Выбрать главу

Een zeisachtig zwaard spleet de berensnuit tot aan de nek open. Een vierde Trollok trok zijn kling los, ontblootte snauwende geiten-tanden en bewoog zijn oren naast de hoorns. Toen sprong hij weg, terwijl de harde hoeven op de vloertegels klakten.

Rhand duwde zich stomverbaasd onder het dode gewicht van de Trollok uit. Een Trollok beeft me gered! Een Trollok? Hij zat helemaal onder het dikke, donkerrode Trollokbloed. Achter hem flitste blauwwit staal en twee Myrddraal werden zichtbaar. Ze bevochten elkaar in een waas van voortdurende beweging. De een dwong de ander een zijgang in en het flitsende licht verdween uit zicht. Ik ben gek. Dat moet het zijn. Ik ben gek en dit alles is een waanzinnige droom. ‘Je riskeert alles door zo wild rond te hollen met dat... zwaard.’ Rhand draaide zich om en keek Lanfir aan. Ze had weer het uiterlijk van een meisje, niet ouder dan hij, misschien jonger. Ze tilde haar witte rok op om over het verminkte lijk van de Tyreense heen te stappen. Aan haar onbewogen gelaat te zien had het net zo goed een stuk hout kunnen zijn.

‘Je hebt een hutje van twijgen gebouwd,’ vervolgde ze. ‘Terwijl je met een knip van je vingers marmeren paleizen kunt hebben. Je had het leven van die Trolloks en hun ziel, voor zover ze die bezitten, zonder veel moeite kunnen krijgen en in plaats daarvan hebben ze jou bijna gedood. Je moet leren. Sluit je bij me aan.’

‘Heb jij hiervoor gezorgd?’ wilde hij weten. ‘Die Trollok die me redde? Die twee Myrddraal? Jij?’

Ze nam hem een ogenblik op en schudde toen licht spijtig haar hoofd. ‘Als ik daar aanspraak op maak, ga je daarop rekenen en dat kan dodelijk zijn. Niemand van de anderen weet eigenlijk welk standpunt ik inneem en zo wil ik het graag houden. Je kunt niet op openlijke hulp van mij rekenen.’

‘Op jouw hulp rekenen?’ gromde hij. ‘Jij wilt me naar de Schaduw keren. Jouw zachte woorden kunnen mij niet doen vergeten wat je bent.’ Hij geleidde en ze klapte zo hard tegen een wand dat ze kreunde. Hij hield haar daar vast, met haar armen en benen wijd tegen een geweven jachttafereel, haar voeten bungelend boven de vloer en haar sneeuwwitte gewaad uitgespreid en plat. Hoe had hij Egwene en Elayne geblokkeerd? Hij moest het zich herinneren.

Opeens vloog hij dwars de gang over en klapte tegen de muur tegenover Lanfir, werd daar als een insect tegenaan geplakt door iets wat hem amper toestond adem te halen.

Lanfir leek daar geen enkele last van te hebben. ‘Alles wat jij kunt, Lews Therin, kan ik ook. En beter.’ Zoals ze tegen de muur zat vastgeplakt, leek ze onverstoorbaar. Het lawaai van de strijd klonk op uit een nabije gang en verflauwde weer toen de strijd zich verplaatste. ‘Je gebruikt het maar half, het allerkleinste deel van waartoe je in staat bent en wend je af van datgene waarmee je je tegenstander kunt vermorzelen. Waar is Callandor, Lews Therin? Nog steeds als een nutteloos beeldje boven in je slaapvertrek? Denk je dat jouw hand de enige is die het kan gebruiken nu je het hebt getrokken? Als Sammael hier is, zal hij het pakken en tegen jou gebruiken. Zelfs Moghedien zou het pakken om te voorkomen dat jij het gebruikt; ze kan er veel mee winnen door het te ruilen met de een of andere mannelijke Uitverkorene.’ Hij worstelde met de onzichtbare banden. Alleen zijn hoofd was los en hij rukte dat heen en weer. Callandor in de handen van een Verzaken De gedachte maakte hem half gek van vrees en ergernis. Hij geleidde en probeerde de onzichtbare boeien los te wrikken, maar er had evengoed niets kunnen zijn. Toen was het opeens weg en hij sprong nog worstelend weg van de muur voor het tot hem doordrong dat hij vrij was. En hij had er niets aan gedaan.

