Выбрать главу

‘Jij bent Lews Therin Telamon. O, uiterlijk is er behalve je lengte niets hetzelfde, maar diep in je ogen herken ik je, zelfs als je een klein kind in de wieg zou zijn.’ Opeens lachte ze. ‘Wat zou het niet veel gemakkelijker zijn geweest als ik je toen had gevonden. Als ik vrij was geweest om...’ Haar lach sloeg om in een boze blik. ‘Wil je zien hoe ik er echt uitzie? Dat weet je ook niet meer, of wel?’ Hij probeerde nee te zeggen, maar zijn tong werkte niet mee. Ruim een jaar geleden had hij twee Verzakers tegelijk gezien, Aginor en Balthamel, de eerste twee die los waren gekomen, nadat ze drieduizend jaar gevangen hadden gezeten vlak achter de verzegeling op de kerker van de Duistere. De een leefde nog, maar was onvoorstelbaar zwaar verwond; de ander had zijn gezicht achter een leren masker verborgen, had iedere duim van zijn vlees verborgen gehouden alsof hij er zelf niet tegen kon dat hij of een ander dit zag.

De lucht rond Lanfir rimpelde en ze veranderde. Ze was... ouder dan hij, zeker, maar ouder was niet het juist woord. Meer volwassen. Rijper. Knapper nog zelfs, als dat mogelijk was. Een weelderige bloesem in volle bloei vergeleken met een knop. Hij wist wie ze was, maar voelde toch hoe droog zijn mond voelde en hoe zijn keel zich dichtkneep. Haar donkere ogen namen hem onderzoekend op, vol zelfvertrouwen, maar toch met iets vragends, alsof ze zich afvroeg wat hij zag. Wat ze ook opving, het leek haar tevreden te stellen. Ze glimlachte opnieuw, ik lag diep begraven, in een droomloze slaap waar de tijd niet voorbijging. Het wentelen van het Rad ging aan mij voorbij. Nu zie je mij zoals ik ben en ik heb je in mijn handen.’ Ze liet haar vingernagel zo scherp langs zijn kaak glijden dat hij ineenkromp. ‘De tijd voor spelletjes en lege woorden is voorbij, Lews Therin. Sinds lang voorbij.’ Zijn maag kneep zich samen. ‘Dus je bent van plan me te doden? Het Licht brande je, ik...’

‘Jou doden?’ spoog ze ongelovig. ‘Jou doden! Ik wil je houden, voor eeuwig. Jij was al de mijne, lang voor die stroharige huilebalk jou stal. Nog voor ze jou ooit gezien had. Je hield van mij!’

‘En jij hield van macht!’ Heel even voelde hij zich duizelig. De woorden hadden een klank van waarheid – hij wist dat ze waar waren – maar hoe was hij erop gekomen?

Selene – Lanfir – leek even geschokt als hij, maar ze herstelde zich snel. ‘Je hebt al veel geleerd; je hebt al veel gedaan waarvan ik dacht dat je het zonder hulp niet zou kunnen – maar nog steeds dwaal je in een duistere doolhof rond en kan je onwetendheid je doden. Sommige Uitverkorenen vrezen jou zo dat ze niet langer willen wachten. Sammael, Rahvin, Moghedien. Anderen misschien ook, maar zij zeker. Zij zullen niet proberen je te bekeren. Ze zullen je besluipen en je in je slaap vernietigen. Vanwege hun angst. Sommigen zouden je iets kunnen leren en je tonen wat je ooit wist. Niemand zou zich dan nog tegen je willen verzetten.’

‘Mij iets leren? Jij wilt dat een Verzaker mij iets leert?’ Een van de Verzakers. Een man. Een man die een Aes Sedai was geweest in de Eeuw der Legenden, die wist hoe je moest geleiden, wist hoe je de valkuilen kon ontwijken, wist... Ditzelfde was hem al eens eerder aangeboden. ‘Nee! Zelfs als ze het me op een dienblaadje aanboden, zou ik weigeren, en waarom zouden ze? Ik ben hun tegenstander – en jouw tegenstander! Ik verafschuw alles wat je hebt gedaan, alles waar jullie voor staan.’ Dwaas! dacht hij. Ik sta hier gevangen en babbel over verzet, als een zot uit een verhaal die er nooit aan denkt dat hij zijn tegenstander zo kwaad maakt dat die er iets aan gaat doen. Maar hij kon zichzelf er niet toe brengen zijn woorden in te slikken. Koppig ploeterde hij verder, maakte hij het nog erger, ik ga jullie vernietigen, als ik dat kan. Jou, en de Duistere en iedere andere Verzaker!’ Een gevaarlijk vlammetje flitste in haar ogen op en was weer verdwenen. ‘Weet jij waarom sommigen van ons bang voor je zijn? Heb je enig idee? Omdat ze vrezen dat de Grote Heer van het Duister jou boven hen zal aanstellen.’

Rhand stond er zelf verbaasd van dat het hem lukte te lachen. ‘Grote Heer van het Duister? Kun jij zijn echte naam ook al niet zeggen? Jij bent toch zeker niet bang zijn aandacht te trekken, zoals goede mensen? Of ben je dat wel?’

