Niemand hield hem echter tegen wanneer hij de stad inging. Hij liep geen enkel gevaar om Moiraine tegen te komen in de taveernes van de Maule, de havenwijk, of in de Chalm, waar de pakhuizen stonden. De herbergen daar waren slecht verlicht, tjokvol, vaak smerige ruimtes met goedkope wijn, slecht bier, zo nu en dan een gevecht en eindeloze dobbelspelletjes. De inzetten daarbij waren laag, vergeleken met die waaraan hij gewend was geraakt, maar dat was niet de reden waarom hij na enkele uren altijd weer naar de Steen terugkeerde. Hij dacht er liever niet over na waardoor hij steeds weer naar Rhand werd teruggetrokken.
Perijn zag Mart soms in de taveernes aan de kaden, waar hij te veel goedkope wijn dronk, dobbelde alsof hij er niet om gaf of hij won of verloor en zelfs een keer zijn mes liet flitsen toen een stevige scheepsmaat al te lang doorzeurde dat hij zo verschrikkelijk vaak won. Mart was eigenlijk nooit snel boos, maar Perijn meed hem en wilde niet weten wat hem bedrukte. Perijn was niet in de stad voor de wijn of het dobbelen, en vechtersbazen veranderden van mening als ze zijn schouders eens goed hadden opgenomen – en zijn ogen. Hij gaf echter wel rondjes slecht bier weg aan zeelieden in wijde leren broeken en aan onderkooplui die dunne zilveren kettingen op de voorkant van hun jas hadden hangen; eigenlijk aan iedereen die uit een ver land leek te komen. Hij zocht naar geruchten, naar een of ander bericht waardoor Faile uit Tyr zou wegtrekken. Uit zijn buurt.
Hij was er zeker van dat als hij een avontuur voor haar kon vinden, iets wat haar de kans bood haar naam in de verhalen te krijgen, ze weg zou gaan. Ze deed net of ze begreep waarom hij moest blijven, maar zo nu en dan duidde ze verholen aan dat ze weg wilde en dat ze hoopte dat hij mee zou gaan. Hij wist zeker dat hij haar met het juiste lokaas zonder hem weg zou kunnen krijgen.
De meeste geruchten zou ze, net als hij, meteen herkennen als een achterhaalde onwaarheid. De oorlog bij de Arythische Oceaan was volgens zegslieden te wijten aan een volk waarvan nooit iemand eerder gehoord had. Een volk dat de Seensjanen of zoiets heette – hij hoorde vele varianten van vele vertellers – lieden misschien van het leger van Artur Haviksvleugel, die na duizend jaar waren teruggekeerd. Er was een kerel, een Taraboner met een ronde rode hoed en een snor die zo dik was als de hoorn van een stier, die hem plechtig verzekerde dat Haviksvleugel zelf dit volk leidde met zijn even legendarische zwaard Gerechtigheid in de hand. Er gingen geruchten dat de befaamde Hoorn van Valere, die de dode helden voor de Laatste Slag zou oproepen, gevonden was. In Geldan waren in het hele land relletjes gaande; Illian leed aan uitbarstingen van volkswaanzin; in Cairhien hield de hongersnood het moorden nog enigszins tegen; in de Grenslanden kwamen steeds vaker invallen van Trolloks voor. Perijn kon Faile niet naar een van die plaatsen sturen, zelfs niet om haar uit Tyr weg te krijgen. De berichten over problemen in Saldea leken veelbelovend – haar eigen geboorteland moest haar toch trekken en hij had gehoord dat Mazrim Taim, de valse Draak, veilig in handen was van de Aes Sedai, maar niemand wist wat voor problemen er heersten. Iets verzinnen zou niet helpen. Wat hij ook vond, ze zou zeker haar eigen vragen stellen voor ze ergens achteraan joeg. Bovendien kon elke onrust in Saldea even erg zijn als de andere dingen die hij had opgevangen. Hij kon haar ook niet vertellen waar hij zijn tijd doorbracht, omdat ze dan onvermijdelijk zou vragen waarom hij dat deed. Hij was geen Mart, die het leuk vond om in taveernes rond te hangen. Hij had nooit goed kunnen liegen, dus wimpelde hij haar zo goed mogelijk af en keek ze hem steeds langer van opzij aan. Zo snel mogelijk een verhaal vinden dat haar weg zou lokken, was voor hem het enige dat erop zat. Hij moest haar uit zijn buurt krijgen voor zij door hem de dood vond. Hij moest wel.
Egwene en Nynaeve besteedden nog meer tijd aan Joiya en Amico, maar het was zinloos. Ze hielden vast aan hun verhalen. Ondanks Nynaeves protesten probeerde Egwene zelfs de verhalen van de een op de andere Zwarte zuster uit, om te zien of ze iets kon loswrikken. Amico staarde hen aan en jankte dat ze nog nooit van zo’n plan had gehoord. Maar het kon waar zijn, voegde ze eraan toe. Het was mogelijk. Ze zweette ervan, zo gretig wilde ze hen van dienst zijn. Joiya vertelde hun koeltjes dat ze naar Tanchico moesten als ze dat wilden. ‘Het is een onprettige stad, heb ik gehoord,’ zei ze gladjes met haar glinsterende ravenogen. ‘De koning beheerst zijn eigen stad amper en ik heb begrepen dat de panarch de orde niet langer handhaaft. Tanchico wordt geregeerd door sterke armen en snelle messen. Maar als je zoiets leuk vindt, ga je toch.’