Hij keek naar Lanfir. Ze hing er nog steeds, even onverschillig alsof ze een luchtje schepte aan de waterkant. Ze probeerde hem te kalmeren, hem terwille te zijn, zodat hij haar welwillend zou behandelen. Aarzelend beproefde hij de stromen die haar vasthielden. Als hij ze vastknoopte en haar achterliet, zou ze de halve Steen in stukken kunnen breken om vrij te komen – als ze niet door een voorbijkomende Trollok werd gedood die haar voor een bewoonster van de Steen hield. Daar zou hij zich eigenlijk geen zorgen over mogen maken – niet over de dood van een Verzaker – maar de gedachte een vrouw of iemand anders hulpeloos voor de Trolloks achter te laten, wekte zijn afkeer. Een blik op haar zorgeloze houding bevrijdde hem van die gedachte. Niemand, niets in de Steen kon haar kwaad doen zolang zij kon geleiden. Als hij Moiraine kon vinden om haar af te schermen... Wederom nam Lanfir een beslissing voor hij klaar was. De schok van doorgesneden stromen sloeg door hem heen en ze zakte licht naar de vloer omlaag. Met open mond zag hij haar van de muur wegstappen en kalmpjes haar rok afkloppen. ‘Dat kun je niet,’ zuchtte hij dom en ze glimlachte.

‘Als ik weet wat het is en het kan vinden, hoef ik de stroom niet te zien om hem te ontrafelen. Zoals je ziet, moet je dus nog veel leren. Ik mag je wel zoals je nu bent. Je had altijd zo’n dikke schedel en was veel te zeker van jezelf. Het ging altijd beter als je twijfelde over wat je te doen stond. Vergeet je Callandor niet?’

Nog steeds aarzelde hij. Voor hem stond een Verzaken En hij kon niets tegen haar doen. Hij draaide zich om en holde naar zijn slaapvertrek. Haar lachen leek hem te achtervolgen.

Ditmaal ging hij geen enkel gevecht met Trolloks of Myrddraal aan en liep hij evenmin langzamer tijdens zijn verbeten klim omhoog in de Steen. Als ze hem in de weg liepen, baande zijn vlammende zwaard zich een doorgang. Hij zag Perijn en Faile, hij met de bijl in zijn hand, zij met haar messen tegen zijn rug staand. De Trolloks leken evenzeer voor Perijns gele ogen terug te schrikken als voor zijn bijl. Rhand liet ze daar achter zonder om te kijken. Als een Verzaker Callandor in handen kreeg, zou geen van hen de zon nog zien opgaan. Hijgend stapte hij door het voorvertrek en sprong over de lijken en tussen de pilaren door; hij wilde zo snel mogelijk Callandor bereiken. Hij zwaaide beide deuren wijd open. Het Zwaard dat geen zwaard is, rustte op zijn vergulde standaard met de vele edelstenen, glanzend in het licht van de ondergaande zon. Het wachtte op hem. Nu hij het veilig binnen bereik had, verafschuwde hij bijna het idee om het aan te raken. Hij had Callandor eenmaal gebruikt zoals het bedoeld was. Slechts één keer. Hij wist wat hem te wachten stond wanneer hij het weer oppakte en het gebruikte om veel meer uit de Ware Bron te putten dan een mens zonder hulp kon geleiden. Het rood gouden wapen los te laten leek zijn krachten te boven te gaan; toen het gevoel verdween, riep hij het bijna weer terug. Met lome voeten stapte hij om het lijk van de grijzel heen en legde langzaam zijn handen op het gevest van Callandor. Het was koud, als een kristal dat lang in het donker heeft gelegen, maar het voelde niet zo glad aan dat het uit zijn handen zou glijden.

Iets deed hem opkijken. Een Schim stond aarzelend in de deuropening, zijn oogloze blik strak op Callandor gevestigd.

Rhand trok saidin naar zich toe. Door Callandor. Het zwaard dat geen zwaard is, vlamde op in zijn handen, alsof hij de middagzon vasthield. Hij werd gevuld met de Kracht, die in hem neerhamerde als een rotssplijtende bliksem. De smet bulderde als een zwarte golf door hem heen. Gloeiend steen klopte in zijn aderen; de kilte in hem had de zon kunnen bevriezen. Als de Kracht niet gebruikte, zou hij openbarsten als een overrijpe meloen.

De Myrddraal wilde wegvluchten, maar zijn zwarte kledij en wapenrusting lagen opeens in een hoopje op de vloer en lieten slechts in de lucht zwevende vettige vlokjes achter.

Rhand had niet eens beseft dat hij geleidde tot het voorbij was. Al had zijn leven ervan afgehangen, hij wist niet wat hij gedaan had. Maar niemand kon hem naar het leven staan zolang hij Callandor vasthield. De Kracht klopte in hem als de hartslag van de wereld. Met Callandor in zijn handen kon hij alles. De Kracht mokerde op hem in, een moker waarmee hij bergen kon splijten. Een draadje Kracht liet de zwevende resten van de Myrddraal het voorvertrek in schieten, samen met diens kleren en wapenrusting, een druppeltje van de stroom stak alles in brand. Hij schreed naar buiten, op jacht naar de vijanden die op hem hadden gejaagd.