‘Dat zou lasterlijk zijn,’ zei ze simpel. ‘Ze zijn terecht bang, Sammael en de anderen. De Grote Heer wil jou. Hij wil jou boven alle andere mensen verheffen. Dat heeft hij me zelf gezegd.’

‘Dat is belachelijk! De Duistere is nog steeds gebonden in Shayol Ghul, anders zou ik op dit moment in Tarmon Gai’don strijden. En als hij al weet van mijn bestaan, dan wil hij me dood hebben. Ik ben van plan hem te bestrijden.’

‘O, hij weet het. De Grote Heer weet meer dan je denkt. Het is mogelijk met hem te praten. Ga naar Shayol Ghul, ga de Doemkrocht in, en dan kun je hem... horen. Je kunt je... baden in zijn aanwezigheid.’ Haar gezicht straalde nu op een andere manier. Opwinding. Ze ademde zwaar door haar halfgeopende lippen, en heel even leek ze in de verte naar iets prachtigs te staren. ‘Hij is met geen enkel woord te beschrijven. Je moet het zelf ervaren om het te weten. Dat moet je.’ Ze keek hem recht aan, met grote, donkere en overredende ogen. ‘Kniel voor de Grote Heer en hij stelt je boven alle anderen. Hij zal je vrij laten om naar eigen goeddunken te heersen, nadat je voor hem bent neergeknield. Om hem te erkennen. Dat is alles. Dat heeft hij me gezegd. Asmodean zal je leren de Kracht te beheersen, zodat die je niet vernietigt, zal je leren wat je ermee kunt doen. Laat mij je helpen. We kunnen de anderen vernietigen. Dat maakte de Grote Heer niets uit.

We kunnen ze allemaal vernietigen, zelfs Asmodean, nadat hij jou het nodige heeft bijgebracht. Jij en ik samen kunnen de wereld regeren, onder de Grote Heer, voor altijd.’ Haar stem werd zachter, een gefluister dat zowel gretig als bevreesd klonk. ‘Vlak voor het einde werden er twee sa’angrealen gemaakt, één die jij kunt gebruiken, één die ik kan gebruiken. Veel sterker dan dat zwaard. Je kunt je hun kracht niet eens voorstellen. Daarmee kunnen we zelfs... de Grote Heer zelf uitdagen. Zelfs de Schepper!’

‘Je bent gek,’ zei hij schor. ‘De Vader van de Leugen zegt dat hij me vrij zal laten? Ik ben geboren om hem te bestrijden. Om die reden ben ik hier, om de Voorspellingen te vervullen. Ik zal hem bestrijden, jullie allemaal, tot in de Laatste Slag! Tot ik mijn laatste adem uitblaas!’

‘Dat hoef je helemaal niet. Een voorspelling is niet meer dan een teken van hoop voor de mensen. Het vervullen van de Voorspellingen zal slechts tot Tarmon Gai’don en je dood leiden. Moghedien en Sammael kunnen je lichaam vernietigen. De Grote Heer van het Duister kan je ziel vernietigen. Een volkomen en volslagen einde. Je zult nooit meer worden wedergeboren, ongeacht hoe lang het Rad des Tijds nog zal draaien.’

‘Nee!’

Ze leek hem heel lang op te nemen; hij kon de weegschaal haast alle kanten uit zien slaan. ‘Ik zou je kunnen meenemen,’ zei ze ten slotte, ik zou je tot de Grote Heer kunnen keren, wat je ook wilt of gelooft. Er zijn manieren voor.’

Ze zweeg even, waarschijnlijk om te zien hoe hij reageerde. Het zweet stroomde hem langs de rug, maar hij hield zijn gezicht strak. Hij moest iets doen, al had hij geen enkele kans. Een tweede poging saidin te bereiken sloeg stuk tegen haar onzichtbare muur. Hij liet zijn ogen nadenkend rondgaan. Callandor stond achter hem, even ver buiten bereik als de andere kant van de Arythische Oceaan. Zijn mes lag op een tafeltje bij het bed, bij de half uitgesneden vos die hij aan het maken was. De vormeloze brokken gesmolten metaal keken hem vanaf de schouw aan, een sjofele man glipte binnen met een mes in zijn hand, overal lagen boeken in het rond. Hij wendde zich opnieuw gespannen tot Lanfir.

‘Je bent altijd koppig geweest,’ mompelde ze. ‘Deze keer neem ik je nog niet mee. Ik wil dat je uit eigen vrije wil meekomt. En dat zal ook gebeuren. Wat is er? Waarom frons je?’

Een man die met een mes binnenglipt; zijn ogen waren langs die kerel gegleden eigenlijk zonder hem te zien. Instinctief duwde hij Lanfir opzij en reikte naar de Ware Bron. De blokkering verdween bij zijn aanraking en zijn zwaard lag als een roodgouden vlam in zijn handen. De man snelde op hem af, het mes laag en met de punt omhoog voor een dodelijke steek. Zelfs nu was de kerel moeilijk in het oog te houden, maar Rhand draaide soepel rond en Wind waait over de wallen hakte de meshand af en kwam tot rust in het hart van de aanvaller. Een ogenblik lang staarde hij in doffe ogen – levenloos, terwijl het hart nog pompte – en toen trok hij zijn kling terug.