‘Een grijzel.’ Rhand haalde opgelucht adem, het leek voor het eerst. Het lijk lag bloedend op het tapijt, maar het kostte hem geen moeite meer om de man in het oog te houden. Dat was altijd het geval met de moordenaars van de Schaduw; wanneer je ze in het oog kreeg, was het meestal te laat. ‘Dit heeft geen zin. Je had me gemakkelijk kunnen doden. Waarom leid je me af, zodat er een grijzel naar me toe kan sluipen?’
Lanfir stond hem aandachtig op te nemen, ik maak geen gebruik van de ziellozen. Ik heb je al gezegd, er bestaan tussen de Uitverkorenen... verschillen. Blijkbaar oordeelde ik een dag te laat, maar je hebt nog tijd om met me mee te gaan. Om te leren. Te leven. Dat zwaard,’ sneerde ze. ‘Je doet nog geen tiende deel van wat je kunt. Kom met me mee om te leren. Of ben je van plan mij nu te doden? Ik heb je losgemaakt om jezelf te verdedigen.’
Haar stem en haar houding verrieden dat ze een aanval verwachtte, of op z’n minst klaarstond die af te weren. Dat weerhield hem echter niet, ook niet dat ze zijn boeien eerder had verwijderd. Ze was een Verzaker, ze had het kwaad zo lang gediend dat een Zwarte zuster er een pasgeboren kindje bij was. Desondanks zag hij een vrouw voor zich staan. Hij vond zichzelf een driedubbele stommeling, maar hij kon het niet. Misschien als ze probeerde hem te doden. Misschien. Maar ze stond er slechts, toekijkend, afwachtend. Ongetwijfeld klaar om met de Kracht dingen te doen die hij niet eens voor mogelijk hield. Zou hij proberen haar vast te houden? Het was hem gelukt Elayne en Egwene te blokkeren, maar dat had hij zonder verder nadenken gedaan en de wijze waarop lag ergens in zijn hoofd begraven. Hij kon zich slechts het feit herinneren, niet meer hoe hij het had gedaan. Gelukkig had hij nu een ferme greep op saidin, dus kon ze hem niet meer verrassen. De misselijkmakende smet was niets, saidin was leven, nu misschien op meer dan één manier.
Een plotselinge gedachte kolkte door zijn hoofd als een hete bron. De Aiel! Zelfs een grijzel kon onmogelijk door deuren sluipen die door een handvol Aiel bewaakt werden.
‘Wat heb je met ze gedaan?’ kraste zijn stem terwijl hij achteruit naar de deuren liep, haar strak aankijkend. Als ze de Kracht gebruikte, zou hij misschien een of andere waarschuwing opvangen. ‘Wat heb je met de Aiel buiten gedaan?’
‘Niets,’ antwoordde ze koeltjes. ‘Ga niet naar buiten. Dit kan weieens een proef zijn om te zien hoe kwetsbaar je bent, maar zelfs een proef is dodelijk als je een stommeling bent.’
Hij gooide de linkerdeur open en zag een tafereel van waanzin.
10
De Steen houdt stand
Aan Rhands voeten lagen dode Aiel, samen met de lijken van drie heel gewone mannen in heel gewone jassen en broeken. Gewone mannen, maar de hele wacht van zes Aiel was geveld, sommigen blijkbaar voor ze wisten wat er aan de hand was. En elk van die heel gewone mannen was door minstens twee Aielsperen doorboord. En dat was nog niet eens alles. Hij had nauwelijks de deuren geopend of het strijdrumoer donderde over hem heen: geschreeuw, gehuil, kletterend staal tussen de roodstenen pilaren. Onder de vergulde lampen in het voorvertrek vochten de Verdedigers voor hun leven tegen enorme gestalten in zwarte maliën die met kop en schouders boven hen uitstaken. Gestalten als enorme mannen met vervormde koppen en door hoorns of veren mismaakte gezichten, waarin een muil of een snavel mond of neus vervingen. Trolloks. Ze liepen even vaak op klauwen en hoeven als op laarzen rond en sloegen mannen neer met vreemde piek-bijlen, speren met weerhaken en ongewone kromzwaarden. En tussen hen bewoog zich een Myrddraal als een dodelijke slang, met een madewit hoofd van bloedloos vlees boven een zwart harnas. Ergens in de Steen luidde een noodklok, die opeens dodelijk abrupt stopte. Een tweede nam het over, toen een derde, schel kleppend. De Verdedigers streden; ze waren nog steeds talrijker dan de Trolloks, maar er lagen meer dode mannen dan Trolloks op de vloer. Toen Rhands ogen op hem vielen, scheurde de Myrddraal met een hand het gezicht van de Tyreense kapitein open, joeg hij met zijn andere hand een doodszwarte kling door de keel van een Verdediger en ontweek hij als een slang de toestekende speren van de Verdedigers. De Verdedigers stonden tegenover figuren die ze alleen uit de griezelverhalen van kinderen kenden; hun zenuwen stonden zo strak dat ze dreigden te knappen. Een man zonder helm gooide zijn speer neer en probeerde te vluchten, maar zijn hoofd werd als een meloen opengeslagen door de zware bijl van een Trollok. Een ander keek naar de Myrddraal en sloeg gillend op de vlucht. De Myrddraal sprong soepel opzij om hem te onderscheppen. Het zou niet lang meer duren of alle mensen zouden op de vlucht slaan.