Van Tar Valon hoorden ze niets. Er kwam geen enkel bericht dat de Amyrlin iets ondernam tegen het gerucht dat Mazrim Taim bevrijd zou worden. Nadat Moiraine duiven had gestuurd – als ze dat inderdaad had gedaan – Had met een snelle boot of met een man die telkens van paard ruilde, allang een boodschap uit het noorden kunnen komen. Egwene en Nynaeve maakten er ruzie over. Nynaeve gaf toe dat een Aes Sedai niet kon liegen, maar ze probeerde te ontdekken of Moiraine iets dubbelzinnigs had gezegd. Moiraine zelf leek zich niet te bekommeren over het uitblijven van een antwoord, hoewel dat moeilijk viel te zeggen met haar kristalharde kalmte.
Egwene zat er echter over te peinzen, net als over de vraag of Tanchico een vals of een echt spoor was, of een valstrik. In de librije van de Steen stonden boeken over Tarabon en Tanchico, maar hoewel ze las tot haar ogen pijn deden, vond ze geen enkele aanwijzing dat daar iets gevaarlijks voor Rhand kon bestaan. De hitte en haar zorgen maakten haar humeur er niet beter op en ze snauwde soms even erg als Nynaeve.
Natuurlijk gingen sommige dingen wel goed. Mart was nog steeds in de Steen. Hij werd echt meer volwassen en leerde wat verantwoordelijkheid inhield. Ze betreurde het dat ze hem niet kon helpen, maar ze betwijfelde of een andere vrouw uit de Toren meer had kunnen doen. Ze begreep zijn honger naar kennis, omdat ze even hongerig was, zij het dan naar andere kennis, naar zaken die ze alleen in de Toren kon leren. Naar zaken die niemand eerder had ontdekt, naar verloren kennis die ze wellicht kon leren.
Aviendha begon steeds vaker uit eigen beweging langs te komen. Misschien was ze in het begin nog behoedzaam, maar ze was nu eenmaal Aiels en dacht dat Egwene een volleerde Aes Sedai was. Maar Egwene genoot van haar gezelschap, hoewel ze soms stille vragen in haar ogen meende te lezen. Al bleef Aviendha wat afstandelijk, het werd al snel duidelijk dat ze een scherp verstand had en hetzelfde gevoel voor humor had als Egwene. Ze zaten soms echt als kleine meisjes te giechelen. De manieren van de Aiel waren totaal anders dan die waaraan Egwene gewend was. Aviendha vond een stoel helemaal niet gemakkelijk, of die keer bijvoorbeeld dat Egwene in bad lag. Aviendha was diep geschokt toen ze Egwene aantrof in een met zilver beslagen badkuip die de majiere had laten brengen. Ze was niet geschokt dat Egwene bloot in het bad zat – in feite trok ze haar eigen kleren uit toen ze zag dat Egwene het niet prettig vond, en ging op de vloer met haar zitten praten – maar doordat Egwene zo diep in het water zat. Zoveel water vuilmaken vond Aviendha zo gek dat haar ogen bijna uit haar hoofd rolden. Iets anders was het onbegrip bij Aviendha waarom Egwene en Elayne niet doortastender hadden ingegrepen bij Berelain, als ze die vrouw weg wilden hebben. Het was een krijger absoluut niet toegestaan een vrouw te doden die niet met de speer was gehuwd, maar omdat geen van drieën een Speervrouwe was, vond Aviendha het volmaakt in orde als Elayne de Eerste van Mayene uitdaagde voor een gevecht op het mes. En als ze geen mes had, dan op de blote vuist, maar messen waren volgens Aviendha het beste. Berelain zag eruit als een vrouw die je vele malen neersloeg, maar het toch nooit opgaf. Het was het beste haar gewoon uit te dagen en te doden. Of anders kon Egwene het doen, zowel als vriendin als als bijna-zuster. Maar ondanks dat alles was het fijn iemand te hebben met wie je kon praten en lachen. Elaynes aandacht was de meeste tijd natuurlijk op iets anders gericht, en Nynaeve, die net als Egwene besefte dat de tijd snel verstreek, besteedde elk vrij moment aan wandelingetjes in het maanlicht achter de kantelen met Lan. Bovendien wilde ze met eigen handen het eten klaarmaken waar de zwaardhand van hield, waarvoor ze soms vloekend iedereen uit de keuken verjoeg; Nynaeve wist niet zoveel van koken. Als Aviendha er niet was geweest, had Egwene eigenlijk niet geweten wat ze in die benauwd warme uren tussen het verhoren van de Duistervrienden had moeten doen. Ongetwijfeld zweten en zich zorgen maken over wat ze misschien moest doen aan wat er in haar nachtmerries opdook.