‘Ik ben... probeer een besluit te nemen.’ Hij keek verlegen en dat mocht ook wel volgens haar.
‘Ik hoop niet dat je erover denkt weg te gaan. Je weet hoe belangrijk je bent. Je kunt er niet voor weglopen, Mart.’
‘Denk je dat ik dat niet weet? Ik geloof niet eens dat ik weg kan, zelfs niet als Moiraine zegt dat het mag. Geloof me, Egwene, ik ga nergens heen. Ik wil alleen weten wat er gaat gebeuren.’ Hij schudde even ruw zijn hoofd en zijn stem klonk nog strakker. ‘Wat gebeurt er hierna? Wat zit er in die gaten in mijn geheugen? Ik mis stukken van mijn leven; ze bestaan niet, alsof ze nooit zijn gebeurd! Waarom merk ik telkens dat ik sta te brabbelen? De mensen zeggen dat het de Oude Spraak is, maar voor mij is het ganzenkwaak. Ik wil het weten, Egwene. Ik moet het weten of ik word net zo gek als Rhand.’
‘Rhand is niet gek,’ zei ze zonder verder na te denken. Dus Mart probeerde er niet vandoor te gaan. Dat was een aangename verrassing; ze had bij hem altijd de indruk dat hij zijn verantwoordelijkheden probeerde te ontlopen. Maar in zijn stem klonken pijn en bezorgdheid door. Mart maakte zich nooit zorgen, of liet het anderen nooit merken. ‘Ik kan je geen antwoord geven, Mart,’ zei ze zachtjes. ‘Misschien dat Moiraine...’
‘Néé!’ Met een sprong stond hij naast de balustrade. ‘Geen Aes Sedai! Ik bedoel... Jij bent anders. Ik ken je en jij bent geen... Hebben ze jou in de Toren niet iets geleerd, een of ander handigheidje, iets wat kan helpen?’
‘Nee, Mart, het spijt me. Het spijt me echt.’
Zijn lach herinnerde haar aan hun kindertijd. Op die manier had hij altijd gelachen wanneer zijn grootse verwachtingen op niets waren uitgelopen. ‘Ach, nou ja, het doet er ook niet toe. Het zou nog steeds iets van de Toren zijn, zij het dan niet rechtstreeks. Ik wil je niet beledigen.’ Op dezelfde manier had hij lopen klagen over een splinter in zijn vinger en zich bij een gebroken been grootgehouden alsof er niets was gebeurd.
‘Er is misschien een manier,’ zei ze langzaam. ‘Als Moiraine tenminste zegt dat het goed is. Misschien doet ze dat wel.’
‘Moiraine! Heb je niet naar me geluisterd? Het laatste wat ik wil, is dat Moiraine zich ermee bemoeit. Welke manier?’
Mart stortte zich overal halsoverkop in. Maar bij wilde alles weten, net als zij. Was hij maar eens wat verstandiger en voorzichtiger. Een Tyreense edelvrouwe kwam voorbij, met donkere vlechten rond haar hoofd gerold en blote schouders boven geel linnen. Ze maakte een lichte kniebuiging, keek hen uitdrukkingsloos aan en liep met een strakke rug snel door. Egwene keek haar na, tot de vrouw buiten gehoorafstand was en zij weer met Mart alleen was, tenzij ze de tuinlieden zo’n tien pas beneden haar meetelde. Mart staarde haar vol verwachting aan.
Uiteindelijk vertelde ze hem over de ter’angreaal, de vreemd gedraaide poort die aan de andere kant antwoorden bood. Ze benadrukte de gevaren, de gevolgen van domme vragen en vragen over de Schaduw, en de gevaren die zelfs de Aes Sedai niet kenden. Ze voelde zich bijzonder gevleid dat hij juist haar had aangesproken, maar hij moest zich verstandiger leren gedragen. ‘Denk eraan, Mart. Onbenullige vragen kunnen je doden, dus als je het gaat proberen, zul je voor de verandering eens ernstig moeten zijn. En je mag geen enkele vraag stellen die met de Schaduw te maken heeft.’
Hij had staan luisteren en was steeds ongeloviger gaan kijken. Toen ze was uitgesproken, riep hij uit: ‘Drie vragen? Je gaat erin als Bili, neem ik aan, blijft een nachtje weg en komt er tien jaar later uit met een beurs die altijd vol goud zit en een...’
‘Nu moet je eens goed naar me luisteren, Mart Cauton,’ snauwde ze. ‘Gedraag je nou eens één keer in je leven niet als een zot. Je weet heel goed dat ter’angrealen geen verhaaltjes zijn. Je moet goed beseffen dat er gevaren aan zijn verbonden. Misschien vind je jouw antwoorden daarbinnen, maar je mag het niet proberen voor Moiraine zegt dat het mag. Beloof me dat of ik beloof jou dat ik je als een zalm aan de hengel naar haar meeneem. Je weet dat ik dat kan.’ Hij snoof luid. ik zou wel een grote dwaas zijn als ik dat ging proberen, wat Moiraine ook zegt. Zo’n vervloekte ter’angreaal binnenstappen? Ik wil minder met die vervloekte Kracht te maken krijgen, niet meer. Je kunt je voorstel mooi vergeten.’
‘Het is volgens mij de enige kans, Mart.’
‘Nee, niet voor mij, zeker niet,’ zei hij vastberaden. ‘Geen kans is beter dan zoiets.’
Ondanks zijn toon wilde ze haar arm om hem heenslaan. Maar dan zou hij weer een grapje met haar uithalen en haar aan het schrikken willen maken. Die jongen was onverbeterlijk, vanaf zijn geboorte al. Maar hij had haar hulp ingeroepen. ‘Het spijt me, Mart. Wat ga je doen?’
