De minder dan twintig Verdedigers die nog steeds standhielden, wachtten het niet af. Met twee of drie man tegelijk doorboorden ze elke Trollok herhaaldelijk met hun speren tot hij niet langer bewoog. Sommigen staken hun speren diep in de Myrddraal, maar hij bleef wild rondzwaaien, hoe vaak ze hem ook verwondden. Toen de Trolloks ten slotte zwegen, kon men nog hier en daar een gewonde horen kreunen of huilen. Er lagen nog steeds meer mannen dan Schaduwgebroed op de vloer verspreid. Het zwarte marmer was glad van bloed, dat bijna onzichtbaar de donkere steen vervuilde.
‘Laat maar,’ zei Rhand tegen de Verdedigers die de Myrddraal probeerden af te maken. ‘Hij is al dood. Schimmen willen gewoon niet toegeven dat ze dood zijn.’ Dat had Lan hem verteld en het leek lang geleden, maar hij had het al vaker gezien. ‘Zorg voor de gewonden.’ Turend naar de hoofdloze, wild rondspartelende gestalte, het lijf een wirwar van gapende wonden, schoven ze huiverend opzij onder het gemompel van: Lurk. Zo werden Schimmen in de kinderverhaaltjes van Tyr genoemd. Enkelen controleerden de gevallen mannen om te zien wie nog in leven was; ze legden de zwaargewonden opzij en hielpen anderen overeind. Te veel mannen bleven doodstil liggen. Haastig aangelegd verband uit verscheurde mannenhemden bood nu de enig mogelijke hulp.
Die Tyreners zagen er niet meer zo mooi uit als eerst. Hun kuras glansde niet meer en zat vol deuken en moeten. Bloed bevlekte de scheuren in hun mooie zwart met gouden jassen en broeken. Sommigen hadden hun helm verloren en verscheidenen leunden op hun speer alsof ze alleen daardoor overeind konden blijven. Misschien was dat ook wel zo. Ze hijgden luid en keken verwilderd rond met die mengeling van pure doodsangst en blinde verdoving die mannen in de strijd aangrijpt. Ze staarden Rhand onzeker aan – schichtige, angstige blikken – alsof hij deze schepsels zelf uit de Verwording had opgeroepen. ‘Wrijf die speerpunten af,’ droeg hij hun op. ‘Het bloed van een Schim etst staal als een zuur als je het te lang laat zitten.’ De meesten gehoorzaamden hem langzaam en gebruikten aarzelend wat beschikbaar was: de jaspanden van hun eigen doden.
Door de gangen dreven de geluiden van nog meer strijd; ver geschreeuw, het gedempte gekletter van metaal. Ze hadden hem tweemaal gehoorzaamd, het werd tijd om te kijken of ze nog meer zouden doen. Hij keerde hun de rug toe en liep het voorvertrek door in de richting van het strijdrumoer. ‘Volg me!’ beval hij. Hij hief zijn uit vuur gewrochte zwaard op om hen eraan te herinneren wie hij was, in de hoop dat die herinnering geen speer in zijn rug zou doen belanden. Hij moest het er maar op wagen. ‘De Steen houdt stand! Voor de Steen!’ Heel even waren zijn eigen hol klinkende voetstappen het enige geluid in het vertrek met de pilaren, toen begonnen laarzen hem te volgen. ‘Voor de Steen!’ schreeuwde een man en toen nog een. ‘Voor de Steen en de Drakenheer!’ Anderen vielen hem bij. ‘Voor de Steen en de Drakenheer!’ Rhand zette het op een hollen en leidde zijn bebloede legertje van drieëntwintig man verder de Steen in.
