuilengalerij van wit marmer met een balustrade die uitzag op een van de weinige tuinen in de Steen. Aan enkele vetplantstruikjes groeiden grote witte bloemen die een nog zoetere geur verspreidden dan de perken rode en gele rozen. Een onverwacht briesje slaagde er niet in de hangplanten aan de binnenmuur in beweging te brengen, maar verfriste wel de toenemende vochtige ochtendhitte. Mart ging met een opgetrokken been op de brede balustrade zitten, met zijn rug tegen een pilaar. Terwijl hij de tuin inkeek, zei hij eindelijk: ‘Ik... ik heb raad nodig.’
Hij wilde raad, van haar? Ze keek hem met grote ogen aan. ‘Als ik iets kan doen,’ zei ze zwakjes. Hij draaide zijn hoofd naar haar toe en ze deed haar best er even kalm uit te zien als een Aes Sedai. ‘Waar wil je raad over?’
‘Weet ik niet.’
De tuin lag tien pas lager. Bovendien waren daarbeneden mannen aan het wieden tussen de rozen. Als ze hem een duw gaf, kon hij op een ervan terechtkomen. Op een tuinman, niet op een rozenstruik. ‘Hoe word ik dan verondersteld jou raad te geven?’ vroeg ze met geknepen stem.