‘Ach, kaarten, denk ik. Als er iemand met me wil spelen. Steen spelen met Thom. Dobbelen in de taveernes. Ik kan in ieder geval de stad nog in.’ Zijn blik dwaalde naar een langskomend dienstmeisje, een slank meisje met donkere ogen, bijna van zijn eigen leeftijd, ik vind wel wat om de dagen door te komen.’
Haar hand jeukte om hem een klap te verkopen, maar in plaats daarvan vroeg ze behoedzaam: ‘Mart, je denkt toch niet echt aan vertrekken, hè?’
‘Zou je het tegen Moiraine zeggen, als ik dat deed?’ Hij stak zijn handen op om haar voor te zijn. ‘Nou ja, dat hoef je niet. Ik heb je al gezegd dat ik niet wegga. Ik beweer niet dat ik het niet wil, maar ik ga niet. Is dat goed genoeg voor je?’ Een nadenkende frons kroop over zijn gezicht. ‘Egwene, wens jij weieens naar huis terug te gaan? Dat dit alles nooit was gebeurd?’
Een verrassende vraag, vooral van hem, maar ze wist het antwoord al. ‘Nee. Ondanks alles, nee. Jij wel?’
‘Dan zou ik echt een dwaas zijn, denk je niet?’ lachte hij. ik hou van steden en het is in Tyr best uit te houden. Egwene, je vertelt niks aan Moiraine, hè? Over mijn vraag om raad en zo?’
‘Waarom zou ik?’ vroeg ze achterdochtig. Hij was Mart, per slot van rekening.
Hij schokschouderde verlegen. ‘Ik heb gezorgd dat ik zo ver mogelijk van haar vandaan bleef, zo ver als... Nou ja, ik ben uit haar buurt gebleven, vooral wanneer ze in mijn hoofd wil rommelen. Ze zou misschien denken dat ik het opgeef. Je vertelt haar niets, hè?’
‘Dat zal ik niet doen,’ zei ze. ‘Als jij me belooft dat je niet in de buurt van die ter’angreaal komt zonder eerst om toestemming te vragen. Anders zou ik je er niet eens iets over hebben verteld.’ ik beloof het.’ Hij grinnikte. ‘Ik kom niet in de buurt van dat ding, tenzij mijn leven ervan afhangt. Ik zweer het.’ De laatste woorden kwamen plechtig spottend.
Egwene schudde het hoofd. Wat er ook veranderde, Mart nooit.
9
Beslissingen
Drie dagen gingen voorbij, dagen waarin de vochtige hitte zelfs de kracht van de Tyreners leek weg te zuigen. De stad vertraagde tot een trage pas, de Steen tot een slakkengang. Bedienden werkten bijna slapend, de majiere trok vol bedwongen ergernis aan haar pijpenkrullen, maar zelfs zij kon de kracht niet opbrengen om op knokkels te tikken of met haar vingers te knippen. Verdedigers van de Steen stonden als half gesmolten kaarsen op hun post en de kapiteins hadden meer belangstelling voor hun gekoelde wijn dan voor hun wachtronden. De hoogheren bleven voor het merendeel in hun vertrekken en sliepen tijdens de heetste uren van de dag. Enkelen verlieten de Steen helemaal en gaven de voorkeur aan hun betrekkelijk koele landgoederen in het oosten, op de berghellingen van de Rug van de Wereld. Vreemd genoeg handelden juist de vreemdelingen die het meest last van de hitte hadden, hun zaken het vlijtigst af. Voor hen was de drukkende hitte toch minder belangrijk dan de voorbijvliegende dagen. Mart ontdekte al snel dat hij gelijk kreeg met de jonge heren die hadden gezien hoe de kaarten hem probeerden te doden. Ze ontweken hem niet alleen, ze verspreidden ook verwarde geruchten onder hun vrienden. Degenen die in de Steen nog een munt wilden inzetten, mompelden vlug een verontschuldiging voor ze wegschoten. De geruchten bereikten ook anderen. Meerdere dienstmeisjes die best van een vrijpartijtje hadden gehouden, meden hem opeens, en twee zeiden verlegen dat ze hadden gehoord dat het gevaarlijk was met hem alleen te zijn. Perijn leek zich geheel aan zijn eigen zorgen te wijden en Thom leek als bij toverslag te zijn verdwenen. Mart had geen enkel idee waar de speelman mee bezig was, maar hij was zelden te vinden. De enige die hij liever kwijt dan rijk was, Moiraine, leek daarentegen overal te zijn waar hij opdook. Ze kwam of net voorbij of ze liep verderop een gang door, maar iedere keer kruisten hun blikken elkaar, en zij keek alsof ze precies wist wat hij dacht en wilde. Ze leek ook precies te weten hoe ze hem haar zin kon laten doen. In een opzicht maakte het weinig verschil; het lukte hem steeds smoesjes te vinden om zijn vertrek weer een dag uit te stellen. Volgens hem had hij Egwene niet belóófd te zullen blijven. Hij deed het echter wel. Op een dag was hij met een lamp heel diep in de Steen afgedaald, naar die zogenaamde Grote Borg, tot aan de vermolmde deur aan het eind van een smalle gang. Hij had een korte tijd naar binnen gekeken, naar de schaduwen van vage vormen onder stoffig zeildoek, slordig opgestapelde kratten en vaten, waarvan de platte bovenkant weer gebruikt was als planken voor een wirwar van beeldjes en houtsnijwerk en merkwaardige dingen van kristal, glas en metaal. Maar toen had hij gemaakt dat hij wegkwam, mompelend: ‘Ik zou toch wel de grootste bloedsufferd van de hele bloedwereld zijn.’