Waar was Lanfir en welk aandeel had ze in dit alles? Hij kreeg weinig tijd zich dat af te vragen. Overal in de gangen van de Steen lagen dode mannen in plassen bloed, een hier, twee of meer verderop. Verdedigers, dienaren, Aiel. Ook vrouwen, zowel edelen in fijne linnen kleren als dienaressen in ruwe wol, neergeslagen tijdens hun vlucht. Trolloks gaven er niet om wie ze doodden, ze hadden er plezier in. Myrddraal waren nog erger, zij vonden pijn en dood verrukkelijk. Wat verder in de Steen was het een kolkende, ziedende chaos. Groepjes Trolloks trokken verwoestend door de gangen, soms onder aanvoering van een Myrddraal, soms alleen, vechtend met Aiel of Verdedigers; ze sloegen ongewapenden neer op jacht naar prooi om te doden. Rhand voerde zijn kleine strijdmacht aan tegen elk Schaduwgebroed dat ze tegenkwamen; zijn zwaard doorkliefde vlees met even groot gemak als zwarte harnassen. Alleen de Aiel durfden zonder te aarzelen een Myrddraal aan te vallen. De Aiel en Rhand. Hij liet Trolloks links liggen om bij een Schim te komen; soms nam de Myrddraal een twintigtal Trolloks mee in de dood, soms geen enkele. Sommige Verdedigers uit zijn troep vielen en stonden niet meer op, maar Aielkrijgers sloten zich bij hem aan en verdubbelden bijna hun aantal. Groepen mannen raakten verwikkeld in verwoede gevechten die wegdreven met geschreeuw en gekletter als in een waanzinnige smidse. Andere mannen sloten zich bij Rhand aan, trokken weg, werden vervangen tot er niemand van de eerste groep over was. Soms vocht hij alleen of rende hij een gang door, leeg, afgezien van hemzelf en de doden, op het geluid afgaand van een gevecht verderop. Ergens, met twee Verdedigers, in een zuilengalerij die neerkeek op een langwerpig vertrek met vele zijdeuren, zag hij Moiraine en Lan omringd door Trolloks. De Aes Sedai stond kaarsrecht, het hoofd fier omhoog als een legendarische strijdvorstin, en de woeste beestmensen rond haar barstten in vlammen uit. Maar ze werden opgevolgd door anderen die met zes of acht tegelijk uit een zijdeur kwamen aanstormen. Lans zwaard rekende af met de Trolloks die aan Moiraines vuur ontsnapten. De zwaardhand had bloed op beide kanten van zijn gezicht, maar zijn vloeiende zwaardvormen waren even koeltjes alsof hij voor een spiegel oefende. Toen stak een Trollok met een wolvensnuit een Tyreense speer naar Moiraines rug. Lan wervelde rond alsof hij ogen in zijn rug had en sloeg de knie van de Trollok dwars doormidden. De Trollok viel jankend neer, maar slaagde er nog in een speerpunt naar Lan te steken, op hetzelfde moment dat een ander onhandig met het plat van zijn bijl Lans hoofd trof, waardoor hij door zijn knieën zakte.
Rhand kon niets doen, want net op dat moment vielen vijf Trolloks hem en zijn twee metgezellen aan, een kluwen van snuiten, everslagtanden en ramshoorns. Ze wisten de mensen de zuilengalerij uit te drijven door hun massa en snelheid. Vijf Trolloks konden drie man zonder veel moeite doden, maar een van die mannen was Rhand, met een zwaard dat lachte om maliën en wapenrusting. Een Verdediger stierf en de ander joeg een gewonde Trollok na, de enige overlevende van de vijf. Toen Rhand zich naar de galerij terughaastte, kringelde de stank van brandend vlees omhoog, maar van Moiraine of Lan was geen spoor te bekennen.
Op deze wijze werd de Steen beproefd. Of werd Rhands leven beproefd. Gevechten laaiden op en trokken verder, of vielen stil als de tegenstanders waren gevallen. Het was niet alleen een strijd van mensen tegen Trolloks of Myrddraal. Mannen bestreden mannen, er waren Duistervrienden bij het Schaduwgebroed, grof geklede kerels die eruitzagen als voormalige krijgslieden en kroegvechters. Ze leken even bang voor de Trolloks als de Tyreners, maar ze moordden net zo woest en willekeurig. Tweemaal zag Rhand Trolloks tegen andere Trolloks vechten. Hij kon alleen maar aannemen dat een Myrddraal zijn leiding had verloren en dat hun bloeddorst de overhand had gekregen. Als ze elkaar wilden doden, mochten ze van hem hun gang gaan. Op een gegeven moment was hij weer alleen op zoek en draafde hij een hoek om. Hij stond recht voor drie Trolloks, elk tweemaal zo breed als hij en anderhalf keer zo lang. Een Trollok met een kromme arendssnavel in een verder normaal gezicht hakte net een arm af van het lijk van een Tyreense edelvrouwe, terwijl de andere twee hongerig toekeken en hun snuiten likten. Trolloks vraten elk soort vlees. Het was de vraag wie van hen het meest verrast was, maar Rhand herstelde zich het eerst.
De Trollok met de arendssnavel viel met doorboorde maliën en buik neer. De zwaardvorm Hagedis tussen de doornen had met de andere twee moeten afrekenen, maar de verslagen Trollok schopte in zijn doodsstrijd bijna zijn voeten onder hem vandaan. Hij struikelde terwijl zijn kling slechts langs de maliën van zijn prooi schaafde en belandde recht voor de voeten van de vallende tweede Trollok toen die met happende wolfsbek neerging. Hij lag half bedolven op de stenen tegels met zijn zwaard en arm onder het enorme lijf. Het monster dat nog stond, hief zijn piekbijl en vertoonde bijna een glimlach met zijn van slagtanden voorziene berensnuit. Rhand wilde zich losworstelen en hapte naar lucht.