‘Schim!’ schreeuwde Rhand. ‘Probeer mij maar, Schim!’ De Schim bleef staan alsof hij nooit had bewogen, zijn bleke oogloze gezicht draaide naar hem toe. Vrees rimpelde huiverend door Rhand heen, gleed over de bol van koele allesomvattende kalmte terwijl hij saidin vasthield. In de Grenslanden zeiden ze: ‘De blik van de Ooglozen is vrees.’ Vroeger had hij geloofd dat Schimmen schaduwen als paarden bereden en verdwenen als zij zich afwendden. Dat oude geloof had het niet zo ver mis. De Myrddraal vloeide naar voren en Rhand sprong over de dode mannen heen om hem op te vangen. Toen hij neerkwam, gleden zijn laarzen iets uit op het bebloede zwarte marmer. ‘Vecht voor de Steen!’ schreeuwde hij tijdens zijn sprong. ‘De Steen houdt stand!’ Dat waren de strijdkreten die hij had opgevangen in die nacht toen de Steen niet stand had gehouden.
Hij meende achter zich uit de kamer een gespannen geschreeuwd ‘Dwaas!’ te horen, maar hij had geen tijd voor Lanfir of voor wat ze zou kunnen doen. Die glijpartij kostte hem bijna het leven. Zijn roodgouden kling kon maar net de zwarte van de Myrddraal afweren, terwijl hij zijn evenwicht zocht. ‘Vecht voor de Steen! De Steen houdt stand!’ Hij moest de Verdedigers bijeenhouden, anders zou hij alleen tegen de Myrddraal en twintig Trolloks moeten vechten. ‘De Steen houdt stand!’
De Schim bewoog even vloeiend als een slang. De gedachte aan een slang werd nog versterkt door de overlappende platen van zijn zwarte wapenrusting. Maar zelfs een zwartlans sloeg nooit zo snel toe. Rhand droeg geen harnas en een tijdlang kon hij het wapen slechts afweren. Dat zwarte metaal kon etterende wonden maken die bijna even moeilijk heelden als de wond in z’n zij, die nu zo’n pijn deed. Elke keer dat donker staal gesmeed in Thakan’dar, onder de hellingen van Shayol Ghul, de met Kracht gesmede rood gouden kling trof, weerlichtte het in de kamer, een scherp blauwig licht dat pijn deed aan de ogen. ‘Deze keer zul je sterven,’ raspte de Myrddraal hem toe met een stem als knisperende dode bladeren. ‘Je vlees geef ik aan de Trolloks en je vrouwen neem ik zelf.’
Nooit eerder had Rhand zo kil en zo wanhopig gevochten. De Schim wist met zijn zwaard om te gaan. Toen kwam er een moment dat hij zijn zwaard recht raakte en het niet afschampte. Met een gesis als ijs op gesmolten metaal sloeg de roodgouden kling dwars door het zwarte zwaard. Zijn volgende slag sloeg het oogloze hoofd van de schouders; de schok van deze slag trilde door zijn armen omhoog. Inktzwart bloed spoot uit de stomp van de nek. De Myrddraal viel echter niet neer. Blindelings rondzwaaiend met zijn gebroken zwaard, stommelde de hoofdloze gestalte rond, in het wilde weg rondslaand. Toen het hoofd van de Schim over de vloer rolde, vielen de overgebleven Trolloks ook neer, krijsend, schoppend en met grof behaarde handen aan hun koppen rukkend. Dat was een zwakte van Myrddraal en Trolloks. Een Myrddraal vertrouwde geen enkele Trollok, dus verbond hij zich vaak met hen op een onbekende manier. Her verzekerde hem blijkbaar van hun trouw, maar wie aan een Myrddraal gebonden was, overleefde zijn dood niet lang.